Straat in een middeleeuws Amsterdam volledig in brand
Beeld van een middeleeuws Amsterdam in vlammen

De verdraaide waarheid over de Maccabi-rellen

Selectieve verontwaardiging – Het begon niet met geweld, maar met minachting. Met gezang dat ontmenselijkte, met gebaren die duidelijk maakten wie hier volgens sommigen wel thuishoorde en wie niet. In Amsterdam trokken Israëlische voetbalsupporters door de stad en lieten daarbij een spoor van racistische provocaties achter.

Wat daarop volgde – confrontaties, woede, escalatie – was niet verrassend. Wat wél opviel, was hoe snel het gesprek verschoof. Niet de vernedering stond centraal, niet de racistische uitingen, maar vrijwel onmiddellijk de vraag of hier sprake was van antisemitische dreiging.

Juist die reflex – het omdraaien van oorzaak en gevolg – maakte dit incident exemplarisch. Het liet zien hoe snel publieke duiding verschuift, hoe selectief verontwaardiging wordt ingezet, en hoe bestuurlijke en mediakeuzes bepalen welk racisme zichtbaar mag zijn.

Steun vrheid.nl op Substack

De manier waarop in Nederland – en specifiek in Amsterdam – wordt gesproken over spanningen rond Israël en Palestina volgt al jaren een vast patroon. Wanneer Israëlische symboliek, supporters of staatsvertegenwoordigers in aanraking komen met protest, verzet of woede, verschuift de aandacht vrijwel onmiddellijk naar één vraag: is dit antisemitisme?

Die vraag is legitiem. Antisemitisme bestaat, is gevaarlijk en verdient bestrijding. Maar wat problematisch is, is dat deze vraag vrijwel altijd alle andere verdringt. Racistische provocaties verdwijnen uit beeld. Macht en context worden geneutraliseerd. En wat overblijft is een moreel frame dat niet verheldert, maar verdoezelt.

Karin Amatmoekrim legde dit mechanisme scherp bloot. Niet door te schreeuwen, maar door te beschrijven. Door te laten zien wat er gebeurt vóórdat er confrontaties ontstaan. Door racisme niet te abstraheren, maar concreet te maken: wie werd vernederd, wie werd ontmenselijkt, wie werd uitgedaagd.

Dat is precies waar het debat structureel ontspoort.

Van provocatie naar verdraaiing

In het dominante discours worden confrontaties vaak losgezongen van hun aanleiding. Racistische leuzen, het bespotten van Palestijnse levens, openlijke minachting voor bewoners van de stad: ze worden gepresenteerd als randverschijnselen, als ‘emotie’, als iets dat niet relevant zou zijn voor de beoordeling van wat volgt.

Wat telt, is de reactie. Die wordt uitvergroot, moreel geladen en losgetrokken uit zijn context. Zo ontstaat een narratief waarin racistische provocateurs veranderen in slachtoffers, en waarin verzet wordt gelezen als agressie.

Dit is geen incident. Het is een herhaalbaar script.

Bestuurlijke reflexen

Bestuurders en veiligheidsinstanties spelen hierin een centrale rol. Dat zijn geen abstracte krachten, maar concrete politieke verantwoordelijken: ministers, burgemeesters, politiechefs en veiligheidscoördinatoren die kiezen welk verhaal leidend wordt. In hun communicatie ligt de nadruk steevast op orde, veiligheid en beheersing. Dat klinkt neutraal, maar is het niet.

Wanneer ‘veiligheid’ uitsluitend wordt gedefinieerd vanuit één groep, en racisme tegen andere groepen niet expliciet wordt benoemd, ontstaat een hiërarchie van zorg. Sommige angsten tellen. Andere worden genegeerd of verdacht gemaakt.

Het gevolg is dat racisme tegen Palestijnen en Arabische Nederlanders nauwelijks politieke urgentie krijgt. Het wordt gezien als bijzaak, als sentiment, als iets wat niet past binnen het officiële veiligheidsverhaal.

Zo verschuift de rol van bestuur van bescherming naar framing. In Nederland zijn het figuren als Dick Schoof, als eindverantwoordelijke voor nationaal veiligheidsbeleid, politiechef Erik Akerboom, en lokaal bestuur zoals burgemeester Femke Halsema, die deze keuzes legitimeren en herhalen.

De normalisering van eenzijdige verontwaardiging

Deze bestuurlijke houding staat niet los van bredere politieke druk. Ze sluit direct aan bij het discours van Geert Wilders en de PVV, waarin steun aan Israël wordt gecombineerd met structurele verdachtmaking van moslims en Arabische Nederlanders. In een klimaat waarin rechts-nationalistische partijen voortdurend insinueren dat ‘moslims’ een bedreiging vormen voor de samenleving, wordt elke confrontatie al snel gelezen door die lens.

Kritiek op Israël wordt dan niet gezien als politieke stellingname, maar als cultureel gevaar. Wie zich solidair toont met Palestijnen, belandt automatisch in een verdachtenbankje.

Dit mechanisme normaliseert racisme. Niet door het expliciet goed te keuren, maar door het consequent niet te benoemen wanneer het politiek onhandig is.

Progressief taalgebruik, lege bescherming

Opvallend is dat ook bestuurders die zich progressief noemen, hierin meegaan. Zij spreken over inclusie en veiligheid voor iedereen, maar laten die woorden niet altijd volgen door handelen.

