Groep verschillende Amsterdammers staat samen op een brug in Amsterdam, met grachtenpanden, fietsen en een tram op de achtergrond.
Niet één ‘gewone Amsterdammer’, maar een stad vol verschillende mensen, levens en belangen.

De ‘gewone Amsterdammer’ als politiek wapen

In campagnetijd keert hij altijd terug: de gemiddelde Amsterdammer. Hij loopt door interviews, slogans en debatavonden alsof iedereen meteen weet over wie het gaat. Alsof er ergens tussen de koopappartementen, de wachtlijsten, de toeristenstromen, de kantoorpanden en de overvolle terrassen één figuur bestaat die namens de rest kan spreken. Juist daarom is hij politiek zo bruikbaar, want wie hem opvoert hoeft hem niet te definiëren.

Dat zie je scherp in de manier waarop JA21 zich in Amsterdam neerzet. De partij bouwt aan een herkenbaar patroon van anti-linkse retoriek, slachtofferschap van de zogenaamd gewone Amsterdammer en een zwaar veiligheidsframe. Dat zijn geen losse standpunten, maar een politieke stijl die niet begint bij de vraag hoe een stad met woningnood, ongelijkheid en publieke schaarste eerlijker ingericht kan worden. Ze begint bij een gevoel van verlies: de stad zou zijn afgepakt, links zou daarvoor verantwoordelijk zijn en nu zou iemand eindelijk de orde moeten herstellen.

Precies daarom loont het om dit verhaal rustig uit elkaar te halen.

Steun vrheid.nl op Substack

Wie bedoelen ze met de ‘gemiddelde Amsterdammer’?

Wanneer een politicus zegt dat de gemiddelde Amsterdammer door links beleid is geslagen of buitenspel is gezet, gebeurt er iets slims. Er wordt een meerderheid opgeroepen zonder dat die ooit scherp omlijnd hoeft te worden. Er wordt gedaan alsof er een vanzelfsprekend wij bestaat, terwijl dat wij in werkelijkheid heel selectief wordt samengesteld.

Amsterdam is geen homogene stad en is dat ook nooit geweest. De stad bestaat uit mensen met radicaal verschillende inkomens, rechten, kwetsbaarheden en belangen. De huiseigenaar in Zuid, de buschauffeur in Nieuw-West, de student die van onderhuur naar onderhuur schuift, de alleenstaande moeder op de wachtlijst voor een sociale huurwoning, de winkelier die de huur ziet stijgen, de schoonmaker zonder vaste papieren, de jonge leraar die geen woning kan vinden: ze leven in dezelfde stad, maar niet in dezelfde werkelijkheid.

Precies dat verschil wordt in dit soort retoriek gladgestreken. De gemiddelde Amsterdammer blijft bewust vaag, omdat die vaagheid politiek rendement oplevert en mensen zichzelf makkelijker in dat beeld kunnen projecteren. Tegelijk is meestal wel duidelijk wie niet wordt bedoeld. De figuur van de gewone Amsterdammer ontstaat vaak in tegenstelling tot anderen: activisten, ambtenaren, nieuwkomers, mensen die afhankelijk zijn van collectieve voorzieningen, of bewoners die als lastig, luid of afwijkend worden neergezet.

Wat dan verschijnt, is geen neutraal stadsportret maar een hiërarchie waarin sommige bewoners gelden als normaal en beschermwaardig, terwijl anderen worden behandeld als verstoring, risico of bijzaak. Het gaat dus om taal én om macht. Wie als gewoon wordt gepresenteerd, krijgt vanzelf meer politieke geloofwaardigheid dan wie als probleem wordt geframed.

Van welke stad mogen we heimwee hebben?

Bij dat frame hoort bijna altijd nog iets anders: het verhaal dat Amsterdam ooit vrijer, ruimdenkender en herkenbaarder was, maar dat die stad door links bestuur verloren is gegaan. Dat klinkt aantrekkelijk, juist omdat veel mensen echte vervreemding ervaren. Maar de vraag is waardoor die vervreemding ontstaat.

Wie eerlijk kijkt, ziet geen stad die vooral is dichtgeregeld door een abstract links project. Je ziet een stad die al jaren onder druk staat van vastgoedbelangen, toeristische exploitatie, stijgende huren, speculatie en de commercialisering van openbare ruimte. Veel regels waar rechts zich nu tegen afzet, zijn niet ontstaan uit ideologische hobby’s, maar uit materiële schaarste in een extreem populaire en ongelijk georganiseerde stad.

De nostalgie naar de stad zoals die ooit was, doet daarom iets sluws. Ze vervangt analyse door heimwee. Ze suggereert een gedeeld verleden waarin vrijheid voor iedereen beschikbaar was, terwijl die vrijheid altijd ongelijk verdeeld is geweest. Voor de één betekende Amsterdam ruimte om bezit op te bouwen, uit te gaan en te ondernemen. Voor de ander betekende dezelfde stad vooral krap wonen, hard werken, politiecontrole of telkens opnieuw vechten om niet te worden weggedrukt.

