Mijnwerkers en arbeiders marcheren gezamenlijk door de straten van La Paz tijdens de algemene staking tegen Decreet 5503.
Mijnwerkers en arbeiders trekken massaal door La Paz uit protest tegen het schrappen van brandstofsubsidies en neoliberale hervormingen.

Bolivia: brandstof, macht en de oude vraag wie betaalt

Vlak voor Kerstmis. Terwijl veel mensen zich terugtrekken rond familie en eten, lopen in Bolivia duizenden werkenden de straat op. Niet uit ritueel. Niet alleen voor zichtbaarheid. Maar omdat hun bestaanszekerheid opnieuw inzet is geworden van een machtsstrijd die diep verankerd ligt in de recente geschiedenis van het land.

Om te begrijpen wat er nu gebeurt, moeten we terug. Naar de opkomst van de MAS-regeringen begin deze eeuw, toen inheemse bewegingen, mijnwerkers en stedelijke arbeiders na decennia van neoliberale ontmanteling politieke macht afdwongen. Onder linkse regeringen werd ingezet op herverdeling, publieke controle over gas, mijnbouw en energie, en sociale programma’s die armoede en extreme ongelijkheid terugdrongen. Die periode was rommelig, conflictueus en verre van foutloos — maar ze brak met het idee dat Bolivia er primair was voor buitenlandse bedrijven en lokale elites.

Die breuk riep tegenkrachten op. In 2019 escaleerde dat in een institutionele crisis waarin politie en leger openlijk druk uitoefenden op de regering. Wat volgde was geen klassieke staatsgreep met tanks op straat, maar een ‘constitutionele’ machtswisseling waarin militaire aanwezigheid, rechterlijke manoeuvres en internationale erkenning samen het speelveld kantelden. Het leger bleef formeel op afstand, maar fungeerde als stille grens: tot hier en niet verder.

Steun vrheid.nl op Substack

De huidige regering van president Rodrigo Paz Pereira staat in diezelfde lijn. Zij presenteert zich als herstel van orde na jaren van ‘chaos’, maar haar legitimiteit rust minder op sociale steun dan op beloftes aan investeerders, financiële instellingen en geopolitieke bondgenoten. Waar eerdere regeringen hun draagvlak zochten in verkiezingen én straatmobilisatie, zoekt deze regering het in rust voor kapitaal.

Daarmee sluit Bolivia weer aan bij een bredere neoliberale restauratie in Latijns-Amerika. Van Chili tot Ecuador en van Peru tot Argentinië zien we vergelijkbare patronen: sociale verworvenheden worden teruggedraaid, subsidies afgebouwd, arbeid flexibeler gemaakt en strategische sectoren opnieuw opengesteld voor private en buitenlandse belangen. Steeds onder dezelfde vlag: noodzakelijke hervormingen, onvermijdelijke offers, geen alternatief.

In dat proces speelt de Verenigde Staten geen neutrale rol. Niet als openlijke coup‑organisator, maar als constante machtsfactor op de achtergrond. Historisch gezien is Bolivia vaker geconfronteerd met momenten waarop Washington politieke ‘stabiliteit’ definieerde als voorspelbaarheid voor investeerders en toegang tot grondstoffen. Wanneer linkse regeringen die logica doorbraken — door nationalisaties, door inheemse autonomie, door sociale herverdeling — volgde steevast druk: diplomatiek, economisch, soms militair impliciet.

De institutionele crisis van 2019 past in dat patroon. Geen klassieke staatsgreep, maar een machtsverschuiving waarin internationale erkenning, financiële signalen en de afwachtende aanwezigheid van leger en politie samen de uitkomst bepaalden. Sindsdien is de ruimte voor een zelfstandig sociaal‑economisch project kleiner geworden. De huidige regering beweegt zichtbaar richting hernieuwde normalisering met Washington, juist op het moment dat de Verenigde Staten hun greep op Latijns‑Amerika proberen te verstevigen — mede in reactie op Venezuela en de groeiende invloed van China.

Die context maakt Decreet 5503 geen op zichzelf staande maatregel, maar onderdeel van een geopolitieke herpositionering. Brandstofsubsidies, publieke controle en sociale buffers gelden daarin als obstakels, niet als verworvenheden. Wat voor werkenden wordt gepresenteerd als noodzakelijke soberheid, is voor internationale spelers vooral een signaal: Bolivia is weer ‘open for business’.

