Een groep mensen die in een stadsstraat hun vuisten omhoog steken met een rood lint dat als een rode draad door het beeld loopt
Een groep mensen steekt hun vuisten omhoog, terwijl een rood lint hen verbindt als symbool van solidariteit en strijd

Vrijheid als rode draad

8 minutes, 30 seconds Read

In de werken van Karl Marx en Friedrich Engels draait alles om de volledige bevrijding van de mens, met vrijheid als kern. Vrijheid wordt echter niet opgevat als een abstract ideaal, maar als iets wat in de maatschappelijke werkelijkheid moet worden gerealiseerd. Waar eerdere filosofen, zoals Hegel en Feuerbach, vrijheid vooral als idee of moreel ideaal zagen, leggen Marx en Engels de nadruk op de noodzaak van sociale strijd en economische verandering om ware vrijheid te bereiken.

Dialectiek en Actief Ingrijpen

Marx neemt de dialectische methode van Hegel over, maar hij bekritiseert Hegels filosofie omdat die volgens hem te veel in de sfeer van abstracte ideeën blijft steken. Hegel zag de ontwikkeling van vrijheid vooral als een kwestie van denken en begrip, waarbij de wereld als een soort logische manifestatie van het idee wordt opgevat. Marx daarentegen benadrukt dat vrijheid niet alleen in het denken kan worden gevonden, maar vooral voortkomt uit de concrete materiële processen en de manier waarop mensen in de samenleving met elkaar omgaan. Hij stelt dat ideeën altijd hun wortels hebben in de sociale en economische verhoudingen waarin mensen leven.

Voor Marx betekent dit dat vrijheid niet simpelweg kan worden afgeleid uit mooie woorden of zuivere begrippen. Werkelijke vrijheid vereist ingrijpen in de maatschappij zelf, in de manier waarop arbeid, bezit en macht georganiseerd zijn. Het is een voortdurend proces van maatschappelijke verandering en persoonlijke betrokkenheid – een beweging die niet stil kan blijven staan. Alleen door de materiële werkelijkheid van productie en sociale verhoudingen te veranderen, kan vrijheid echt worden gerealiseerd en kan de mens zich bevrijden van vervreemding en onderdrukking.

Blijf op de hoogte van radicale stemmen en kritische publicaties – volg vrheid.nl op Substack.

Vrijheid als Proces

Marx en Engels zien vrijheid niet als een vastomlijnd en eenduidig einddoel dat ooit volledig bereikt kan worden, maar juist als een levendig en voortdurend veranderend proces. Volgens hen komt vrijheid niet zomaar voort uit morele ideeën of mooie theorieën; ze groeit uit de werkelijke strijd om tegenstellingen in de samenleving te overwinnen. Dit zijn tegenstellingen zoals die tussen persoonlijke vrijheid en maatschappelijke onvrijheid, of de spanning tussen vrijheid en vervreemding in de arbeid.

Het communisme beschouwen Marx en Engels als de maatschappijvorm waarin deze tegenstellingen opgeheven kunnen worden – of in elk geval drastisch verminderd. Maar opvallend genoeg geven ze zelf geen uitgewerkt schema of blauwdruk van hoe deze samenleving er precies uit zal zien. Ze zijn zelfs heel kritisch over utopische visies die een soort kant-en-klaar beeld schetsen van een ideale wereld. Marx en Engels waarschuwen dat vrijheid niet iets is wat simpelweg kan worden gepland of voorspeld. Ze benadrukken dat vrijheid steeds opnieuw moet worden bevochten en vormgegeven in de praktijk en in de concrete historische omstandigheden waarin mensen leven.

Materiële Basis en Sociale Verhoudingen

Vrijheid kan volgens Marx en Engels nooit bestaan zonder een materiële basis. Eigendom, rechten en zelfstandigheid zijn noodzakelijk om überhaupt keuzes te kunnen maken en je eigen leven vorm te geven. Deze materiële voorwaarden vormen dus een fundamenteel beginpunt. Maar daarmee houdt het niet op. Marx en Engels benadrukken dat dit slechts een voorwaarde is, geen garantie voor echte vrijheid.