Nostalgie is geen onschuldig gevoel, maar een politieke keuze. Ze maakt structurele oorzaken wazig. Als de stad simpelweg niet meer is wat ze was, dan hoef je minder precies te benoemen wie profiteert van de uitverkoop van buurten, wie de prijs van de woningmarkt betaalt en hoe publieke ruimte steeds vaker moet wijken voor kapitaal.

Waarom de gemeente als vijand wordt neergezet

Een derde lijn in deze campagne is de aanval op de gemeente zelf, of preciezer: op het beeld van de gemeente als een log apparaat dat tegenover bewoners zou staan. Het idee om de Stopera te slopen is daar een helder voorbeeld van. Niet omdat het een serieus stedenbouwkundig voorstel is, maar omdat het als politieke symboliek perfect werkt. Het zegt: daar zit het probleem, daar zit een bestuur dat niet luistert, daar zit een klasse van ambtenaren en bestuurders die losgezongen is van het leven in de stad.

Dat is een bekend rechts-populistisch schema. Gewone mensen aan de ene kant, de bestuurlijke machine aan de andere. Zo’n tegenstelling slaat aan omdat veel bewoners inderdaad ervaren dat besluiten over hun buurt, woning of straat ver weg worden genomen. Maar juist dan moet je preciezer zijn. Want bureaucratie valt niet uit de lucht. Achter bestuurlijke keuzes zitten ontwikkelaars, beleggers, lobby’s, nationale wetgeving, begrotingsdwang en politieke verhoudingen.

Wie alleen roept dat de gemeente het probleem is, maakt het beeld tegelijk groter en platter: een heel apparaat wordt tot vijand gemaakt, terwijl de structuren erachter verdwijnen. En daarmee verschuift ook de woede. Niet naar speculatie, privatisering of de afbraak van publieke voorzieningen, maar naar een vaag anti-overheidsgevoel dat rechts vervolgens kan benutten voor minder democratische controle en meer repressieve daadkracht.

Hoe veiligheid wordt gebruikt om uit te sluiten

Het veiligheidsframe sluit daar naadloos op aan. Veiligheid werkt politiek bijna altijd, juist omdat niemand er openlijk tegen kan zijn. Maar beslissend is wie erdoor beschermd wordt, tegen wie en tegen welke prijs.

In de retoriek van JA21 wordt veiligheid regelmatig gekoppeld aan migratie, asiel en culturele dreiging. Dat gebeurt meestal niet heel direct, maar via voorbeelden, incidenten en suggestieve verbanden. Een opvanglocatie, een conflict in een wijk, een straatincident: het wordt opgevoerd als bewijs van iets groters. Daarna volgt de politieke sprong van situatie naar bevolkingsgroep, van incident naar structuur, van angst naar beleidsrichting.

Steeds weer keren vrouwenrechten en queer veiligheid terug als instrument om migratiekritiek geloofwaardig te maken. Zorg om femicide, straatintimidatie of geweld wordt dan vooral zichtbaar wanneer die kan worden ingezet tegen asielzoekers, moslims of andere gestigmatiseerde groepen. Dat is geen principiële verdediging van veiligheid, maar een selectieve politiek van bescherming.

Wie vrouwenveiligheid werkelijk centraal stelt, moet het hebben over partnergeweld, economische afhankelijkheid, ontoegankelijke opvang, onderfinanciering van hulpverlening en een rechtsstaat die slachtoffers nog te vaak laat bungelen. Wie queer veiligheid serieus neemt, moet het hebben over geweld thuis, op school, op het werk en op straat, en over de georganiseerde haat die online en offline groeit. Zodra veiligheid alleen naar buiten wijst, naar de ander, naar de vreemdeling, wordt het geen gedeeld recht meer maar een instrument van uitsluiting.

Waarom de middenklasse steeds het middelpunt moet zijn

Ook op het terrein van wonen zie je hoe slim en beperkt deze retoriek is. JA21 spreekt, net als VVD en delen van D66, graag over de middenklasse die de stad uit wordt gedrukt. Daarmee raakt de partij een reëel probleem: Amsterdam is voor heel veel mensen onbetaalbaar geworden en leraren, verpleegkundigen, sociale werkers, makers en jonge gezinnen vinden nauwelijks nog een plek.

Maar juist dan moet je kijken welke oplossing er wordt aangeboden. De stap van er is een wooncrisis naar dus moeten we minder nadruk leggen op sociale woningbouw en meer op koop en middensegment is geen neutrale redenering. Het is een politieke keuze. En meestal is het een keuze die de woningmarkt niet bevrijdt van kapitaal, maar haar opnieuw ordent in het voordeel van bezit.

