Wonen is een recht. Punt. Maar als we naar de geschiedenis van de volkshuisvesting kijken – vooral in landen als het Verenigd Koninkrijk – dan lijkt dat recht steeds vaker ingeruild voor een marktproduct. Een koopwaar. Een belegging. Hoe kon een sociaal ideaal, ooit bedoeld om mensen uit mensonterende krotten te halen, verworden tot een landschap van stigmatisering, achterstallig onderhoud en sociale uitsluiting? En waarom wordt juist de architectuur van die periode – vooral het brutalisme – zo vaak onterecht als zondebok aangewezen?
De opkomst van de volkswoningbouw: hoop na ellende
Na de industriële revolutie ontstonden in steden als Londen, Manchester en Liverpool sloppenwijken die vandaag de dag haast onvoorstelbaar zijn. Overbevolkt, vervuild, ziekmakend. In de beruchte Old Nichol slum stierf één op de vier kinderen vóór hun eerste verjaardag. De reactie van de overheid? Slopen, en opnieuw beginnen. Zo ontstond de Boundary Estate, het eerste grote sociale woningbouwproject van het Verenigd Koninkrijk.
Architect Owen Fleming1 zag schoonheid als iets wat ook gewone mensen toekwam. Geen saaie blokkendozen, maar gebogen straten, pleinen, ornamenten. Het wrange is dat de huren zo hoog waren dat de oorspronkelijke bewoners er niet konden blijven. Klassieke gentrificatie, lang voordat dat woord bestond.
‘Homes for Heroes’ en de gouden jaren van volkshuisvesting
Na de Eerste Wereldoorlog beloofde de Britse staat: fatsoenlijke huizen voor terugkerende soldaten. Die belofte bracht tuindorpen en voorsteden met zich mee – woningen met ruimte, tuinen, stromend water en toiletten. Zaken die tot dan toe alleen de middenklasse kende. Het was niets minder dan een sociale revolutie.
Ook Nederland volgde deze koers. De Woningwet2 van 1901, het ontstaan van woningcorporaties, het ideaal van de “volkswoning” als fundament van beschaving. In Amsterdam verschenen tuindorpen als Oostzaan en Nieuwendam, en later de Bijlmer – modern, ruim, idealistisch.
Brutalisme: eerlijk, ruw, idealistisch
Toen kwam het brutalisme. Grote betonnen structuren, vaak verguisd, maar diep doordrenkt van idealisme. Geen tierlantijntjes, maar zichtbaar beton en constructies. Eerlijkheid in vorm. Architecten als Le Corbusier en het duo Smithson ontwierpen woningen als systemen voor gemeenschappelijkheid – voor mensen, niet voor prestige.
Wat brutalisme níét was: een poging om kil of lelijk te zijn. Wat het wél was: een poging om betaalbaar én waardig te bouwen. De Robin Hood Estate, de Trellick Tower – ze waren goed doordacht, maar kregen te kampen met bezuinigingen, stigmatisering en beleidsfalen. De architectuur werd de schuld gegeven, terwijl het de politiek was die faalde.
In Nederland gebeurde iets soortgelijks. De Bijlmer was bij oplevering een toonbeeld van visie: licht, lucht, ruimte, gescheiden verkeersstromen. Maar zonder sociale voorzieningen en met eenzijdige instroom van kwetsbare groepen werd ook daar het gebouw verantwoordelijk gehouden voor wat eigenlijk een beleidsfout was.
Thatcher en de sloop van de verzorgingsstaat
Met de verkiezing van Margaret Thatcher3 in 1979 begon de systematische ontmanteling van publieke huisvesting. De “Right to Buy” klonk als een emancipatorische maatregel, maar draaide uit op grootschalige privatisering. Huurders mochten hun woning kopen – met korting – maar de opbrengst ging niet naar nieuwbouw.
Binnen tien jaar waren er 1,5 miljoen sociale woningen verkocht. Vooral de beste: die met een tuin, in nette buurten. Wat overbleef waren flats die niemand wilde, gevuld met de meest kwetsbare groepen. Zo ontstond het beeld van de sociale huursector als vangnet – en daarmee als probleem. En zoals zo vaak: armoede werd als persoonlijk falen gezien.
