Er is altijd iemand urgenter – In de straten van Amsterdam-West woedt een strijd die zelden de voorpagina’s haalt. Geen luidruchtige protestmarsen of flitsende bouwprojecten, maar stille gevechten achter voordeuren en op WoningNet (het officiële online platform waarop sociale huurwoningen in Nederland worden aangeboden). Het zijn de verhalen van gezinnen die al decennia in hun buurt wonen en toch moeten vechten om er te mogen blijven. Verhalen van brieven vol jargon, telefoontjes die niets opleveren, en hoop die langzaam slijt. Hier gaat het niet alleen om stenen en huurcontracten, maar om het recht op een thuis.
De stad vernieuwt, zegt men. Nieuwe gevels, frisse kleuren, trotse beleidsstukken. Maar achter dat opgepoetste beeld staan mensen die steeds krapper wonen, steeds verder naar de rand van de stad of daarbuiten worden geduwd. Zoals Leyla, die al twintig jaar in dezelfde portiekflat in Amsterdam-West woont, samen met haar partner en twee dochters van twaalf en zestien. De meisjes delen een smalle slaapkamer. Ruimte om zich terug te trekken, te studeren, gewoon even adem te halen? Die is er niet.
Toen ze eindelijk stadsvernieuwingsurgentie kreeg, dacht ze: dit is mijn kans. Anderhalf jaar lang dag en nacht op WoningNet kijken. Toch kreeg ze maar één aanbod: een driekamerwoning in Osdorp. Ze weigerde, in de hoop op een woning met vier kamers. Wat volgde was stilte. Leyla herinnert zich hoe ze bij elk aanbod hoopvol klikte, om vervolgens te lezen dat de woning alweer naar een ander ging. “Voor alle andere woningen was er altijd iemand urgenter dan ik. Alsof mijn jaren wachten, mijn gezinssituatie, en de krapte waarin we leven steeds net niet genoeg tellen.”
Leyla’s verhaal is geen uitzondering. Het is een patroon. Mensen met jarenlange binding aan hun wijk worden heen en weer geschoven als pionnen op een bord dat ze niet zelf in handen hebben. Terwijl de hijskranen verderop werken aan luxe appartementencomplexen voor wie kan betalen, moeten gezinnen onderhandelen over wie in welke hoek van de kamer mag slapen.
De politiek van wachten
In Kolenkit-Midden, een van de laatste stukken in West die nog niet grootschalig zijn vernieuwd, heerst een vreemde rust voor de storm. Renovatieplannen zijn eindelijk in uitvoering, maar in de praktijk betekent dat vooral: wachten. Wachten op sloop. Wachten op een urgentieverklaring. Wachten op een huis dat misschien nooit komt.
Stadsgeografen noemen het the politics of waiting: een sluipend proces waarin tijd zelf een wapen wordt. Als je weet dat je huis onherroepelijk verdwijnt, verandert elke dag in een uitgestelde beslissing. Je leeft tussen verhuisdozen die nog leeg zijn, stelt reparaties uit, en bekijkt de schimmelplek op de muur niet meer als een probleem maar als een herinnering dat het huis je niet meer toebehoort. Het systeem zet bewoners vast in een wachttijd die voelt als bevriezing, terwijl buiten de hijskranen en steigers langzaam, bijna onopvallend, van plaats lijken te wisselen — alsof de tijd zelf in de steigers hangt en de markt in razend tempo verder raast.
Vooral gezinnen hebben het zwaar. Ze komen zelden in aanmerking voor passende woningen. De corporatie zegt te helpen, maar verwacht dat bewoners zelf dagelijks op WoningNet jagen, terwijl de concurrentie moordend is. Directe bemiddeling wordt steeds vaker ingezet, maar dat haalt woningen uit de vrije toewijzing, waardoor de kansen voor anderen nog kleiner worden.
Van volkshuisvesting naar vastgoed
Hoe zijn we hier terechtgekomen? Het antwoord begint in de jaren negentig. Toen woningcorporaties door staatssecretaris Enneüs Heerma (CDA) werden verzelfstandigd, draaide de rijksoverheid de subsidiekraan dicht. Corporaties moesten vanaf dat moment hun eigen inkomsten genereren. De sociale huursector werd niet meer gezien als een breed toegankelijke voorziening, maar als een vangnet voor wie nergens anders terechtkan.
