De suikerfabriek van Union Flacq Estate op Mauritius staat er vandaag stil en glanzend bij, maar in augustus 1937 was het terrein het toneel van een korte, felle opstand. Wat begon als een vreedzame mars van suikerrietarbeiders eindigde in geweervuur. Vier doden, zes zwaargewonden — en een eiland dat plots ontdekte dat gehoorzaamheid niet altijd vanzelfsprekend is.
Een eiland gebouwd op uitbuiting
In de jaren ’30 was Mauritius een Britse kolonie die draaide op suiker. Het land was letterlijk verdeeld tussen een kleine, welvarende plantage-elite en een massa arbeiders, grotendeels afstammelingen van contractarbeiders uit India. Hun dagen begonnen vroeg, eindigden laat, en brachten nauwelijks genoeg op om een gezin te voeden.
Het loon was zo laag dat voedselrantsoenen en karige medische zorg door de plantage zelf verstrekt werden — vaak van bedenkelijke kwaliteit. Arbeiders woonden in overvolle kampementen, waar ziekte en wanhoop hand in hand gingen.
Wie iets wilde veranderen, had geen kanaal om gehoord te worden. Vakbonden waren verboden. De wet beschermde vooral eigendom, niet mensen. En de koloniale staat was minder een scheidsrechter dan een lijfwacht voor de suikerbaronnen.
De lont in het kruitvat
De wereldwijde crisis van de jaren ’30 deed de suikerprijs kelderen. De verliezen werden niet gedeeld; ze werden doorgeschoven naar de laagste lagen. Toen in 1937 de prijzen weer stegen, weigerden de planters ook maar iets van die winst te delen. Daarmee verbraken zij de laatste restjes van een ongeschreven “morele economie” waarin offers ooit nog wederzijds leken.
De arbeiders begonnen zich te organiseren. De in 1936 opgerichte Mauritius Labour Party trok over het eiland, sprak in Bhojpuri en Hindi tot hen die meestal geen stem kregen, en riep op tot actie. De autoriteiten zagen gevaar. Niet gevaar voor veiligheid, maar gevaar voor de orde zoals zij die kenden.
Toen de plantagebazen bovendien besloten de prijs voor een veel verbouwd riettype, Uba, met vijftien procent te verlagen — een directe aanslag op het al karige inkomen — was de maat vol. Zonder dat er nog sprake was van centrale aansturing legden arbeiders spontaan het werk neer, vastbesloten niet langer stil te lijden.
Union Flacq, 13 augustus 1937
Op een hete ochtend trokken zo’n tweehonderd arbeiders en kleine boeren richting Union Flacq. Hun doelwit: Rajcoomar Gujadhur, de planter die elke concessie weigerde. Volgens een getuige beet hij hen toe dat ze maar “brèdes songes” — wilde bladeren — moesten eten als ze honger hadden.
Onderweg sloten meer mensen zich aan. Telefoondraden werden doorgeknipt, voertuigen gekanteld, suikerrietvelden in brand gestoken. De leuzen die klonken, “Jai Hind!”, droegen een boodschap die verder reikte dan de plantagegrenzen. Het was een strijdkreet uit India, symbool van verzet tegen koloniale overheersing, en haar weerklank op Mauritiaanse bodem liet horen dat de arbeiders zichzelf deel zagen van een bredere, wereldwijde beweging voor zelfbeschikking.
De politie wist van de mars, maar greep niet in om bloedvergieten te voorkomen. Ze adviseerden de planter zichzelf te bewapenen. Toen de stoet de fabriek bereikte en eiste dat Gujadhur naar buiten kwam, knalden de geweren. Vier lichamen bleven achter op de grond.

Na het bloed
De rook van brandende velden hing nog boven Flacq toen het nieuws over het hele eiland verspreidde. Stakingen breidden zich uit, fabrieken kwamen tot stilstand. De reactie van het gezag was voorspelbaar: geen arrestaties van de schutters, wel vervolging van de leiders. Pandit Sahadeo werd vastgezet, Emmanuel Anquetil verbannen, Maurice Curé onder huisarrest geplaatst.
Officieel heette het dat men “de orde” wilde bewaren. In werkelijkheid richtten de maatregelen zich op het lamleggen van elke vorm van collectieve zelforganisatie van arbeiders, het ondermijnen van hun netwerken en het ontmoedigen van toekomstig verzet.
Concessies onder dwang
De situatie werd zo gespannen dat de gouverneur een onderzoekscommissie instelde. Het Hooper-rapport was de eerste keer dat het systeem openlijk werd bekritiseerd: te grote ongelijkheid, te veel winst voor te weinig mensen.
Onder druk werden vakbonden gelegaliseerd, loonsverhogingen doorgevoerd en een Arbeidsdepartement opgericht. Het waren veranderingen die het gezag niet uit eigen beweging gaf, maar die het afdwong voelde.
Erfenis
De arbeiders van 1937 bewezen dat geen macht eeuwig is als de basis weigert mee te werken. Hun strijd was niet netjes, niet ordelijk, maar effectief genoeg om een gesloten systeem te breken.
Union Flacq leeft voort als een herinnering dat wetten en instellingen vaak pas veranderen als ze worden uitgedaagd. En dat, in elk systeem waar een paar beslissen over het lot van velen, de echte macht pas zichtbaar wordt als mensen besluiten die niet meer te erkennen.