Het resultaat? Hele wijken werden gecriminaliseerd. Niet vanwege hun ontwerp, maar omdat hun bewoners doelbewust werden gemarginaliseerd.

Brutalisme herwaarderen: het was nooit het beton
We moeten eerlijk zijn: het probleem was nooit het beton. Het was verwaarlozing, beleidsfalen, en politieke keuzes die deze wijken ondermijnden. Veel brutalistische buurten werkten aanvankelijk prima – er was gemeenschapszin, voorzieningen, trots. Maar door jarenlange demonisering en verkoop aan projectontwikkelaars raakten ze in verval.
Brutalisme verdient herwaardering. Het is een monument voor een tijd waarin steden nog voor iedereen bedoeld waren. Waarin architectuur probeerde een collectief thuis te bieden – met ruimte, licht en samenhang. Dat ideaal is actueler dan ooit.
Sloop is zelden het antwoord. Wat nodig is: renovatie, verduurzaming, en respect voor het oorspronkelijke ideaal. Geen nepklassieke villa’s voor de elite, maar sociale woningbouw die weer een bron van trots mag zijn.
Volkshuisvesting is een keuze
De geschiedenis van de volkshuisvesting, zowel in het VK als in Nederland, laat zien: wonen is geen natuurwet. Het is een politieke keuze. We kunnen kiezen voor de markt – of voor het publieke belang. De afgelopen decennia koos men voor het eerste. De gevolgen spreken voor zich: woningnood, dakloosheid, uitsluiting.
Maar dat hoeft niet zo te blijven.
We kunnen terug naar het idee dat wonen een collectieve belofte is. Dat vraagt om politieke moed: herinvesteren in sociale woningbouw, stoppen met het uitverkopen van grond, en het herwaarderen van volkshuisvesting – in idealen én in vorm. Zelfs, of juist, als dat vorm krijgt in beton.
Tot slot een pleidooi
Herinner je dit als je weer een brutalistisch blok ziet: dit was ooit gebouwd met het idee dat iedereen, ongeacht inkomen, recht heeft op een goed leven. Dat idee verdient geen afbraak, maar herstel.
- Owen Fleming (1862–1955) was een Britse architect en stedenbouwkundige, vooral bekend als hoofdarchitect van de London County Council. Hij speelde een centrale rol in het ontwerp van de Boundary Estate, waarbij hij brak met het traditionele, utilitaire karakter van sociale woningbouw en in plaats daarvan koos voor esthetiek, menselijke maat en leefbaarheid. Zijn visie was dat ook arbeiders recht hadden op mooie, goed ontworpen woningen. ↩︎
- De Woningwet van 1901 was een mijlpaal in het Nederlandse volkshuisvestingsbeleid. Onder invloed van progressieve liberalen en sociale hervormers (zoals de sociaal-liberale minister Hendrik Goeman Borgesius) werd de wet ingevoerd om de erbarmelijke woonomstandigheden van arbeiders te verbeteren. De wet gaf gemeenten de bevoegdheid om krotten te onteigenen en stelde subsidies beschikbaar voor woningbouwverenigingen. Het markeerde de erkenning van fatsoenlijk wonen als publieke verantwoordelijkheid, en legde de basis voor het Nederlandse systeem van sociale woningbouw. ↩︎
- De verkiezing van Margaret Thatcher in 1979 betekende een radicale breuk met het naoorlogse sociaal-democratische beleid. Onder het mom van individuele vrijheid en eigen verantwoordelijkheid voerde zij een neoliberale agenda door die publieke voorzieningen systematisch afbrak. De “Right to Buy”-wetgeving werd gepresenteerd als emancipatie, maar leidde tot een grootschalige uitholling van de sociale huursector. Woningen werden koopwaar; burgers werden klanten. Het beleid symboliseerde de bredere ideologische verschuiving waarin marktwerking boven solidariteit werd gesteld—met langdurige sociale ontwrichting tot gevolg. ↩︎