Pas wanneer mensen daadwerkelijk zeggenschap krijgen over hun eigen arbeid en over de maatschappelijke verhoudingen waarin zij leven, kan er sprake zijn van ware handelingsvrijheid. Het gaat dan niet alleen om abstracte rechten, maar om de mogelijkheid om die rechten ook daadwerkelijk te benutten en toe te passen. Dit betekent bijvoorbeeld dat burgerlijke vrijheden zoals persvrijheid en vrijheid van vergadering niet alleen op papier moeten bestaan, maar ook echt in de praktijk uitgeoefend moeten kunnen worden. Anders blijven deze vrijheden holle beloften, die geen werkelijke ruimte bieden voor persoonlijke en maatschappelijke ontplooiing.

Schijnvrijheid en Vervreemding

Burgerlijke vrijheden, zoals het recht op eigendom of op vrije meningsuiting, lijken op het eerste gezicht een garantie voor persoonlijke vrijheid. Maar volgens Marx en Engels schuilt hier vaak een ‘schijnvrijheid’ achter: deze vrijheden verbergen namelijk de werkelijke afhankelijkheid en uitbuiting die inherent zijn aan de kapitalistische samenleving. De arbeider mag bijvoorbeeld formeel vrij zijn om zijn arbeid ‘te verkopen’, maar in feite blijft hij gebonden aan de grillen van de markt en de macht van de kapitalist. Dit zet de ogenschijnlijke vrijheid in een heel ander daglicht.

Daarnaast wijzen Marx en Engels op andere vormen van vervreemding die de vrijheid beperken, zoals religieuze of ideologische denkbeelden die mensen gevangen houden in illusies of valse bewustzijnsvormen. Zulke vervreemding werkt door op sociaal en individueel niveau en zorgt ervoor dat mensen niet de werkelijke oorzaken van hun onvrijheid doorzien.

Daarom benadrukken Marx en Engels dat echte vrijheid meer vereist dan formele rechten of ideologische beloften. Vrijheid betekent ook dat mensen inzicht verwerven in de werkelijke maatschappelijke verhoudingen waarin zij leven – en vooral dat zij bereid zijn om die verhoudingen actief te veranderen. Pas door deze bewuste en praktische betrokkenheid kan vrijheid werkelijkheid worden, niet alleen in woorden maar ook in daden.

Inzicht in Noodzakelijkheid

Marx sluit in zijn denken aan bij het inzicht van Spinoza dat vrijheid niet simpelweg betekent dat je kunt doen wat je wilt. Echte vrijheid veronderstelt volgens Spinoza inzicht in de noodzakelijkheid van de werkelijkheid: je moet begrijpen hoe de dingen in elkaar zitten en welke wetten en krachten in de natuur en de samenleving werkzaam zijn. Voor Marx is dit uitgangspunt bijzonder belangrijk, want zonder dit inzicht blijven mensen overgeleverd aan blinde machten en kunnen ze hun eigen situatie niet veranderen.

Dit inzicht ontstaat niet vanzelf; het groeit door arbeid en door deelname aan het sociale leven. In het arbeidsproces leert de mens de natuur kennen en leert hij ook zichzelf beter begrijpen. Hij ontdekt de grenzen én de mogelijkheden van zijn handelen. Op dezelfde manier maakt de sociale praktijk – het samenleven en samenwerken met anderen – duidelijk welke verhoudingen vrijheid in de weg staan of juist mogelijk maken.

Voor Marx vormt dit inzicht de basis voor het opheffen van vervreemding en uitbuiting. Pas als mensen de onderliggende maatschappelijke en economische structuren begrijpen, kunnen ze daar ook daadwerkelijk ingrijpen en de omstandigheden veranderen. Zo wordt vrijheid niet een vaag ideaal, maar iets dat in de dagelijkse praktijk van arbeid en sociale strijd stap voor stap kan worden veroverd.

Persoonlijke en Maatschappelijke Vrijheid

Marx en Engels benadrukken dat persoonlijke vrijheid altijd nauw verweven is met maatschappelijke vrijheid. Ze verwerpen het idee dat iemand volledig vrij kan zijn terwijl anderen nog worden onderdrukt. Onderdrukking van anderen is nooit zonder gevolgen voor de onderdrukker zelf. Zelfs degene die profiteert van uitbuiting of machtsverhoudingen raakt op een dieper niveau gevangen in dezelfde sociale structuren die anderen klein houden.

