Drie Nederlandse politici staan achter elkaar, waarbij de voorste zichtbaar onder druk staat en de anderen richting geven
De formatie beweegt naar rechts, terwijl radicaal-rechts steeds vaker als normale gesprekspartner wordt gepresenteerd.

De rechtse afslag is geen incident

Je ziet het vaak pas als het bijna voorbij is. De vrolijkheid verdwijnt uit de gezichten, de grapjes drogen op, en ineens staat er iemand aan tafel die niet lacht. Nu duidelijk wordt dat de formatie een rechtse afslag neemt, lijkt ook bij D66-leider en beoogd premier Rob Jetten de overwinningsroes uitgewerkt. De luchtige bromance met CDA-voorman Henri Bontenbal maakt plaats voor de kille rekenkunde van macht, belichaamd door VVD-leider Dilan Yesilgöz.

Onder begeleiding van informateur Rianne Letschert onderhandelen deze drie partijen over een minderheidskabinet dat zichzelf vermoedelijk “verantwoord” en “realistisch” zal noemen.

Dat zijn woorden die we inmiddels kennen. Ze klinken geruststellend. Maar ze verbergen iets.

Steun vrheid.nl op Substack

De vlucht naar voren

Bontenbal zette al vroeg de toon door JA21 te bestempelen als de ‘meest realistische’ vierde coalitiepartner. Een vlucht naar voren, verpakt als bestuurlijke nuchterheid. Daarmee zette hij Jetten direct voor het blok. Want wie “realistisch” zegt, suggereert dat alternatieven naïef zijn. Of erger: ideologisch.

Yesilgöz heeft haar voorkeur voor samenwerking met JA21 nooit verhuld. Zij acht de partij gematigder dan GroenLinks-PvdA. Dat zegt minder over JA21 dan over hoe de VVD inmiddels naar links kijkt. Inhoudelijk liggen VVD en JA21 dicht bij elkaar. Soms angstvallig dicht. Op asiel, op migratie, op demonstratierecht, op de vrijheid van godsdienst voor moslims. In hun streven naar een nóg strenger asielbeleid, het normaliseren van religieuze uitzonderingspolitiek en het inperken van fundamentele vrijheden, bewegen beide partijen zich op glad ijs. Niet aan de rand van de rechtsstaat, maar eroverheen.

Relevant worden in een groter spel

Voor JA21, de partij van ex-FvD’ers Joost Eerdmans en Annabel Nanninga, betekent deze ontwikkeling vooral één ding: groeiende relevantie. En die reikt verder dan Den Haag. In recente strategische documenten uit Washington wordt de Amerikaanse cultuuroorlog expliciet naar Europa geëxporteerd. Daarin wordt een apocalyptisch beeld geschetst van het continent. Europa zou ten onder gaan aan “ongecontroleerde migratie” en “lage geboortecijfers”. Wie daarmee bedoeld worden, wordt nauwelijks verhuld.

Het gevolg, zo luidt de diagnose, is “civilizational erasure”. Nationale identiteiten zouden verdwijnen, Europa zou “onherkenbaar” worden. De Verenigde Staten spreken openlijk steun uit voor “patriottische” Europese partijen en benadrukken dat Europa “Europees” moet blijven.

Dit gedachtegoed staat inmiddels bekend als the great replacement theory. Het klinkt modern, mediageniek, alsof het een nieuwe analyse is van demografische trends. Dat is het niet. De kern ervan is oud. Oud en vuil. Al in het interbellum van de jaren dertig circuleren in Europa ideeën over bevolkingsverval, rassenhygiëne en het vermeende uitsterven van ‘het eigen volk’. Fascistische en nationaalsocialistische denkers koppelden demografie aan macht: wie zich voortplant, heerst; wie mengt, verdwijnt. Migratie werd voorgesteld als aanval, diversiteit als ontbinding.

Na de Tweede Wereldoorlog verdwenen deze ideeën niet. Ze trokken zich terug, wisselden van taal, zochten nieuwe vormen. In Frankrijk werden ze in de jaren zeventig en tachtig opnieuw verpakt door de Nouvelle Droite, die biologische termen inruilde voor cultuur. Later gaf schrijver Renaud Camus er een naam aan: le grand remplacement. Geen openlijk racisme, maar ‘zorg om beschaving’. Geen geweld, maar ‘realistische zorgen’. De inhoud bleef dezelfde: angst voor verlies van macht, verhuld als analyse.

Het nieuwe zit niet in het idee, maar in de positie die het krijgt. Wat decennialang aan de uiterste rand van het politieke spectrum circuleerde, schuift op richting het centrum van de macht. Wanneer staten spreken over “onherkenbaar Europa”, wanneer gevestigde partijen termen als “remigratie” normaliseren en wanneer veiligheidsstrategieën demografie framen als existentiële dreiging, verandert een complottheorie in beleidstaal. Dan wordt ondergangsdenken bestuurlijke logica.

Voor JA21 klinkt dat als bevestiging. Niet omdat het nieuw is, maar omdat het nu wordt uitgesproken door regeringen, bondgenoten en instituties.

