Friteskraam en fietsers op de Albert Cuypmarkt in Amsterdam tijdens de avondspits
Straatbeeld op de Albert Cuypmarkt in Amsterdam, waar dagelijks leven, toerisme en stijgende druk op de stad samenkomen.

Van wie is Amsterdam?

Er staat een visboer op het Delflandplein die naar eigen zeggen honderd meldingen heeft gedaan over overlast. Honderd formulieren, honderd keer wachten. In dat beeld schuilt de voedingsbodem voor een politieke boodschap: de gemiddelde Amsterdammer zou murw zijn geslagen door links beleid.

Die formulering is geen losse provocatie. Ze zet een frame neer waarin beleid een knuppel wordt en de stad een ideologisch slagveld. De vraag is niet alleen of dat beeld klopt, maar ook wat ermee wordt verhuld en wie er baat bij heeft.

Van wie is de stad?

De leus “Amsterdam weer van ons” suggereert verlies. Mensen herkennen hun buurt niet meer, ervaren drukte, stijgende huren en regels die knellen; dat gevoel is reëel en verdient serieus genomen te worden. Tegelijk bakent het woord “ons” af en impliceert het een “zij”. Politiek begint vaak bij ervaren vervreemding, maar de cruciale vraag blijft waar die vervreemding vandaan komt. Is zij werkelijk het gevolg van zogenoemd links beleid, of van een woningmarkt die decennialang is opengesteld voor beleggers, liberalisering en speculatie? Wie profiteerde van die ontwikkeling, en wie betaalde de prijs?

Steun vrheid.nl op Substack

Veiligheid als inzet van het debat

Veiligheid is een legitiem en urgent thema, want wie zich niet veilig voelt kan niet vrij bewegen. Straatintimidatie, overlast en geweld vragen om concrete antwoorden. Tegelijk kan veiligheid selectief worden ingezet. Wanneer specifieke groepen expliciet worden benoemd als bron van onveiligheid, verschuift de aandacht van structurele oorzaken zoals onderbezetting bij politie, afbouw van jongerenwerk en bezuinigingen op zorg en preventie. Meer handhaving, meer agenten en betere verlichting zijn zichtbare maatregelen, maar zij beantwoorden niet automatisch de vraag waarom publieke voorzieningen zijn uitgehold en waarom buurten jarenlang vooral zijn beheerd in plaats van versterkt.

De woningmarkt en de middenklasse

De discussie over sociale huur, middenhuur en koopwoningen raakt aan een kernprobleem: betaalbaarheid. Amsterdam kent een groot aandeel sociale huur en tegelijk sterk gestegen prijzen in de koop- en vrije sector. Dat veel middeninkomens geen betaalbare woning meer vinden, bevat een kern van waarheid, maar de oorzaak ligt niet primair bij het bestaan van sociale huur. Zij ligt bij de marktlogica die wonen steeds meer tot investeringsproduct heeft gemaakt. Verkoop van corporatiewoningen, liberalisering en fiscale voordelen voor vastgoedbezit hebben de druk verhoogd. In dat licht is de tegenstelling tussen sociale huurders en middeninkomens misleidend, omdat beiden de gevolgen ondervinden van dezelfde structurele keuzes.

Afstand tussen bestuur en buurt

Het voorstel om het stadhuis te slopen fungeert vooral als symbool voor een ervaren kloof tussen bestuur en straat. Bewoners voelen zich niet gehoord, meldingen verdwijnen in systemen en procedures lijken belangrijker dan mensen. Die kritiek raakt een reëel probleem van bureaucratische afstand, maar de oplossing ligt niet in minder overheid. Zij ligt in een andere inrichting van die overheid: nabij, aanspreekbaar en bereid te investeren in relaties en publieke voorzieningen in plaats van uitsluitend in controle.

Oppositie en verantwoordelijkheid

Oppositiepartijen hebben de taak om macht te bevragen en debat te forceren, omdat beleid zonder tegenspraak kan verstarren. De vraag is echter welke machtsstructuren daadwerkelijk worden geadresseerd. Wanneer de nadruk vooral ligt op culturele tegenstellingen en specifieke groepen, kan de blik verschuiven van economische machtsconcentratie: beleggers, speculanten en ondernemingen die profiteren van schaarste op de woningmarkt en van goedkope arbeid. Daarmee dringt zich een fundamentele vraag op: richt het verzet zich op bestuurlijke ideologie, of op de economische structuren die ongelijkheid reproduceren?

De radicaal-rechtse onderstroom

In de analyse van onvrede kan niet worden voorbijgegaan aan de bredere radicaal-rechtse stroming waarbinnen ook partijen als JA21 opereren. Forum voor Democratie heeft de afgelopen jaren laten zien hoe snel systeemkritiek kan omslaan in openlijke ondermijning van de democratische rechtsstaat, waarbij verkiezingsuitslagen in twijfel worden getrokken, onafhankelijke media als vijandig worden weggezet en rechters van politieke samenzwering worden beschuldigd. Dat is geen stijlverschil maar een breuk met democratische spelregels, en hier raakt hedendaags radicaal-rechts aan historische fascistische tradities.

Ook in het interbellum begon fascisme niet met geweld maar met taal: het delegitimeren van parlementen, het verheerlijken van een mythisch homogeen volk en het aanwijzen van interne vijanden die het nationale lichaam zouden ondermijnen. Het sprak over herstel, orde en wedergeboorte, terwijl pluraliteit als zwakte werd geframed en verschil verdacht werd gemaakt. Dat patroon is herkenbaar wanneer migratie consequent als ontwrichting wordt benoemd en culturele diversiteit als bedreiging voor samenhang wordt voorgesteld. Zo verschuift de aandacht van sociale en economische ongelijkheid naar culturele vijandsbeelden.

Hoewel JA21 zich bestuurlijker positioneert, is zij ontstaan uit een breuk met diezelfde beweging. Dat verleden is politiek relevant omdat het de vraag oproept hoe scherp de grens werkelijk wordt bewaakt tussen conservatieve oppositie en een discours dat echo’s bevat van autoritaire en fascistische denkbeelden. In een stad als Amsterdam, gevormd door migratie, religieuze diversiteit en sociale strijd, staat daarmee meer op het spel dan beleid alleen. Het gaat om de bescherming van een democratische cultuur waarin verschil geen afwijking is, maar uitgangspunt, en waarin kritiek op macht niet ontaardt in ondermijning van de democratische rechtsstaat zelf.

Wat staat er op het spel?

De onvrede in Amsterdam is tastbaar; drukte, hoge kosten en regeldruk beïnvloeden het dagelijks leven. Tegelijk is de stad de afgelopen decennia nadrukkelijk gepositioneerd als investeringsobject en merk, waardoor publieke ruimte en wonen onder druk zijn komen te staan. Als wordt gesteld dat de stad “weer van ons” moet zijn, vraagt dat om een heldere invulling: minder ruimte voor speculatie, meer zeggenschap voor bewoners, versterking van publieke voorzieningen en democratische controle op economische macht.

De keuze is daarmee niet louter tussen zogenoemd links beleid en een strengere handhavingsagenda, maar tussen een stad die primair wordt ingericht naar marktlogica en een stad die gemeenschap en democratische gelijkwaardigheid centraal stelt. Het antwoord daarop vereist meer dan retoriek; het vraagt om structurele analyse, politieke moed en een visie waarin solidariteit zwaarder weegt dan uitsluiting.

Vond je dit een interessant artikel?

Help ons Groeien

Aanbevolen voor jou