Vier jonge activisten met gezichtsbedekking staan dicht bij elkaar tijdens een protest, met rood-zwarte vlaggen op de achtergrond en vuur op de voorgrond.
Jonge demonstranten in Athene, omringd door rook en vlaggen, tijdens een moment van collectief verzet.

Hoe autoritaire logica links binnensluipt

Op 15 november werd op het terrein van de Polytechnische Universiteit in Athene een groep anti-autoritaire studenten aangevallen door leden van de maoïstische organisatie ARAS. De aanval was georganiseerd en doelgericht: de campuspoorten werden gesloten, er werd een cordon gevormd en meerdere mensen raakten ernstig gewond.

Enkele dagen later, op 17 november, trokken duizenden mensen door Athene ter herdenking van de studentenopstand van 1973 tegen de militaire dictatuur. Meer dan zesduizend agenten werden ingezet, de route werd afgesloten met pantservoertuigen en tientallen mensen werden preventief opgepakt.

Samen vormen deze gebeurtenissen geen losstaande incidenten, maar een momentopname van een bredere politieke verschuiving: een klimaat waarin repressie normaliseert en waarin ook delen van links steeds vaker hiërarchische en disciplinerende vormen aannemen.

Steun vrheid.nl op Substack

Elke 17 november herdenkt Griekenland de studentenopstand van 1973, toen jonge mensen opstonden tegen de militaire dictatuur en daarvoor met hun leven betaalden. Die herdenking is nooit alleen ceremonieel geweest. Ze is rauw, politiek, onvoltooid. Een moment waarop de vraag telkens terugkomt: wie heeft het recht om geschiedenis te dragen – en naar welke toekomst wijst die?

Dit jaar werd die vraag met geweld beantwoord. Dit geweld was geen toeval of escalatie ter plekke, maar een bewuste poging om controle af te dwingen over een symbolische ruimte. Dit was geen botsing van meningen. Dit was een machtsdemonstratie.

Wie fysieke ruimte controleert, controleert betekenis. De Polytechnische Universiteit is geen neutraal terrein; ze is een symbool. Die betekenis ontstond niet achteraf, maar ter plekke. In november 1973 werd de universiteit bezet door studenten die zich openlijk organiseerden tegen de militaire dictatuur. Ze richtten een illegaal radiostation op, riepen op tot stakingen en maakten van de campus een publiek, collectief strijdtoneel. Toen het leger de opstand neersloeg en er doden vielen, werd de Polytechnische Universiteit onuitwisbaar verbonden met ongehoorzaamheid en zelforganisatie.

Na de val van de dictatuur bleef die erfenis doorwerken. Jarenlang was politieoptreden op universiteitscampussen juridisch beperkt en politiek explosief. Niet omdat de staat zijn macht had opgegeven, maar omdat iedereen wist wat het betreden van deze ruimte betekende. De campus werd een toevluchtsoord voor studenten, anti-autoritaire groepen, migranten en zorgnetwerken. Ze bleef open door gebruik, niet door toestemming.

Juist daarom staat er vandaag zoveel op het spel. Wie daar de baas is, eigent zich niet alleen een gebouw toe, maar ook de herinnering aan verzet – en daarmee het recht om te bepalen hoe strijd eruit mag zien. Het is een dynamiek die in Nederland herkenbaar is uit de geschiedenis van universiteitsbezettingen en de kraakbeweging: plekken die door strijd betekenis kregen en telkens opnieuw worden teruggevorderd zodra die betekenis te ontregelend wordt.

ARAS is een relatief kleine, maar goed georganiseerde maoïstische formatie die actief is binnen universiteiten en delen van de studentenbeweging. Ze positioneert zich als revolutionair en anti-imperialistisch, maar opereert in de praktijk sterk hiërarchisch, met een gesloten kaderstructuur en een nadruk op discipline en politieke lijn.

Al jaren probeert ARAS dominante posities te veroveren binnen studentenraden en mobilisaties. Dat gebeurt niet door open debat, maar door controle over vergaderingen, fysieke aanwezigheid en organisatorische infrastructuur. Afwijking wordt gezien als bedreiging; kritiek als ondermijning. Wie buiten de lijn valt, wordt verdacht gemaakt. Wie de orde verstoort, zou de vijand helpen.

Het is een taal die we kennen. Ook hier. Van partijen, bestuurders, soms zelfs van activisten die te lang hebben geloofd dat macht iets is wat je kunt gebruiken zonder erdoor te worden gevormd. In Nederland horen we dezelfde woorden terug wanneer universiteitsbesturen samen met politie optrekken tegen bezettingen, wanneer kraakpanden onder het mom van veiligheid worden ontruimd, of wanneer protest wordt gesorteerd in ‘verantwoord’ en ‘onverantwoord’. Het vocabulaire verschilt, de logica niet.

Om te begrijpen waarom dit nu gebeurt, moeten we terug naar 2008. Dat jaar brak in Griekenland een brede jongerenopstand uit na de politiegewelddadige dood van een zestienjarige scholier, Alexis Grigoropoulos, die in december 2008 in Athene werd doodgeschoten door een agent.

