Benjamin Netanyahu en Donald Trump schudden elkaar de hand tijdens een ontmoeting in het Witte Huis.
Benjamin Netanyahu en Donald Trump tijdens een ontmoeting in Washington.

Iran, verkiezingen en de politiek van oorlog

Rond Iran zien we opnieuw een bekend patroon: oorlog wordt verkocht als bevrijding, maar begint meestal wanneer macht wankelt en verkiezingen naderen. Op zulke momenten wordt geopolitiek binnenlandse politiek met andere middelen. Wie naar de escalatie rond Iran kijkt, ziet dat mechanisme opnieuw aan het werk.

Wie denkt dat de escalatie van Israël en de Verenigde Staten tegen Iran bedoeld is om de Iraanse bevolking te bevrijden van het juk van de ayatollahs, kijkt naar een verhaal dat vooral voor buitenstaanders is geschreven. De timing van deze escalatie zegt meer over de politieke situatie in Washington en Tel Aviv dan over de vrijheid van de Iraanse bevolking, zeker nu in de Verenigde Staten nieuwe documenten en getuigenissen rond de zogenoemde Trump-Epstein-files naar buiten komen. In die dossiers duikt de naam van Donald Trump herhaaldelijk op in verband met het netwerk rond Jeffrey Epstein, een zaak die in verkiezingstijd opnieuw politieke schade kan veroorzaken en die het politieke klimaat in Washington verder onder druk zet.

In zowel Israël als de Verenigde Staten staan verkiezingen voor de deur. In zulke periodes kan een buitenlandse crisis politieke schade beperken. Een oorlog creëert een gevoel van nationale noodzaak en versterkt het beeld van leiderschap. Kiezers blijken in zulke omstandigheden vaak eerder geneigd zich achter een sterke leider te scharen dan zich te verdiepen in politieke schandalen of bestuurlijk falen.

Steun vrheid.nl op Substack

Ook voor Benjamin Netanyahu komt dat niet ongelegen. Israël moet uiterlijk in oktober 2026 opnieuw parlementsverkiezingen houden voor de Knesset, de eerste nationale verkiezingen sinds de aanval van Hamas op 7 oktober 2023. Zijn regering ligt onder vuur vanwege corruptiezaken en het falen van de Israëlische veiligheidsdiensten voorafgaand aan de aanval van Hamas op 7 oktober 2023. Een oorlog verschuift de aandacht van dat falen naar nationale veiligheid en militaire kracht.

Voor Donald Trump geldt iets vergelijkbaars. In de Verenigde Staten naderen de midterm‑verkiezingen van november 2026, waarin alle 435 zetels van het Huis van Afgevaardigden en een derde van de Senaat opnieuw worden gekozen. In zo’n verkiezingsjaar kan internationale escalatie gemakkelijk politiek voordeel opleveren en het publieke gesprek een andere kant op sturen.

Dat maakt de recente houding van Europese leiders des te zorgwekkender. Frankrijk, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk kwamen met een gezamenlijke verklaring waarin Iran wordt beschuldigd van willekeurige raketaanvallen in de regio en waarin wordt aangekondigd dat zij hun belangen en die van hun bondgenoten zullen verdedigen, zo nodig met militaire acties tegen Iraanse lanceerinstallaties.

Wat in die verklaring ontbreekt, is een simpele vraag: hoe begon deze escalatie en op welke juridische basis vinden deze aanvallen plaats? De aanval van Israël en de Verenigde Staten op Iraanse doelen vond plaats zonder mandaat van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties en zonder aantoonbare directe dreiging die een preventieve oorlog zou rechtvaardigen. Daarmee wordt een centrale regel van het VN-Handvest omzeild: militair geweld is alleen toegestaan bij zelfverdediging of met toestemming van de Veiligheidsraad.

Ook het Amerikaanse Congres gaf geen voorafgaande toestemming voor militair optreden, terwijl volgens de Amerikaanse grondwet en de War Powers Resolution juist het Congres het recht heeft oorlog te verklaren of langdurige militaire inzet te autoriseren. De operatie roept daarmee niet alleen vragen op over het internationaal recht, maar ook over de democratische controle op oorlog in de Verenigde Staten.

Door zich toch achter deze logica te scharen, riskeren Europese regeringen zichzelf en mogelijk heel Europa in een oorlog mee te trekken die ze nooit formeel hebben besloten te beginnen.

Ook binnen de zogenoemde “special relationship” tussen de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk ontstonden eerder grote conflicten, zoals tijdens de Suezcrisis van 1956 of toen Londen weigerde troepen te sturen naar de Amerikaanse oorlog in Vietnam.

De geschiedenis van de Irakoorlog van 2003 laat zien hoe snel politieke steun voor een zogenoemde noodzakelijke interventie kan omslaan in jarenlange instabiliteit en geweld, waarvan de gevolgen nog altijd zichtbaar zijn in het Midden-Oosten.

Het nucleaire akkoord van 2015 (JCPOA), dat door internationale inspecteurs jarenlang werd bevestigd, liet zien dat diplomatie met Iran mogelijk was, totdat de Verenigde Staten zich in 2018 uit het akkoord terugtrokken. Tegelijkertijd beschikt Israël zelf vermoedelijk over een kernwapenarsenaal en staat het geen internationale inspecties toe — een asymmetrie die zelden centraal staat in het publieke debat.