De wooncrisis is niet ontstaan doordat er te veel sociale woningen zijn, maar doordat wonen steeds verder is behandeld als investeringsobject. Wie verdringing echt wil bestrijden, moet speculatie inperken, huurders beschermen, de sociale voorraad uitbreiden en wonen weer als recht benaderen in plaats van als marktpositie. Dat vraagt niet alleen om meer regulering, maar ook om publiek eigendom en democratische sturing. Juist daarom is het idee van een gemeentelijk woonbedrijf politiek interessant: het verschuift de vraag van hoe de markt beter kan functioneren naar hoe de stad zelf weer permanente betaalbare huurwoningen kan bouwen en in publieke handen kan houden. De Vonk zet precies daar op in, met een gemeentelijk woonbedrijf voor grootschalige bouw, een verbod op de verkoop van sociale huur en de eis dat middenhuur blijvend betaalbaar blijft. Zodra de middenklasse het centrale morele onderwerp wordt, verdwijnen de mensen daaronder opnieuw uit beeld: bewoners op wachtlijsten, mensen in flexwerk, jongeren zonder rijke ouders, ongedocumenteerden, mensen die allang geen toegang meer hebben tot welk segment dan ook.

Daar zit de politieke grens van deze benadering. Ze erkent dat mensen onder druk staan, maar weigert de economische orde te benoemen die die druk voortbrengt.

Oppositie als strategie, niet als oplossing

Wat deze stijl verder typeert, is dat ze nauwelijks afhankelijk is van bestuurlijke haalbaarheid. De provocatie is vaak de methode: niet om de stad beter te begrijpen of tegenstrijdigheden op te lossen, maar om het debat zo te verschuiven dat rechts er politiek winst uit haalt.

Voor partijen die verwachten in de oppositie te blijven, of daar in elk geval electoraal goed op gedijen, is dat een logische strategie. Ze hoeven de woningnood niet op te lossen zolang ze het gevoel kunnen versterken dat iemand anders haar heeft veroorzaakt. Ze hoeven onveiligheid niet structureel terug te dringen zolang ze angst selectief kunnen verdelen. Ze hoeven de stad niet democratischer te maken zolang ze wantrouwen tegenover bestuur kunnen oogsten.

Dat maakt deze politiek niet onschuldig. Veel mensen die op zulke partijen afkomen, voelen echte onzekerheid, boosheid en vervreemding. Juist daarom moet je dit patroon serieus nemen: niet omdat de analyse van rechts zo sterk is, maar omdat ze aansluiting vindt bij ervaringen van verlies waar links te vaak technocratisch of afstandelijk op reageert.

Wat er in Amsterdam werkelijk op het spel staat

De Amsterdamse rechterflank probeert zich dus niet alleen neer te zetten als harder of realistischer dan het stadsbestuur. Ze probeert het gevoel van de stad zelf opnieuw te verdelen. Wie hoort erbij, wie geldt als normaal, wie wordt beschermd, wiens angst telt, en wie mag worden opgeofferd in naam van orde en herkenbaarheid?

Daarom is het niet genoeg om deze retoriek alleen feitelijk te weerspreken, al blijft feitelijkheid nodig. Je moet ook laten zien wat ze doet: van ongelijkheid maakt ze een cultureel conflict, van materiële schaarste een verhaal over identiteit en ressentiment, en van bestuurlijke vervreemding een afrekening met links, terwijl de diepste oorzaken vaak liggen in een stad die steeds verder is ingericht naar de eisen van markt, bezit en controle.

En precies daar ligt ook een opdracht voor links, of breder: voor iedereen die de stad socialer, eerlijker en democratischer wil maken. Niet door de taal van angst over te nemen, maar door scherper te benoemen waar de breuklijnen werkelijk lopen. Niet tussen gewone mensen en een abstract vijandbeeld, maar tussen wonen als recht en wonen als verdienmodel, tussen publieke ruimte en commerciële exploitatie, tussen solidariteit en zondebokpolitiek, tussen veiligheid als gemeenschappelijk goed en veiligheid als excuus voor uitsluiting.

Amsterdam verdient beter dan een campagne die doet alsof de stad gered kan worden door haar bewoners tegen elkaar uit te spelen. Wie werkelijk naast gewone Amsterdammers wil staan, moet beginnen met erkennen dat er niet één gewone Amsterdammer bestaat. Er zijn wel heel veel mensen die te veel betalen, te weinig zekerheid hebben en telkens opnieuw krijgen uitgelegd dat hun problemen veroorzaakt worden door mensen met nog minder macht. Daar moet het verzet beginnen: niet bij nostalgie, niet bij ordezucht, maar bij solidariteit die durft te benoemen wie profiteert en wie betaalt.

Vond je dit een interessant artikel?

Help ons Groeien

Aanbevolen voor jou