Groep arbeiders met schoppen in droog Israëlisch landschap, opgesteld in lijn met de voorste man centraal, symbool voor collectieve arbeid.
Arbeiders in formatie in een droog landschap; collectieve arbeid als fundament van een nationaal project.

Van Socialistische Idealen naar Koloniale Realiteit

Op een warme middag in de Jordaan zie je hoe verhalen blijven hangen. Aan de muur van een oud vakbondskantoor hangt nog een vergeelde poster over solidariteit met Israël. Collectieve arbeid. Woestijn in bloei. Het klonk als socialisme met zonlicht. Maar als je verder kijkt — naar wie er woonde, wie er werkte, wie er verdween — dan wordt dat verhaal minder onschuldig.

Wat betekende de kibboets werkelijk? En hoe verhouden die vroege socialistische experimenten zich tot de huidige nederzettingenpolitiek op de Westelijke Jordaanoever?

Socialisme voor wie?

De kibboets ontstond begin twintigste eeuw binnen het arbeidzionisme. Bewegingen als Poale Zion1 en later de vakbond Histadrut2 bouwden aan collectieve landbouwgemeenschappen met gedeeld eigendom, gezamenlijke opvoeding en sterke interne gelijkheid. Dat was geen façade. Binnen die gemeenschappen werd bezit gedeeld en arbeid collectief georganiseerd.

Steun vrheid.nl op Substack

Maar tegelijk gold het principe van “Hebrew labour”: Joodse arbeid moest Joodse arbeid vervangen. Dat was geen detail, maar een politieke keuze. De Histadrut sloot Palestijnse arbeiders uit. Land werd aangekocht via instellingen als het Joods Nationaal Fonds, met clausules die verhuur of verkoop aan niet-Joden uitsloten. Socialisme functioneerde hier binnen een etnisch begrensd project.

Voor Palestijnse boeren betekende dit vaak verlies van toegang tot land dat zij generaties lang bewerkten. Soms via aankoop, soms via druk, soms via geweld. Die spanning explodeerde in 1948, tijdens wat Palestijnen de Nakba noemen: meer dan 700.000 mensen werden verdreven of vluchtten in de oorlog rond de stichting van de staat Israël. Honderden dorpen werden ontvolkt of verwoest.

Na 1948 volgde wetgeving zoals de Absentees’ Property Law (1950), waarmee land van gevluchte Palestijnen werd geconfisqueerd. Een deel van dat land kwam onder beheer van staatsinstellingen of zionistische fondsen. De socialistische infrastructuur van de jonge staat — gedomineerd door Mapai 3— bouwde dus mede voort op onteigend bezit.

De kernvraag is niet of de kibboets intern egalitair was. Dat was zij vaak. De vraag is: wie hoorde erbij, en wie werd structureel buitengesloten? Dat maakt het project niet eendimensionaal, maar wel fundamenteel koloniaal van aard: collectieve emancipatie voor de ene groep, ontwrichting voor de andere.

1967: bezetting als kantelpunt

Na de oorlog van 1967 bezette Israël de Westelijke Jordaanoever, Gaza en Oost-Jeruzalem. Vanaf dat moment ontstond een nieuw hoofdstuk: de systematische vestiging van Israëlische burgers in bezet gebied.

Organisaties als Gush Emunim4 gaven die beweging ideologische vaart. Waar het vroege arbeidzionisme seculier en socialistisch was, kreeg het kolonisatieproject nu een religieus-nationalistische lading. Het idee van “Groot-Israël” werd heilig verklaard.

Maar ook hier gaat het niet alleen om ideologie. Het gaat om beleid. Israëlische regeringen — links én rechts — faciliteerden nederzettingen met infrastructuur, belastingvoordelen, militaire bescherming en ruimtelijke planning. Palestijnen in de bezette gebieden leven onder militair recht; Israëlische kolonisten onder civiel recht. Twee rechtssystemen op hetzelfde grondgebied.

Mensenrechtenorganisaties, waaronder B’Tselem en Human Rights Watch, spreken inmiddels van een systeem van apartheid: structurele dominantie van de ene etnisch-nationale groep over de andere, verankerd in wetgeving, bewegingsbeperkingen en landbeleid. Dat is geen slogan, maar een juridische kwalificatie die zij onderbouwen met rapporten over landtoewijzing, vergunningenbeleid, waterverdeling en bewegingsvrijheid.

Op de Westelijke Jordaanoever groeien nederzettingen door, verbonden via wegen waar Palestijnen vaak geen gebruik van mogen maken. Land wordt geclassificeerd als “staatsland” en vervolgens toegewezen aan kolonisten. Palestijnse bouwvergunningen worden systematisch geweigerd, waarna huizen als “illegaal” worden gesloopt.

Wie profiteert? Israëlische burgers die toegang krijgen tot betaalbare woningen en staatssteun. Politieke partijen die electorale winst halen uit veiligheid en expansie. Wapen- en beveiligingsindustrieën die ervaring opdoen in permanente controle.

Wie betaalt? Palestijnse gemeenschappen die land, water, bewegingsvrijheid en politieke rechten verliezen. Maar ook Israëlische burgers die opgroeien in een samenleving waar militaire logica het civiele leven doordrenkt.

