Je merkt het niet altijd meteen. Het zit in de wekker die te vroeg gaat, in de boodschappen die alweer duurder zijn, in de huur die elke maand als eerste je rekening leegtrekt. Het zit in dat ongemakkelijke moment bij de kassa, wanneer je toch weer iets teruglegt. In de collega die fulltime werkt en nog steeds rekent of het einde van de maand gehaald wordt. In de bezorger die door de regen fietst, de zorgverlener die na een dubbele dienst naar huis strompelt, de vakkenvuller die tijdens een pandemie ineens “essentieel” heette, maar daarna gewoon weer te weinig betaald kreeg.
Daar begint die onzichtbare keten. Niet als theorie uit een dik boek, maar als dagelijkse ervaring. Kapitaal en arbeid vormen ons leven niet ergens ver weg, in vergaderzalen of beursberichten. Ze zitten aan onze keukentafel. Ze bepalen hoeveel rust we hebben, hoeveel ruimte, hoeveel toekomst we durven te verwachten.
Het kapitalisme verkoopt zichzelf graag als vrijheid. Iedereen kan het maken, zegt het verhaal, als je maar hard genoeg werkt, slim genoeg kiest en niet te veel klaagt. Maar miljoenen mensen weten allang dat dit niet klopt. Zij werken hard en blijven toch achter. Zij dragen de samenleving, maar krijgen onzekerheid terug. Zij houden de zorg, de winkels, de schoonmaak, het vervoer en de bezorging draaiende, terwijl aandeelhouders, bestuurders en grote bedrijven de winst binnenhalen. Dat is geen ongeluk. Dat is hoe het systeem werkt.
Want een economie die winst boven welzijn zet, heeft altijd mensen nodig die te weinig krijgen. Mensen die flexibel moeten zijn, beschikbaar, vervangbaar. Mensen die tegen elkaar worden uitgespeeld: werkenden tegen werklozen, huurders tegen woningzoekenden, migranten tegen mensen die hier geboren zijn, jongeren tegen ouderen. Zo blijft de aandacht weg van waar de macht zit: bij bedrijven die lonen drukken, bij politici die marktwerking blijven verdedigen, bij miljardairs die rijker worden van crises die anderen moeten overleven.
De coronapandemie liet even zien wie het land werkelijk overeind houdt. Niet de aandeelhouders, niet de consultants, niet de mensen die thuis over “de economie” spraken, maar de zorgverleners, schoonmakers, vakkenvullers, buschauffeurs en bezorgers. Zij kregen applaus, soms bloemen, vaak mooie woorden. Maar daarna kwamen de hoge huren, de duurdere boodschappen, de werkdruk en de personeelstekorten gewoon terug. Precies daar zit de harde waarheid: het systeem noemt mensen essentieel zolang ze nodig zijn, maar weigert hun bestaan ook essentieel te behandelen.
Tegelijk zagen de rijksten hun vermogen groeien. Grote bedrijven draaiden door. Er werd verdiend aan schaarste, angst en nood. En in Nederland zagen we hoe iemand als Sywert van Lienden persoonlijk wist te profiteren van een crisis waarin anderen zich letterlijk uit de naad werkten. Dat was geen losstaand schandaal, maar een inkijkje in een bredere waarheid: waar nood is, ziet kapitaal vaak een markt.
Precies daarom wordt die keten gevaarlijk als we haar normaal gaan vinden. Als we gaan geloven dat uitputting erbij hoort. Dat armoede een persoonlijk falen is. Dat bestaansonzekerheid nu eenmaal de prijs is van “de economie”. Dat zorg, wonen, energie en medicijnen producten zijn zoals alle andere producten. Maar een samenleving die mensen alleen waarde geeft zolang ze winst opleveren, breekt iets fundamenteels af: waardigheid.
Daar moeten we eerlijk over zijn. Dit systeem is niet gebouwd op solidariteit, maar op uitbuiting. Niet op genoeg voor iedereen, maar op steeds meer voor een kleine groep. Niet op samenwerking, maar op concurrentie. Het maakt van collega’s rivalen, van buren concurrenten, van mensen dossiers, kostenposten of arbeidskrachten. En ondertussen wordt ons verteld dat er geen alternatief is. Maar dat is precies wat elke macht zegt wanneer zij bang wordt voor verandering.
Een andere samenleving begint niet met mooie woorden alleen. Zij begint waar mensen elkaar weer herkennen. Op de werkvloer, in de wijk, in de huurdersvereniging, bij de vakbond, in de klas, in de zorg, op straat. Waar mensen weigeren zich tegen elkaar te laten gebruiken. Waar werkenden zeggen: zonder ons draait niets. Waar ouders, studenten, migranten, zorgverleners, schoonmakers, leraren en bezorgers begrijpen dat hun strijd niet los van elkaar staat.
Geen enkel systeem verandert zichzelf. Verandering komt wanneer mensen zich organiseren, hun stem verheffen en de keten zichtbaar maken die ons klein probeert te houden. Niet uit wanhoop, maar uit verbondenheid. Niet omdat het makkelijk is, maar omdat menselijke waardigheid geen gunst is die van bovenaf wordt uitgedeeld.
Het kapitalistische tijdperk vertoont barsten. Je ziet ze in de woningcrisis, in de zorg, in de vermoeidheid van werkenden, in de groeiende kloof tussen rijk en arm, in de woede van mensen die voelen dat ze alles geven en toch niets zeker hebben. De vraag is niet alleen wat er breekt. De vraag is wie er daarna gaat bouwen.
Laten wij dat niet overlaten aan dezelfde bestuurders, bedrijven en partijen die ons hier hebben gebracht. Laten wij bouwen aan een samenleving waarin zorg geen luxe is, wonen geen verdienmodel, arbeid geen uitputtingsslag en vrijheid geen privilege voor wie het kan betalen. Een samenleving waarin solidariteit niet op papier staat, maar wordt georganiseerd.
Want niemand wordt vrij in zijn eentje. En niemand hoort achter te blijven.

Een Kritische Blik op het Basisinkomen
Het basisinkomen wordt steeds vaker besproken als oplossing voor inkomensongelijkheid en economische onzekerheid. Dit artikel onderzoekt de potentie van het basisinkomen om de samenleving te veranderen, maar waarschuwt ook voor mogelijke valkuilen zoals politieke manipulatie en bezuinigingen die de arbeidersklasse kunnen schaden.
De Afbrokkeling van de Overheid en de Gevaren van Vermarkting
Geert Mak beschrijft in “Gedoemd tot kwetsbaarheid” hoe neoliberaal beleid de overheid heeft verzwakt. Privatisering, bezuinigingen en marktwerking hebben publieke diensten uitgehold en het vertrouwen van burgers geschaad.