Door kritiekloos te vertrouwen op veiligheidsnarratieven zonder deze te toetsen aan sociale werkelijkheid, dragen zij bij aan stigmatisering. Jongeren van kleur worden sneller gezien als risico dan als burgers. Hun woede wordt niet gelezen als reactie op vernedering, maar als bewijs van dreiging.

Dat is geen neutraliteit. Dat is positie.

Media als doorgeefluik

De media versterken dit alles. Door complexe gebeurtenissen te reduceren tot simpele morele frames verdwijnt nuance. Antisemitisme wordt een containerbegrip waarin alles past wat ongemakkelijk is.

Het gevolg is tweeledig. Enerzijds wordt echte Jodenhaat gebagatelliseerd doordat het begrip zijn scherpte verliest. Anderzijds wordt kritiek op Israëlisch beleid vrijwel onmogelijk zonder verdachtmaking.

Wie benoemt wat Palestijnen wordt aangedaan, loopt het risico te worden weggezet als extremist. Wie zwijgt, blijft geloofwaardig.

De politieke winst van verwarring

Deze verwarring is niet toevallig. Ze beschermt macht. Ze maakt het mogelijk om structureel geweld en onderdrukking te verhullen achter morele verontwaardiging.

Internationaal wordt dit mechanisme al jaren ingezet door regeringsleiders als Benjamin Netanyahu, die kritiek op Israëlisch staatsgeweld systematisch framen als antisemitisme. Nationaal wordt deze logica overgenomen door Nederlandse politici en bestuurders die zich hier nauwelijks tegen verzetten. Nationaal wordt het overgenomen, soms uit overtuiging, vaak uit gemak.

Zo ontstaat een situatie waarin racisme selectief wordt erkend. Waarin solidariteit voorwaardelijk is. En waarin steden die zichzelf graag rechtvaardig noemen, structureel falen om dat waar te maken.

Politieke verantwoordelijkheid

Dit dossier noemt namen en rollen. Omdat macht niet abstract is, en verantwoordelijkheid geen mist mag blijven. Wie beleid maakt, woorden kiest en frames herhaalt, moet daar ook publiek op aanspreekbaar zijn. Niet om te personaliseren uit sensatiezucht, maar omdat democratische controle alleen mogelijk is wanneer macht een adres heeft.

Dick Schoof draagt als minister-president en voormalig veiligheidscoördinator verantwoordelijkheid voor het normaliseren van een veiligheidsframe waarin kritiek op Israël structureel wordt verward met antisemitisme, terwijl racisme tegen Palestijnen en Arabische Nederlanders nauwelijks wordt erkend.

Femke Halsema is als burgemeester van Amsterdam politiek verantwoordelijk voor de keuze om zich publiekelijk te scharen achter politie- en veiligheidsnarratieven zonder deze zichtbaar te toetsen aan racistische provocaties en sociale context. Daarmee legitimeert zij stigmatisering binnen de stad die zij zegt te beschermen.

Erik Akerboom, als politiechef, draagt verantwoordelijkheid voor een operationele en communicatieve lijn waarin ordehandhaving los wordt gezien van voorafgaande vernedering en racisme. Door oorzaak en gevolg te scheiden, wordt geweld gedecontextualiseerd.

Geert Wilders draagt politieke verantwoordelijkheid voor het jarenlang voeden van een discours waarin steun aan Israël wordt gekoppeld aan structurele verdachtmaking van moslims en Arabische Nederlanders. Dit discours vormt de ideologische achtergrond waarbinnen bestuurlijke keuzes worden gelegitimeerd.

Internationaal is Benjamin Netanyahu verantwoordelijk voor het strategisch inzetten van antisemitismebeschuldigingen om kritiek op Israëlisch staatsgeweld te neutraliseren. Nederlandse bestuurders die dit frame overnemen, maken zich medeplichtig aan die verdraaiing.

Politieke verantwoordelijkheid betekent hier: aanspreekbaarheid. Deze actoren kunnen en moeten publiek worden bevraagd op hun keuzes, hun taalgebruik en de gevolgen daarvan voor sociale verhoudingen.

Waar verantwoordelijkheid begint

De kernvraag is niet of antisemitisme moet worden bestreden. Dat moet. De vraag is waarom racisme tegen Palestijnen en Arabieren zo vaak buiten beeld blijft. Waarom provocatie mag bestaan zolang zij politiek nuttig is. Waarom reacties worden veroordeeld, maar oorzaken worden verzwegen.
Wie alleen de uitkomst benoemt en de aanleiding negeert, kiest partij. Wie zwijgt over vernedering, legitimeert haar.

Dat is geen misverstand. Dat is een keuze.

En precies daar ligt de verantwoordelijkheid – bij bestuurders als Schoof en Halsema, bij politie en veiligheidsdiensten, bij mediaredacties, en bij politici die dit frame actief voeden of passief laten voortbestaan. Wie beweert te staan voor gelijkwaardigheid, kan zich hier niet achter neutraliteit verschuilen.

Lees de volledige column van Karin Amatmoekrim in NRC: Het grote gelijk van Israël



Vond je dit een interessant artikel?

Help ons Groeien

Aanbevolen voor jou