Het incident zelf was in formele zin klein: een woordenwisseling, een agent die zijn wapen trok, een schot. Maar het vond plaats in een context waarin politiegeweld tegen jongeren al jaren opliep en zelden gevolgen had. De agent handelde niet uit directe noodzaak; later werd hij veroordeeld voor onrechtmatig dodelijk geweld. Juist die banaliteit — geen grote confrontatie, geen uitzonderlijke dreiging — maakte het herkenbaar en explosief.

Zijn dood werkte als een vonk in een samenleving die al onder druk stond door jeugdwerkloosheid, repressie en een diep wantrouwen tegenover politie en politiek. Wekenlang waren straten, universiteiten en pleinen het toneel van ongecontroleerd, collectief verzet. Het was geen strak geleide beweging, maar een explosie van woede, verbeelding en zelforganisatie die de politieke orde zichtbaar deed wankelen. Voor de politieke klasse was dit moment angstaanjagend precies omdat het niet te sturen was.

Daarna volgde de lange kater. De jaren van bezuinigingen, dictaten van bovenaf, en uiteindelijk de illusie van links bestuur dat eindigde in technocratisch beheer en gebroken beloften. Hoop werd ingeruild voor management. Strijd voor stabiliteit.

Vervolgens zette een harde restauratie in. Meer politie. Meer repressie. Meer ontruimingen van politieke ruimtes, ook binnen universiteiten. Altijd onder hetzelfde verhaal: veiligheid, orde, onvermijdelijkheid. Het is dezelfde logica die we in Amsterdam zagen bij de ontruiming van kraakpanden, bij de criminalisering van klimaat- en studentenprotest, en bij de bestuurlijke reflex om elk conflict te beantwoorden met handhaving in plaats van dialoog.

In zo’n klimaat gebeurt iets verraderlijks. Niet alleen de staat verhardt; ook delen van links nemen die logica over. Ze worden interne ordehandhavers: buffers die woede absorberen en afbuigen. Niet om te bevrijden, maar om te overleven binnen een veld dat steeds nauwer wordt.

De aanval op de Polytechnische Universiteit liet zien waar dat toe leidt: niet alleen tot sectarisch geweld, maar tot een politieke cultuur die doordrenkt is van hiërarchische en patriarchale commandostructuren. De overtuiging dat kracht gelijkstaat aan controle, en dat ‘eenheid’ betekent dat je zwijgt.

Het is belangrijk dit scherp te onderscheiden van collectieve zelfverdediging. De Polytechnische Universiteit is decennialang opengehouden door mensen die weigerden zich te onderwerpen. Ze bezetten, verdedigden zich, bouwden zorgstructuren onder druk. Hun militantie was collectief, relationeel, gericht op bescherming.

Wat ARAS liet zien was iets anders. Geen verdediging, maar dominantie. Geen zorg, maar controle. Een autoritair toneelstuk vermomd als discipline. En precies daarin schuilt het gevaar.

Politieke formaties die hiërarchie en patriarchale bevelsculturen normaliseren, echoën niet alleen staatsgeweld – ze legitimeren het. Ze maken het voorstelbaar. Ze oefenen het alvast. Wanneer een mannelijk geleide groep een universiteit bestormt alsof het een privé-politie is, wordt zij een verlengstuk van de repressie die de overheid al jaren opvoert. Dan klinkt ineens dezelfde boodschap, in andere woorden: orde moet worden hersteld. Alternatieven zijn gevaarlijk. Er is geen alternatief.

Geen meesters - geen slaven

Als bewegingen deze autoritaire fase willen overleven – de criminalisering van protest, het theater van de ‘goede’ en ‘slechte’ demonstrant, de disciplinering van jongeren – dan moeten we verder kijken dan daders en slachtoffers. Niet door zuiveringen of vendetta’s. Die reproduceren alleen dezelfde machtslogica. Maar door binnen onze eigen ruimtes geen ruimte te laten voor hiërarchie, macho-politiek en bevelshoudingen. Door conflicten serieus te nemen zonder ze te militariseren. Door rechtvaardigheid te zien als iets dat bevrijdt, niet als iets dat straft. Dat is geen zachte optie. Dat is de enige manier waarop strijd niet omslaat in zijn tegendeel.

De opstand van 1973 leeft voort omdat zij rommelig was. Meerstemmig. Ongehoorzaam. Zonder centrale leiding die besliste wie mocht spreken of hoe verzet eruit moest zien.

Wat er dit jaar gebeurde was geen voortzetting van die geest, maar een ontering ervan. Een trouwe imitatie van staatslogica, uitgevoerd door mensen die zeggen haar te bestrijden.

Onze taak is groter dan het verdedigen van ruimtes tegen politie en beleid. We moeten ook onze politieke cultuur verdedigen tegen interne rot. Dat geldt net zo goed voor bewegingen hier, in steden waar verzet zich afspeelt in buurthuizen, op campussen, in gekraakte panden en op pleinen die steeds vaker onder permanent toezicht staan.

Geen enkele beweging die autoritarisme duldt – van bovenaf of van binnenuit – kan ooit de wereld bouwen die zij zegt te willen.

Vond je dit een interessant artikel?

Help ons Groeien

Aanbevolen voor jou