Instortende symbolen van Amerikaanse macht boven een menigte mensen die samen vooruitgaat
Terwijl symbolen van macht afbrokkelen, blijft onderaan een collectieve kracht zichtbaar die weigert zich neer te leggen bij verval en oorlog.

De prijs van imperiale hoogmoed

Soms komt een grootmacht op een punt waarop zij zichzelf niet meer begrijpt. De taal van superioriteit, lotsbestemming en wereldorde blijft intact, maar achter dat decor stapelen de scheuren zich op. De instellingen functioneren nog, de vlag wappert nog, de generaals geven nog persconferenties en de financiële markten draaien nog door, maar onder het oppervlak kantelt iets fundamenteels. Voor de Amerikaanse econoom Richard Wolff is dat precies het moment waarin de Verenigde Staten zich nu bevinden.

Oorlog, schulden en het Amerikaanse verval

Wolff is emeritus hoogleraar economie aan de University of Massachusetts Amherst en medeoprichter van Democracy at Work. Hij staat bekend als een uitgesproken marxistische denker die al decennialang schrijft en spreekt over kapitalisme, klasse, crisissen en economische democratie. Juist daardoor plaatst hij de huidige Amerikaanse crisis niet in een smalle electorale of partijpolitieke context, maar in een veel groter verhaal over macht, uitbuiting en imperiaal verval.

Volgens Wolff gaat het niet om een tijdelijke terugslag, maar om de terminale fase van imperiale overrekking. Dat is het moment waarop een rijk zichzelf uitput in oorlogen, militaire verplichtingen, schulden en zelfbedrog. Hij plaatst de Verenigde Staten in een lange rij van rijken die ooit onaantastbaar leken en toch dezelfde boog volgden: opkomst, expansie, overmoed en verval. Van Perzië tot Rome en van het Britse Rijk tot de Verenigde Staten heeft geen enkele imperiale macht zich blijvend aan die historische dynamiek kunnen onttrekken. De gedachte dat Amerika daarop de uitzondering zou zijn, is in zijn ogen nooit meer geweest dan een nationale mythe.

Steun vrheid.nl op Substack

De naoorlogse uitzondering als ideologie

De Verenigde Staten kwamen uit de Tweede Wereldoorlog als ongeëvenaarde economische macht. Europa lag in puin, Japan was verslagen en grote delen van de wereld moesten opnieuw worden opgebouwd. De Amerikaanse industrie draaide op volle kracht, de dollar werd de spil van het mondiale systeem en Washington verwierf een positie die geen enkel kapitalistisch land eerder had gehad.

Juist daar ontstond volgens Wolff ook de fundamentele misvatting. Wat in werkelijkheid een uitzonderlijk historisch moment was, werd in de Amerikaanse politieke cultuur omgevormd tot bewijs van een eeuwig recht op hegemonie. De dominante positie van de Verenigde Staten werd niet gezien als resultaat van oorlog, verwoesting elders en een unieke samenloop van omstandigheden, maar als iets natuurlijks, verdiends en bijna goddelijk bevestigd. Dat denkbeeld werkt nog altijd door in toespraken, onderwijs, verkiezingsretoriek en buitenlands beleid.

Dat is niet alleen ideologie. Het is ook een manier om niet onder ogen te hoeven zien dat de wereld veranderd is. Een rijk begint vaak niet te vallen wanneer het zwak wordt, maar wanneer het niet meer in staat is zijn eigen relatieve verzwakking te erkennen. Het grijpt dan terug op oude reflexen: meer wapens, meer sancties, meer dreigementen, meer vijanden en meer propaganda over nationale grootsheid. Niet omdat het sterk is, maar omdat het de grenzen van zijn macht niet wil aanvaarden.

Oorlogseconomie en sociale uitholling

Wolffs analyse wordt scherper wanneer je kijkt naar de huidige Amerikaanse verhoudingen. De staatsschuld is gigantisch, terwijl in Washington opnieuw wordt gesproken over militaire budgetten van ongekende omvang. Dat is geen detail, maar een symptoom van een politiek systeem dat structureel weigert zijn prioriteiten te herzien.