Afstand tot Washington

Tegelijkertijd staan Europese radicaal-rechtse partijen niet te springen om openlijke Amerikaanse steun. Dat kan electoraal riskant zijn. Anti-Amerikaanse sentimenten zijn breed aanwezig, ook aan de rechterzijde. Openlijke steunbetuigingen van invloedrijke Amerikaanse figuren hebben in verschillende landen eerder averechts gewerkt. Bovendien bestaat er een fundamentele spanning tussen het christelijk-conservatieve wereldbeeld van veel Amerikaanse bondgenoten en de geseculariseerde realiteit van Europa.

De retoriek over een gedeelde “joods-christelijke cultuur” maskeert diepe verschillen. In Nederland valt weinig politieke winst te behalen met aanvallen op abortusrechten of lhbti-emancipatie. Dat bleek telkens wanneer politici probeerden Amerikaanse cultuurstrijd te importeren: voorstellen om abortus opnieuw ter discussie te stellen verdwenen snel uit beeld, en harde retoriek tegen lhbti‑rechten leverde eerder maatschappelijke weerstand op dan nieuwe kiezers.

Ook pogingen om ruimte te creëren voor discriminatie in het onderwijs liepen stuk. Wanneer het ‘recht’ van scholen werd verdedigd om homoseksuele leerlingen te weigeren of te marginaliseren, volgde geen electorale beloning maar publieke verontwaardiging, kritische media-aandacht en dalende peilingen. Fatsoen bleek daarbij geen moreel kompas, maar wisselgeld. In de praktijk is het begrip fragiel, inzetbaar wanneer het uitkomt, en geruisloos losgelaten zodra macht lonkt.

De VVD als motor

Yesilgöz heeft minder last van die spanning. Zij voert al langere tijd een cultuuroorlog naar Amerikaanse snit. In toespraken en beleidskeuzes wordt ‘woke’ neergezet als existentiële bedreiging voor de rechtsstaat. Ook de bereidheid van de VVD om antifascistische bewegingen te criminaliseren past in dat frame.

Daar wringt iets. Want het zelfvertrouwen waarmee Yesilgöz nu de toon zet, staat in schril contrast met haar bestuurlijke staat van dienst. In eerdere kabinetten en formatiefases speelde de VVD onder haar aanvoering een actieve rol in het laten ontsporen van onderhandelingen, het opblazen van compromissen en het vergroten van politieke instabiliteit — telkens verpakt als daadkracht of principes. Dat maakt haar huidige pose van redelijkheid en verantwoordelijkheid moeilijk serieus te nemen. Veel woorden, weinig geheugen.

Het semantische spel dat Yesilgöz speelt – een kabinet met JA21 zou “centrum-rechts” zijn – is effectief. Het verschuift het referentiekader. Wat gisteren extreem heette, wordt vandaag redelijk genoemd. Zo raak je langzaam gewend aan de verschuiving.

Fatsoen als wisselgeld

Het gemak waarmee Bontenbal de deur op een kier zet voor JA21 roept herinneringen op aan eerdere pogingen om radicaal-rechts te normaliseren via bestuurlijke verantwoordelijkheid. Ook toen werd gesproken over beteugelen, over meeregeren als morele plicht. De uitkomst is bekend: radicaal-rechts laat zich niet temmen. Het gebruikt deelname om zichzelf te legitimeren.

Hoe Bontenbal dat rijmt met zijn beroep op fatsoen blijft onhelder. Mogelijk rekent hij erop dat D66 uiteindelijk de prijs betaalt. Dat Jetten, eenmaal binnen, wordt vermalen door het compromis. De vraag is of hij zich opnieuw laat lenen voor een experiment waarvan de gevolgen inmiddels zichtbaar zijn.

Wat niet op tafel ligt

De rechtsstaat zal in deze formatie geen vanzelfsprekend uitgangspunt zijn. Niet in een tijd waarin oorlogsdreiging en economische concurrentie het debat domineren. Defensie-uitgaven, innovatie en internationale positie krijgen prioriteit. De vraag hoe dat alles wordt betaald, en door wie, vormt de kern van de onderhandelingen.

Maar de rechtsstaat vraagt óók onderhoud. Zeker na jaren van uitholling en normalisering van uitzonderingen. Dat onderhoud begint bij grenzen stellen. Bij weten wat je niet wilt legitimeren. En bij het besef dat sommige samenwerkingen geen neutrale keuze zijn.

Zonder JA21. Niet uit beleefdheid. Niet uit tactiek. Maar omdat de rechtsstaat geen decorstuk is dat je even opzij zet voor bestuurlijk gemak. Wie samenwerking met JA21 normaliseert, normaliseert een politiek project dat ongelijkheid, uitsluiting en autoritair denken tot beleid wil maken. Dat is geen verschil van smaak, maar van grens. En die grens moet hier worden getrokken.

Vond je dit een interessant artikel?

Help ons Groeien

Aanbevolen voor jou