Tegen die achtergrond moet Decreet 5503 worden gelezen. Het besluit schrapt brandstofsubsidies die onder de vorige linkse regering waren ingevoerd als sociaal vangnet. De gevolgen zijn direct en hard: benzine wordt naar verwachting 86 procent duurder, diesel zelfs 162 procent. In een land waar transport, voedselprijzen en werk onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, is dat geen technische maatregel. Het is een sociale schok.

Wie betaalt de rekening?

De afschaffing van subsidies staat niet op zichzelf. Tegelijkertijd worden belastingen op groot kapitaal verlaagd, krijgen buitenlandse investeerders een automatische goedkeuring binnen dertig dagen, en worden transnationale bedrijven in mijnbouw en energie vijftien jaar lang juridisch beschermd. Het is een pakket dat duidelijk maakt wie wordt ontzien — en wie niet.

Vakbonden en sociale organisaties spreken van een herverdeling van onder naar boven en van het openzetten van Bolivia’s natuurlijke rijkdommen voor externe belangen. Kritische economen wijzen erop dat het decreet tot stand kwam na overleg met Amerikaanse staats- en financieringsinstellingen. Dat voedt een oude, maar nooit opgeloste vraag: voor wie worden Bolivia’s strategische hulpbronnen eigenlijk beheerd?

De straat als tegenmacht

De reactie kwam snel en massaal. Op 22 december trokken duizenden mijnwerkers, cocaboeren en arbeiders naar het regeringscentrum in La Paz. Ze kwamen uit El Alto, uit mijnregio’s, uit het hele land. De mobilisatie liet opnieuw zien waar Bolivia historisch sterk in is: georganiseerde arbeidersmacht die zich niet laat verdelen.

Zes van de negen departementen kregen te maken met wegblokkades. In Cochabamba sloten fabrieksarbeiders en transportbonden belangrijke verbindingswegen af. In Potosí waarschuwden regionale leiders dat de acties zullen worden opgevoerd zolang het decreet niet wordt ingetrokken.

De staking wordt gedragen door de Central Obrera Boliviana (COB), samen met mijnbouwcoöperaties en andere sectorale bonden. De hoofdstad raakte effectief verlamd. Niet door chaos, maar door collectieve organisatie.

‘Dit verkoopt ons land’

Vakbondsleiders zijn ongebruikelijk eensgezind. Het decreet, zeggen zij, maakt de rijken rijker en de armen armer. Het verkoopt bedrijven, grondstoffen en toekomst. Vooral kleine en middelgrote mijnbedrijven worden geraakt: hogere brandstofprijzen betekenen hogere productiekosten, banenverlies en directe armoede onder werkenden.

De regering probeert de druk te breken via selectieve onderhandelingen, gesprekken met afzonderlijke sectoren en mediacampagnes tegen de stakers. Het vertrouwen is echter broos. Toen vakbondsleiders arriveerden bij het presidentieel paleis voor overleg, bleken president en ministers afwezig. Voor veel werkenden was dat geen misverstand, maar een boodschap.

Geen stap terug zonder intrekking

De COB heeft bevestigd dat de algemene staking wordt voortgezet zolang Decreet 5503 van kracht blijft. Overleg is mogelijk, maar niet achter de rug van de achterban. Besluiten moeten worden gedragen in fabrieksvergaderingen, strijdcomités en territoriale coördinatie.

Er wordt inmiddels gesproken over een verharding van de actievormen: minder symbolische marsen, meer langdurige blokkades van het nationale wegennet. De regering overweegt ondertussen symbolische concessies, zelfs een nationale vrije dag om de woede te temperen. Maar de bonden blijven staan.

Dit conflict gaat niet alleen over brandstofprijzen. Het gaat over wie betaalt voor zogenoemde hervormingen. Over wie mag beslissen. En over een samenleving die weigert gereduceerd te worden tot kostenpost in andermans economische rekensom. De vraag ligt open op straat. En Bolivia antwoordt collectief.

Vond je dit een interessant artikel?

Help ons Groeien

Aanbevolen voor jou