Wie die ontwikkeling serieus neemt, ziet de kern van Wolffs punt. Amerika is niet arm. Amerika is politiek georganiseerd rond verkeerde prioriteiten. Er is geld genoeg om oorlog te voeren, bases te onderhouden, bondgenoten te disciplineren, voorraden aan te vullen en de militaire industrie draaiende te houden. Maar zodra het gaat over huisvesting, gezondheidszorg, onderwijs, openbaar vervoer, lokale infrastructuur of de bestaanszekerheid van gewone mensen, klinkt plotseling dat er geen geld is.

Dat is geen neutraal begrotingsvraagstuk. Het is een politieke keuze. De Verenigde Staten behandelen militaire uitgaven als vanzelfsprekend en sociale investeringen als verdacht. Vernietiging krijgt voorrang boven verzorging. Daardoor is een samenleving ontstaan die naar buiten toe imperial optreedt en naar binnen toe steeds verder wordt uitgehold.

Nederlagen zonder zelfkritiek

Voor Wolff hoort ook het militaire spoor van de afgelopen decennia in dat verhaal thuis. Sinds de Tweede Wereldoorlog hebben de Verenigde Staten niet alleen hun macht uitgebreid, maar ook herhaaldelijk laten zien dat militaire superioriteit geen politieke controle garandeert. Vietnam eindigde in vernedering. Irak werd een ramp met regionale gevolgen die nog altijd voelbaar zijn. Afghanistan eindigde na twintig jaar in een chaotische aftocht die de grenzen van de Amerikaanse macht onmiskenbaar blootlegde.

Wat deze oorlogen verbindt, is niet alleen hun menselijke tol, maar ook de hardnekkige onwil van Washington om de juiste conclusie te trekken. Niet de interventielogica zelf werd ter discussie gesteld, maar steeds opnieuw de uitvoering. Alsof het probleem lag bij de timing, de communicatie of het gebrek aan extra middelen. Zo blijft het systeem zichzelf vrijpleiten, terwijl de onderliggende imperiale reflex ongemoeid blijft.

Dat is hoe een rijk denkt wanneer het niet meer kan leren. Het verwart herhaling met strategie. De echte les van Vietnam, Irak en Afghanistan is in Wolffs lezing niet dat Amerika af en toe fouten maakt, maar dat oorlog een structureel onderdeel van het systeem is geworden. Het militair-industrieel complex staat niet aan de rand van de macht, maar in het hart ervan. Het produceert winsten, banen, lobbykracht, verkiezingsgeld en geopolitieke discipline. Oorlog is daarmee geen ontsporing van het Amerikaanse model, maar een van de manieren waarop dat model zichzelf in stand houdt.

China en het einde van de Amerikaanse vanzelfsprekendheid

Wolff verbindt die uitputting aan een tweede ontwikkeling: de verschuiving van economisch zwaartepunt richting China. In zijn analyse is dat misschien wel de diepste krenking voor de Amerikaanse elite. Niet alleen omdat er een rivaal is opgestaan, maar omdat die rivaal op economisch terrein structureel beter is gaan presteren.

Hij wijst erop dat China gedurende tientallen jaren sneller groeide dan de Verenigde Staten en dat zo’n ontwikkeling onvermijdelijk gevolgen heeft voor de mondiale machtsverhoudingen. Economische hegemonie is geen moreel bezit. Zij kan verschuiven. Zodra dat gebeurt, komt de politieke nervositeit van het imperium aan de oppervlakte.

