Grenzen zijn vaak minder een lijn op een kaart dan een instrument om mensen uit elkaar te houden. Wat ooit een toevallige streep in de geschiedenis was, wordt door staten gebruikt om te bepalen wie wel en wie niet recht heeft op een bestaan. In die logica van macht kan een mens plotseling van buur tot indringer worden verklaard, afhankelijk van welk papier hij kan tonen. In de Dominicaanse Republiek zien we dit mechanisme in volle scherpte: duizenden mensen die er geboren en getogen zijn, worden nu tot vreemdeling gemaakt en naar de overkant van de grens geduwd. Hun leven wordt gereduceerd tot een dossiernummer, hun bestaan tot een probleem dat weggewerkt moet worden.
Het lot van talloze mensen van Haïtiaanse afkomst in de Dominicaanse Republiek staat opnieuw op losse schroeven. Al decennialang steken Haïtianen de grens over, op zoek naar werk en een menswaardiger bestaan. Lange tijd kregen hun kinderen automatisch de Dominicaanse nationaliteit, maar dat beleid is de afgelopen jaren radicaal veranderd. Nu dreigen honderdduizenden mensen zonder papieren het land uitgezet te worden. Alleen al dit jaar zijn meer dan 12.000 Haïtianen teruggestuurd. Velen belandden in de grensstreek, waar basisvoorzieningen zoals drinkwater, voedsel en gezondheidszorg nauwelijks aanwezig zijn.
De crisis draait niet enkel om migratie, maar weerspiegelt ook diepgewortelde xenofobie en politiek opportunisme. De gespannen verhouding tussen beide landen gaat terug tot de koloniale tijd en heeft altijd een raciale dimensie gekend. Tegen die achtergrond is de huidige strijd over burgerschap en verblijfsstatus uitgegroeid tot een humanitaire noodsituatie.
Een keerpunt kwam in 2013, toen het Constitutionele Hof besliste dat kinderen van migranten zonder papieren, zelfs als zij in de Dominicaanse Republiek geboren waren, hun nationaliteit verloren. Wat bedoeld was als een middel om ‘illegale migratie te bestrijden’, veranderde duizenden mensen in staatlozen. Sindsdien verkeren naar schatting 250.000 Dominicanen van Haïtiaanse afkomst in een juridisch vacuüm. Het regularisatieplan dat de regering opstelde, bleek onuitvoerbaar: veel migranten moesten documenten overleggen die nooit zijn uitgegeven of in afgelegen dorpen onbereikbaar waren.
De motieven achter dit beleid zijn complex. Critici stellen dat het vooral draait om electorale winst: door het aantal Haïtianen te beperken hopen politici steun te vergaren. Daarbij speelt ook de historische discriminatie tegen Haïtianen een rol.
Intussen proberen hulporganisaties de ergste noden te lenigen. Handicap International inventariseert de behoeften van honderden teruggestuurde Haïtianen die in zelfgebouwde hutjes verblijven. Het tekort aan voedsel, schoon water en medische zorg is nijpend en dreigt uit te monden in nieuwe problemen zoals vervuiling en spanningen met lokale gemeenschappen.
Ook internationaal klinkt kritiek. De Verenigde Naties, de VS en verschillende Caribische landen hebben hun zorgen uitgesproken. Hoewel president Danilo Medina beloofde grootschalige uitzettingen uit te stellen, bereiden migratieautoriteiten zich intussen wel voor met bussen en opvanglocaties. Velen vrezen dat deportaties niet in één klap zullen plaatsvinden, maar in kleinere golven—waardoor de crisis sluipender, maar niet minder ingrijpend zal worden.
Het groeiende wantrouwen wordt versterkt door geweld. De recente lynchpartij van een jonge Haïtiaanse man onderstreepte opnieuw de spanningen en de diepliggende vijandigheid tussen beide bevolkingsgroepen.
Wat er met de mensen zonder verblijfsstatus gaat gebeuren, blijft onzeker. Maar duidelijk is dat de huidige aanpak niet enkel leidt tot humanitair leed, maar ook de historische breuklijnen tussen Haïti en de Dominicaanse Republiek verder verdiept.