Daarom stellen Marx en Engels dat vrijheid niet een individuele kwestie is, maar een collectieve aangelegenheid. Werkelijke vrijheid kan pas bestaan als ze voor iedereen geldt – ongeacht klasse, afkomst of positie. Dit betekent dat alle vormen van onderdrukking en uitbuiting moeten worden opgeheven om een samenleving te creëren waarin ieder mens werkelijk vrij kan zijn. Alleen dan is vrijheid niet langer een bevoorrecht voorrecht voor enkelen, maar een gedeeld en doorleefd principe dat voor iedereen beschikbaar is.

Vrijheid als Concretisering

Vrijheid wordt pas tastbaar in de praktijk, zo stellen Marx en Engels. Ze wijzen erop dat vrijheid niet louter een idee is, maar vooral een concrete werkelijkheid die tot stand komt in de strijd van arbeiders en in het omvormen van de productieverhoudingen. Het is door arbeid dat de mens niet alleen zijn eigen leven in stand houdt, maar ook zijn persoonlijkheid en zelfbewustzijn verder ontwikkelt.

Arbeid vormt daarbij een soort spiegel: het dwingt de mens om zijn eigen grenzen en beperkingen onder ogen te zien, maar het opent ook de deur naar nieuwe mogelijkheden en creatieve oplossingen. In dit proces ontdekt de mens steeds opnieuw zijn eigen vermogens en leert hij hoe hij de wereld om zich heen kan beïnvloeden. Vrijheid ontstaat hierdoor niet als een vooraf bepaald eindpunt, maar juist als een voortdurend en levendig proces – een proces waarin zelfontplooiing en maatschappelijke verandering hand in hand gaan en elkaar wederzijds versterken.

Vrijheid en Grenzen

Zelfs in een samenleving waarin uitbuiting en onderdrukking zijn opgeheven, zoals Marx en Engels het communisme voor zich zagen, zal vrijheid nooit helemaal onbeperkt of absoluut zijn. De mens blijft immers altijd verbonden met de natuur en afhankelijk van de noodzakelijke arbeid die het leven mogelijk maakt. Er zullen altijd grenzen blijven die voortkomen uit de natuurlijke wereld en de sociale samenwerking die nodig is om in die wereld te overleven.

Marx en Engels benadrukken dat echte vrijheid niet betekent dat deze grenzen volledig kunnen worden opgeheven, maar dat de mens leert omgaan met deze beperkingen op een rationele en bewuste manier. Vrijheid betekent voor hen: het steeds opnieuw vormgeven van die verhouding tot de natuur en tot elkaar, zonder zich te laten meeslepen door utopische of abstracte idealen die losstaan van de werkelijke, vaak weerbarstige omstandigheden. Zo wordt vrijheid een kwestie van praktisch en verstandig handelen, waarbij de mens weliswaar gebonden blijft aan bepaalde noodzakelijke kaders, maar binnen die kaders nieuwe mogelijkheden kan creëren en ontplooien.

Relevantie voor Nu

De ideeën van Marx en Engels hebben ook in onze tijd nog niets aan betekenis ingeboet. De voortdurende strijd voor rechtvaardige arbeidsomstandigheden door vakbonden, de felle discussies over loon en werkdruk in moderne bedrijven en de opkomst van stakingen en protestacties: het zijn hedendaagse voorbeelden van hoe vrijheid niet vanzelf komt, maar bevochten moet worden. Ook de klimaatbeweging, met haar nadruk op duurzaamheid en het rationeel omgaan met de natuur, sluit nauw aan bij Marx’ oproep om vrijheid te baseren op een begrip van de noodzakelijke samenhang tussen mens en natuur.

Daarnaast zijn er de protesten tegen racisme en de groeiende kloof tussen arm en rijk, zoals de Black Lives Matter-beweging en acties tegen wereldwijde ongelijkheid. Zij maken zichtbaar dat vrijheid niet losstaat van sociale verhoudingen en machtsstructuren, maar juist daarin wordt vormgegeven. Net als in de tijd van Marx en Engels vereist de strijd voor vrijheid vandaag de dag niet alleen inzicht in de maatschappelijke realiteit, maar ook een bereidheid om die realiteit actief te veranderen.

Vrijheid is dus nooit een kant-en-klaar ideaal, maar moet steeds opnieuw worden geconcretiseerd in de weerbarstige werkelijkheid van sociale en ecologische problemen. Het vraagt om strijd, solidariteit en de voortdurende zoektocht naar manieren om rechtvaardigheid en menselijke waardigheid te waarborgen.

Help ons groeien - deel dit bericht

Aanbevolen voor jou