In 2015 kwam daar de Woningwet, bedacht door minister Stef Blok (VVD) bij, die corporaties opdroeg zich vrijwel uitsluitend op de laagste inkomens te richten. Sindsdien is het aandeel sociale huur in Amsterdam dramatisch gedaald: door sloop, verkoop en het uitblijven van grootschalige nieuwbouw. De wachtlijsten groeiden.
Alsof dat nog niet genoeg was, voerde het kabinet-Rutte II in 2013 de verhuurderheffing in: een belasting die corporaties jaarlijks miljarden kostte, maar die niet gold voor dure huur of koop. Miljarden die niet naar nieuwbouw, onderhoud of verduurzaming konden gaan.
De schaamte die stil maakt
Armoede laat sporen na, niet alleen in muren en plafonds, maar ook in mensen. Wie jarenlang in vochtige, krappe en afgeleefde woningen leeft, krijgt te maken met een andere vorm van huisvestingscrisis: woonschaamte.
Het is de schaamte die maakt dat je niemand uitnodigt. Dat je de schimmel in de badkamer wegkrabt voor bezoek, maar weet dat de vlekken terugkomen. Dat je de trap naar je bovenwoning op rent zodat niemand je voordeur goed kan zien.
Die schaamte is geen privéprobleem, maar een politiek wapen. Ze maakt bewoners stil, en een stille groep is makkelijker te negeren. Ondertussen wordt sociale huur stelselmatig gestigmatiseerd: als bron van “achterstand”, als kostenpost, als iets dat “verdient” te worden afgebouwd.
Verdichting voor wie?
In Amsterdam heet de oplossing voor de woningnood vaak verdichting: meer woningen op dezelfde grond. In de praktijk betekent dat meestal: bouwen in bestaande sociale huurwijken. Rijke buurten worden ongemoeid gelaten.
In Kolenkit-Midden worden blokken gesloopt en vervangen door meer woningen dan er stonden, maar slechts een deel daarvan blijft sociale huur. De rest wordt middenhuur of vrije sector. Nieuwe bewoners komen, vaak hoger opgeleid en met hogere inkomens. Het sociaal weefsel van de buurt verandert: sommige voorzieningen verbeteren en er ontstaat soms meer economische menging, maar vaak gaat dat gepaard met het verdringen van de oorspronkelijke bewoners en hun netwerken.
Gentrificatie in slow motion: de oude bewoners verhuizen weg — soms naar elders in de stad, vaker naar buiten — en een nieuwe, duurdere stad vult de leegte.
Wonen als recht, niet als gunst
De woningmarkt in Amsterdam is geen neutraal speelveld. Het is een strijdtoneel waar beleidskeuzes, marktbelangen en sociale ongelijkheid elkaar kruisen. Terwijl politici als voormalig minister van Financiën Wopke Hoekstra (CDA) en premier Mark Rutte (VVD) miljarden bleven pompen in hypotheekrenteaftrek voor koopbezitters, draaiden zij en hun kabinetten de kraan dicht voor de sociale huursector.
Het resultaat? Een vliegwiel van ongelijkheid. Wie bezit, ziet zijn vermogen groeien. Wie huurt, wordt naar de rand gedrukt — of verder.
Leyla weet dat ze waarschijnlijk nooit meer een kans krijgt op een passende woning in haar eigen buurt. “Ze zeggen dat ik mag terugkomen,” zegt ze, “maar tegen die tijd is alles veranderd. Het wordt niet meer mijn buurt.”
Samen blijven
De kracht zit in wat er nog wél is: bewoners die elkaar informeren, steunen en organiseren. Niet uit luxe, maar uit noodzaak. Ze delen tips over WoningNet, begeleiden elkaar bij bezichtigingen, gaan samen naar bewonersavonden en weigeren elkaar te laten vallen. Daarbij kunnen ze zich ook informeren over welke politieke partijen het daadwerkelijk goed met hen voorhebben, zodat hun stem net zo strategisch wordt ingezet als hun acties op straat.
De stad wil dat deze mensen verdwijnen in statistieken en verhuisdozen. Maar wie een thuis verdedigt, verdedigt meer dan bakstenen. Het is een gevecht voor bestaansrecht, tegen een systeem dat wonen als handelswaar ziet.
Als mensen samen blijven strijden, ligt de uitkomst nog open.