Dan wordt handel een veiligheidskwestie. Technologie verandert in een frontlijn. Diplomatie maakt plaats voor containment. Internationale samenwerking wordt een loyaliteitstest. Elke poging van andere landen om niet automatisch de Amerikaanse lijn te volgen, wordt vervolgens ervaren als verraad. De Verenigde Staten reageren op die verschuiving niet met zelfonderzoek, maar met escalatie. Tarieven, sancties, chipoorlogen, militarisering van zeeroutes en druk op bondgenoten zijn allemaal tekenen van een macht die voelt dat haar vanzelfsprekende positie afbrokkelt.

Iran als mogelijke laatste overrekking

In die context ziet Wolff de oorlog tegen Iran als meer dan een regionaal conflict. Voor hem is dit een mogelijk kantelpunt. Niet alleen omdat Iran militair, geografisch en historisch een zwaardere tegenstander is dan de karikaturen in westerse media suggereren, maar ook omdat deze oorlog de kwetsbaarheid van het rijk zichtbaar maakt op een moment dat het nog altijd de taal van almacht spreekt.

Iran is daarbij niet alleen een doelwit, maar ook een spiegel. Het Westen presenteert zichzelf graag als beschavingsmacht, terwijl het in de praktijk opnieuw teruggrijpt op sancties, dreiging en geweld. Wolff benadrukt daarbij graag de historische ironie dat een oude beschaving, ouder dan veel van de tradities waarop het Westen zich beroept, wordt behandeld als een obstakel dat militair gecorrigeerd moet worden. Dat is typerend voor imperiale retoriek: de ander wordt voorgesteld als barbarij, terwijl de barbarij uit het centrum zelf komt.

Bovendien maakt juist zo’n confrontatie duidelijk hoe broos hegemonie wordt zodra bondgenoten gaan aarzelen. Een wereldmacht is niet alleen machtig omdat zij veel wapens bezit, maar ook omdat anderen haar lijn volgen. Wanneer die automatische volgzaamheid begint te haperen, verschuift er iets fundamenteels. Dan blijkt dat internationale orde vaak vooral een andere naam was voor Amerikaanse dominantie zolang die nog geloofwaardig en voordelig leek.

Trump als symptoom van verval

In Wolffs analyse is Trump niet de oorzaak van de neergang, maar de politieke vorm die die neergang aanneemt. Wanneer een rijk in verval raakt, groeit de ruimte voor leiders die ontkenning verkopen als kracht. Zij beloven een terugkeer naar verloren glorie, presenteren vernedering als sabotage van binnenuit en vervangen analyse door bravoure. Complexiteit wordt verraad, geweld wordt nationale therapie.

Trump past precies in dat patroon. Zijn nationalisme biedt geen werkelijke oplossing voor de structurele problemen van de Verenigde Staten. Het herverdeelt geen rijkdom naar beneden, breekt de macht van het militair-industrieel complex niet open en democratiseert de economie niet. Het versterkt juist oligarchische macht, vergroot autoritaire verleiding en kanaliseert sociale woede weg van economische elites en richting migranten, buitenlandse vijanden, dissidenten en culturele zondebokken.

Daarin schuilt ook zijn gevaar. Trump verpakt verval als wedergeboorte. Hij verkoopt nostalgie als toekomst en disciplineert een onzekere samenleving met mythen over nationale wederopstanding. Dat werkt juist omdat grote groepen mensen voelen dat het systeem niet meer voor hen functioneert, maar geen structureel alternatief krijgen aangeboden.

Het rijk verbrandt ook van binnenuit

De kracht van Wolffs analyse is dat hij imperium nooit alleen als buitenlands beleid behandelt. Een rijk valt niet pas wanneer het een oorlog verliest. Het valt ook wanneer de samenleving in het centrum zelf begint te desintegreren.

Dat proces is in de Verenigde Staten al jaren zichtbaar. Infrastructuur veroudert, medische schulden ruïneren huishoudens, huisvesting wordt onbetaalbaar en politieke instituties verliezen hun legitimiteit. Grote steden worden rijker en ongelijker tegelijk. De levens van gewone mensen worden onzekerder, terwijl het establishment blijft doen alsof de centrale vraag is hoeveel vliegdekschepen nodig zijn om dominantie te behouden.

