Een Israëlische podcast met de onschuldige naam Two Nice Jewish Boys is in 2024 in opspraak geraakt na onthullingen over ronduit gruwelijke uitspraken. De hosts, Naor Meninga en Eytan Weinstein, spraken met huiveringwekkende lichtheid over hun wens om de Palestijnse bevolking van Gaza uit te roeien. Hun gemakzuchtige praat over massavernietiging is niet alleen walgelijk, maar ook een symptoom van de dieper gewortelde ontmenselijking die in delen van de Israëlische samenleving is genormaliseerd.
Een van de meest verontrustende uitspraken: ze zouden zonder aarzeling op een knop drukken om Gaza van de kaart te vegen, en ze beweren dat veel Israëli’s er heimelijk hetzelfde over denken. Dat zulke woorden worden uitgesproken door iemand als Meninga – een man met nauwe banden met de verkiezingscampagnes van premier Netanyahu – toont aan dat dit geen marginaal gedachtengoed is, maar doordringt tot in de kern van de politieke macht.
De vergelijking met Radio Rwanda, dat in 1994 de Hutu-bevolking opriep tot genocide op de Tutsi’s, is pijnlijk relevant. Ook toen klonk de oproep tot moord via een populair mediakanaal, ogenschijnlijk normaal – tot het bloed vloeide.
De banaliteit van het kwaad is hier niet abstract. De podcast laat horen hoe mensen plezier lijken te halen uit het lijden van een ander volk. Hoe je in Tel Aviv een concert bijwoont, terwijl slechts kilometers verderop mensen verhongeren en sterven onder bommen. Deze groteske ongelijkheid is niet slechts existentieel, maar moreel ondraaglijk.
Toch is er ook verzet. Er zijn Israëli’s die weigeren zich neer te leggen bij deze normalisering van haat. Die blijven pleiten voor een samenleving gebaseerd op gelijkwaardigheid, waar joden en Palestijnen vreedzaam samenleven. Maar zij vormen een steeds kleinere minderheid. En terwijl de Israëlische samenleving verder radicaliseert, blijkt uit peilingen dat een groeiend deel van de joodse bevolking zelfs geen bezwaar heeft tegen het laten verhongeren van Gaza’s burgers.
De uitspraken van de podcasthosts zijn niet alleen moreel verwerpelijk, maar ook juridisch strafbaar – volgens zowel Israëlisch als internationaal recht. De genocideconventie van 1948, door Israël vertaald naar nationale wetgeving, verbiedt expliciet het oproepen tot genocide. Toch is vervolging onwaarschijnlijk. De Israëlische staat zal deze stemmen niet tot zwijgen brengen, omdat ze passen binnen een bredere cultuur van straffeloosheid en geweld.

De internationale gemeenschap draagt hierin een verantwoordelijkheid. Zolang landen Israël blijven steunen met wapens, economische hulp en diplomatieke dekking, blijven ze medeplichtig aan deze escalatie. Alleen door druk, sancties en politieke consequenties kunnen de contouren van verandering zichtbaar worden.
Ook in Nederland wringt het. Terwijl de regering zich in woorden uitspreekt tegen het lijden van Palestijnen, blijft ze stilzwijgend meegaan in Europese beleidslijnen die Israël nauwelijks ter verantwoording roepen. Ondertussen worden binnenlandse stemmen die kritiek uiten op het Israëlische beleid vaak in de hoek gedrukt. Er is in Nederland een groeiende verwarring – soms bewust gevoed – tussen antisemitisme en antizionisme. Die verwarring maakt het steeds moeilijker om solidariteit met Palestijnen uit te spreken zonder meteen verdacht gemaakt te worden.
Wie het zionisme als koloniale ideologie bekritiseert, wordt al te vaak weggezet als antisemiet, terwijl het juist van morele helderheid getuigt om macht en onderdrukking te durven benoemen, ongeacht wie het betreft. Deze versmalling van het debat heeft een verstikkend effect, zeker voor activisten, academici en politici die zich inzetten voor mensenrechten in Palestina. Juist in een land als Nederland – met zijn geschiedenis van verzet én van collaboratie – zou de ruimte voor gewetensvolle kritiek op staatsterreur groter moeten zijn, niet kleiner.
Wat Two Nice Jewish Boys laat horen is geen incident, maar een spiegel. Een spiegel waarin we zien hoe diep ontmenselijking kan wortelen, en hoe gevaarlijk het wordt wanneer haat vermomd als grap vrij spel krijgt. Maar die spiegel toont ook iets anders: het belang van mensen die blijven weigeren mee te doen. Die kiezen voor solidariteit, voor rechtvaardigheid, voor menselijkheid.
De Keuze voor Menselijkheid
Dit is de kern: de uitspraken van Meninga en Weinstein tonen geen losstaand moreel failliet, maar een crisis van de hele cultuur waarin ze functioneren. De vraag is dan ook niet óf Israël zijn eigen wetten zal handhaven, maar of de wereld bereid is haar principes serieus te nemen.
Zolang er mensen zijn – Palestijns én Israëlisch – die weigeren mee te marcheren in het ritme van haat, blijft er hoop. Hoop dat er ooit weer gekozen wordt voor leven boven vernietiging. Voor mensenrechten boven macht. Voor menselijkheid, boven alles.