Ook de manier waarop oorlog wordt gepresenteerd speelt een grote rol. In veel conflicten verschuift de taal: agressie wordt verdediging, escalatie preventie en burgerslachtoffers verdwijnen achter termen als ‘collateral damage’. Dat zagen we in Vietnam, bij oorlogen die werden gelegitimeerd met twijfelachtige dreigingsverhalen, zoals in Irak in 2003, en in recente conflicten zoals Oekraïne en Gaza. In verschillende westerse landen spelen delen van de media een actieve rol in dat frame. In de Britse pers bijvoorbeeld wordt kritiek op militaire escalatie soms afgedaan als zwakte of appeasement, terwijl steun voor oorlog wordt gepresenteerd als vanzelfsprekend leiderschap. In oorlog lijkt waarheid vaak het eerste slachtoffer.

Dat betekent niet dat het Iraanse regime verdedigd moet worden. De theocratische staat onder de ayatollahs onderdrukt politieke oppositie, beperkt fundamentele vrijheden en gebruikt geweld tegen zijn eigen bevolking. Maar oorlog is zelden een instrument dat volkeren werkelijk bevrijdt. Als er al politieke verandering uit voortkomt, is die meestal een onbedoeld neveneffect en vaak tegen een enorme menselijke prijs.

Die geopolitieke spanningen blijven zelden beperkt tot één land. Conflicten rond Iran werken door in de hele regio, en vooral in het Israëlisch-Palestijnse conflict waar de gevolgen van escalatie vaak het snelst voelbaar zijn.

Voor Palestijnen dreigt deze oorlog vooral nieuwe rampen te brengen. Op de Westelijke Jordaanoever, in de Gazastrook, in de diaspora en ook binnen Israël zelf zullen de gevolgen voelbaar zijn.

Een versterking van de extreemrechtse coalitie rond Netanyahu, Bezalel Smotrich en Itamar Ben‑Gvir zou de positie van Palestijnen verder verzwakken en de feitelijke annexatie van de Westelijke Jordaanoever dichterbij brengen. De politieke macht van fundamentalistische kolonisten groeit al jaren, en elke nieuwe regionale crisis vergroot hun invloed op het Israëlische beleid.

Ondertussen bevinden meer dan twee miljoen Palestijnen zich in een steeds kleiner gebied in Gaza, waar een groot deel van de bevolking inmiddels naar de kust is verdreven. Hun toekomst blijft uiterst onzeker. In sommige plannen die de afgelopen jaren in Washington zijn gepresenteerd, onder andere door Jared Kushner, wordt Gaza vooral gezien als een potentieel vastgoedproject aan de Middellandse Zee. Voor de mensen die er wonen lijkt in zulke plannen nauwelijks plaats te zijn.

De logica van internationaal grootkapitaal heeft zelden ruimte voor mensen zonder economische waarde.

Staten van Angst - Over macht, controle en het langzaam verdwijnen van democratische ruimte.

Ook in Nederland speelt een ongemakkelijke politieke realiteit. Veel kiezers dachten dat de verkiezingswinst van D66 een koerswijziging in het Nederlandse beleid rond Israël en Palestina zou brengen. In het verkiezingsprogramma van de partij stonden scherpe formuleringen. Israël werd beschuldigd van genocide in Gaza en er werd gepleit voor sancties tegen de regering‑Netanyahu, een wapenembargo en de erkenning van een Palestijnse staat.

Die woorden gaven veel kiezers het gevoel dat zij solidariteit met Palestijnen konden combineren met een stem op een regeringspartij, een verwachting die al snel botste met de praktijk van regeren.

De praktijk van regeren blijkt echter weerbarstig. In het regeerakkoord verdwenen de scherpste formuleringen. Er kwam geen algemeen wapenembargo tegen Israël en ook de erkenning van de Palestijnse staat bleef uit. Het kabinet spreekt vooral over zorgen over het Israëlisch‑Palestijnse conflict en over de noodzaak van humanitaire hulp, terwijl het woord genocide uit het regeringsvocabulaire is verdwenen.

Op enkele extreemrechtse Israëlische ministers na blijven leden van de regering‑Netanyahu welkom. Zelfs eerdere Nederlandse twijfels over de mogelijke arrestatie van Netanyahu in het kader van internationale gerechtelijke procedures zijn niet opnieuw uitgesproken.

Volgens fractievoorzitter Jan Paternotte wil D66 wel verder gaan, maar wordt dat geblokkeerd door de VVD. Daarmee lijkt het politieke verhaal in Den Haag te eindigen.

Maar macht werkt zelden zo. Wanneer partijen verantwoordelijkheid naar coalitiepartners doorschuiven, wordt vooral zichtbaar dat de politieke wil ontbreekt om andere keuzes te maken.

Terwijl dat politieke spel zich afspeelt in parlementen en regeringsgebouwen, vallen de gevolgen ergens anders. Niet in Den Haag, niet in Washington en niet in Brussel, maar in Gaza, Ramallah en Teheran — bij mensen die geen invloed hebben op de beslissingen die hun leven bepalen.

Vond je dit een interessant artikel?

Help ons Groeien

Aanbevolen voor jou