Daar zit de diepste tragiek. Een samenleving die haar publieke middelen gebruikt om de wereld te disciplineren, verliest het vermogen zichzelf te verzorgen. De binnenlandse crisis en de buitenlandse agressie zijn geen gescheiden verhalen. Zij horen bij elkaar. Geld dat naar oorlog gaat, gaat niet naar mensen. Politieke aandacht die naar geopolitieke spierballentaal gaat, gaat niet naar collectieve wederopbouw. De ideologie van superioriteit naar buiten voedt de minachting voor kwetsbaarheid naar binnen.

Van militair imperialisme naar sociale wederopbouw

Daarom eindigt Wolff niet alleen met een diagnose, maar ook met een andere richting. Zijn kernpunt is eenvoudig en radicaal tegelijk: haal geld weg bij oorlog en breng het terug naar de samenleving. Niet als liefdadigheid, maar als rationele keuze. Niet als morele versiering, maar als economische noodzaak.

Dat betekent een fundamentele herschikking van prioriteiten. Minder militaire uitgaven. Minder permanente oorlogseconomie. Minder subsidies aan private wapenbedrijven. Meer publieke investeringen in zorg, onderwijs, energie, infrastructuur en bestaanszekerheid. Meer democratische controle over wat er geproduceerd wordt, waarom en voor wie.

Voor Wolff is dat geen utopische wens, maar de enige serieuze uitweg uit het moeras van verval. Een samenleving kan niet eindeloos leven van militaire grootspraak terwijl haar sociale basis afbrokkelt. Vroeg of laat dringt de vraag zich op waarvoor een economie eigenlijk bestaat: om aandeelhouders van defensieconcerns rijker te maken, of om mensen in staat te stellen waardig te leven.

De les die Washington niet wil leren

Misschien is dat uiteindelijk de kern van Wolffs waarschuwing. Rijken vallen niet alleen omdat ze te groot worden, maar omdat hun elites de werkelijkheid te lang verwarren met hun eigen propaganda. Ze noemen hun dominantie vrede, hun plundering stabiliteit en hun oorlogen beschaving. Wanneer de feiten niet meer passen bij de mythe, kiezen ze niet voor bescheidenheid, maar voor escalatie.

Volgens Wolff staan de Verenigde Staten nu op precies zo’n punt. Schulden lopen op, militaire uitgaven blijven stijgen, bondgenoten worden aarzelender, concurrenten worden sterker en de legitimiteit van het systeem brokkelt af. Toch blijft de politieke klasse spreken alsof de twintigste eeuw nooit is geëindigd.

Dat maakt deze fase zo gevaarlijk. Een dalend rijk is niet automatisch een vreedzaam rijk. Juist in verval kan het destructiever, roekelozer en gewelddadiger worden. Het verlies van hegemonie wordt dan niet verwerkt als een historisch gegeven, maar beleefd als een vernedering die koste wat kost ongedaan moet worden gemaakt.

Toch hoeft de neergang van een rijk niet het einde van politieke verbeelding te zijn. Zij kan ook een opening vormen. Een kans om opnieuw te bepalen wat opgebouwd moet worden wanneer de oude imperiale orde haar glans verliest. Niet meer wereldheerschappij, maar publieke zorg. Niet meer dominantie, maar democratisering. Niet meer oorlog als economische motor, maar samenleving als prioriteit.

Dat is de keuze waar Wolff op wijst. Niet tussen Amerikaans leiderschap of chaos, zoals de elite het graag voorstelt, maar tussen verder wegzinken in militaristisch verval of eindelijk erkennen dat geen enkel rijk eeuwig is. Zodra dat besef doordringt, wordt ook zichtbaar wat werkelijk op het spel staat: niet de prestige van een imperium, maar de waardigheid van mensen.

Vond je dit een interessant artikel?

Help ons Groeien

Aanbevolen voor jou