Van arbeidersutopie naar etnisch-nationalisme

Het is te simpel om te zeggen dat het zionistische project “nooit socialistisch was”. Het arbeidzionisme bouwde echte collectieve structuren. Maar het was een socialisme dat nationale soevereiniteit boven gedeelde gelijkheid stelde. Klassenanalyse werd ondergeschikt gemaakt aan etnische natievorming.

Daar ligt de historische continuïteit. Niet in een rechte lijn van kibboets naar gewelddadige settler, maar in een kernkeuze: land en zelfbeschikking veiligstellen voor één groep, ook als dat de ontworteling van een andere groep betekent.

Wat we vandaag zien in de nederzettingenbeweging is geen toevallige ontsporing, maar een radicalisering van die logica. Religieus-nationalistische partijen hebben het stokje overgenomen, maar zij bouwen voort op decennia van territoriale consolidatie, juridische engineering en militaire controle.

Verzet en breuklijnen

Tegelijk bestaat er verzet. Organisaties als Breaking the Silence documenteren getuigenissen van soldaten over de bezetting. Combatants for Peace brengt voormalige strijders van beide kanten samen in geweldloos verzet. Palestijnse grassroots-initiatieven organiseren juridische procedures, internationale campagnes en lokale zelforganisatie.

Zij laten zien dat de geschiedenis niet vastligt. Dat koloniale structuren door mensen zijn gebouwd — en dus ook door mensen kunnen worden ontmanteld.

Maar dat vraagt eerlijkheid over het verleden. Over 1948. Over 1967. Over wetgeving, landregistratie, checkpoints, militaire rechtbanken. Over wie mag stemmen en wie niet. Over wie water krijgt en wie rantsoenen.

Als we de kibboets alleen zien als romantisch socialistisch experiment, missen we de prijs die elders werd betaald. Als we de nederzettingen alleen zien als extremistische afwijking, missen we de staatsstructuren die ze mogelijk maken.

Het gaat niet om het ontkennen van Joodse historische trauma’s of veiligheidszorgen. Het gaat om het erkennen dat veiligheid voor de één niet gebouwd kan blijven op permanente onvrijheid voor de ander.

Misschien begint solidariteit daar. Niet bij mythes — niet bij utopie of demonisering — maar bij de bereidheid om macht te benoemen zoals zij werkt. En om gelijkheid niet etnisch te begrenzen.

Want echte bevrijding, waar dan ook, kan niet selectief zijn.

  1. Poale Zion (Hebreeuws: “Arbeiders van Zion”) was een socialistisch-zionistische beweging, opgericht begin twintigste eeuw in Oost-Europa. De beweging combineerde marxisme met Joods nationalisme en pleitte voor de vestiging van een Joodse arbeidersgemeenschap in Palestina. Poale Zion speelde een belangrijke rol in de opbouw van arbeidersinstituties in het mandaatgebied, waaronder vakbondsstructuren die later opgingen in de Histadrut. De beweging kende zowel linkse als rechtse stromingen en beïnvloedde de vroege politieke elite van Israël. ↩︎
  2. Histadrut (voluit: Algemene Federatie van Arbeiders in het Land Israël) werd in 1920 opgericht als vakbond van Joodse arbeiders in het Britse mandaatgebied Palestina. De organisatie groeide uit tot een machtig economisch en politiek centrum binnen het arbeidzionisme: zij beheerde bedrijven, landbouwcoöperaties, ziekenfondsen en speelde een sleutelrol in de opbouw van de latere Israëlische staat. De Histadrut voerde actief het principe van “Hebrew labour”, waarbij Palestijnse arbeiders werden uitgesloten van werk in Joodse sectoren, en droeg zo bij aan de institutionele scheiding van arbeidsmarkten vóór 1948. ↩︎
  3. Mapai (acroniem voor Mifleget Poalei Eretz Yisrael, “Arbeiderspartij van het Land Israël”) was van 1930 tot 1968 de dominante arbeidzionistische partij en leidde de Israëlische regering vanaf de stichting van de staat in 1948 tot 1977 (via opvolgerpartijen). Onder leiders als David Ben-Gurion combineerde Mapai socialistische retoriek met staatsopbouw, militaire consolidatie en landnationalisatie. De partij speelde een centrale rol in wetgeving rond landbeheer en de integratie van onteigend Palestijns bezit in staats- en zionistische instellingen. ↩︎
  4. Gush Emunim (“Blok van de Getrouwen”) was een religieus-nationalistische kolonistenbeweging, opgericht in 1974 na de oorlog van 1973. De beweging zag de bezette gebieden van 1967 — met name de Westelijke Jordaanoever — als door God beloofd land en stimuleerde actief de vestiging van Joodse nederzettingen daar. Gush Emunim oefende grote invloed uit op opeenvolgende Israëlische regeringen en legde de ideologische en organisatorische basis voor de hedendaagse nederzettingenbeweging. ↩︎

Vond je dit een interessant artikel?

Help ons Groeien

Aanbevolen voor jou