Politicus bij regeringsgebouw tijdens debat over buitenlands optreden en internationale rechtvaardiging
Tijdens het Kamerdebat sprak minister Van Weel namens de Nederlandse regering begrip uit voor Amerikaans optreden tegen Venezuela.

Narcostaat is een beschuldiging, geen feit

Het begint meestal klein. Met een woord in een nieuwsbericht. Een term in een debat. Iets dat klinkt alsof het al lang vaststaat. Narcostaat. Zeg het hardop en je hoort hoe het klinkt als een diagnose. Technisch. Onpersoonlijk. Alsof iemand met een witte jas het al heeft vastgesteld en wij alleen nog hoeven te knikken.

Maar zo werkt het niet. Narcostaat is geen juridische categorie. Geen uitspraak van een internationaal hof. Geen VN-status. Het is een beschuldiging. Een zwaarbeladen politieke kwalificatie, ontworpen om richting te geven aan hoe wij moeten kijken — en vooral: wat wij daarna normaal gaan vinden.

In de berichtgeving over Venezuela wordt dat onderscheid opvallend vaak uitgewist. In de verslaggeving over het Kamerdebat in de Nederlandse Tweede Kamer rond Amerikaans optreden tegen Venezuela wordt het woord vrijwel probleemloos overgenomen. Venezuela is een narcostaat, lijkt het uitgangspunt. En vanuit die veronderstelling gaat het gesprek verder: mogen we daar begrip voor hebben, voor Amerikaans ingrijpen? Is het misschien onhandig, juridisch rommelig, maar uiteindelijk wel te begrijpen? Wat nauwelijks gebeurt, is het stellen van de vraag die alles voorafgaat: klopt die kwalificatie eigenlijk wel?

Steun vrheid.nl op Substack

Wat een woord onzichtbaar maakt

Onder criminologen, Latijns-Amerika-onderzoekers en onafhankelijke drugsexperts bestaat al jaren discussie over het label narcostaat. Niet omdat zij zouden ontkennen dat er in Venezuela ernstige problemen bestaan. Maar omdat het bewijs dat de Venezolaanse staat als staat — structureel, gecoördineerd — de internationale cocaïnehandel zou aansturen, opvallend zwak is. Fragmentarisch. Selectief. En sterk afkomstig uit Amerikaanse veiligheidsrapporten met een duidelijke geopolitieke agenda.

De meeste cocaïne die Europa en de VS bereikt, loopt via landen die nooit dit etiket krijgen. Landen die militair, economisch of diplomatiek dichter bij Washington staan. Het verschil zit niet in de routes, maar in de relaties.

Zodra het woord narcostaat valt, verdwijnt die context. Het begrip werkt als een morele snelkoppeling. Het suggereert totale ontwrichting, een staat die zichzelf heeft opgegeven, en daarmee ook het recht heeft verspeeld op normale behandeling. Soevereiniteit wordt voorwaardelijk. Geldig zolang het niet in de weg zit. Dat is geen semantiek. Dat is macht.

Van recht naar doelmatigheid

In het Kamerdebat zagen we hoe soepel dat frame functioneert. De verantwoordelijke minister, sprekend namens de Nederlandse regering, sprak begrip uit voor het Amerikaanse optreden, terwijl hij tegelijk erkende dat het internationaal recht hier op zijn minst onder druk staat. Die spanning — tussen recht en macht — werd niet uitgewerkt, maar gladgestreken. Het woord narcostaat deed het werk. Wie daar vraagtekens bij zet, lijkt automatisch drugscriminaliteit te bagatelliseren. Alsof nuance gelijkstaat aan medeplichtigheid.

De media volgden die lijn grotendeels. Kritische Kamerleden kwamen aan het woord, maar de kern van hun bezwaar bleef onderbelicht: dat hier een politieke kwalificatie als feit wordt gepresenteerd. Er werd niet uitgelegd dat dit label geen neutrale vaststelling is, maar een strategisch instrument. Ook ontbrak de vraag wie eigenlijk bepaalt wanneer een land dit predicaat verdient, en op basis van welke criteria.

Dat is geen onschuldige omissie. Want wie het etiket accepteert, accepteert ook de logica die volgt. Dan verschuift het debat ongemerkt. Niet langer: mag dit volgens het recht? maar: werkt dit? Niet: wie heeft hier zeggenschap? maar: wie is efficiënt? Macht houdt van efficiëntie. Macht heeft een hekel aan begrenzing.

Een bekend patroon

Dit is geen nieuw script. Failed state. Rogue state. Terrorist haven. Steeds weer dezelfde woorden, steeds weer hetzelfde moment. Vlak vóór sancties. Vlak vóór interventies. Vlak vóór het opschorten van regels die zogenaamd alleen voor normale landen gelden.

Complexe samenlevingen worden herleid tot morele karikaturen. Juridische bezwaren worden weggezet als naïef. Kritiek wordt geframed als wereldvreemd. En ondertussen verschuift het morele midden: arrestaties zonder proces, ontvoeringen, eliminaties — ze worden niet langer veroordeeld, maar “begrijpelijk” genoemd. Dat alles gebeurt niet ondanks het taalgebruik, maar dankzij dat taalgebruik.

Waar kritiek ophoudt en macht begint

Dit stuk gaat niet over het moreel wegen van een regering. Niet over het uitdelen van rapportcijfers aan Caracas, Washington of Den Haag. Die reflex — eerst veroordelen, dan pas nadenken — is precies onderdeel van het probleem.

Wat hier ter discussie staat, is iets anders: het idee dat politieke etiketten de plaats mogen innemen van recht, en dat beschuldigingen, zolang ze maar vaak genoeg worden herhaald door machtige staten, kunnen fungeren als vrijbrief voor uitzonderingen. Alsof misstanden, werkelijk of vermeend, automatisch het opschorten van regels rechtvaardigen.

Dat is een gevaarlijk uitgangspunt. Niet alleen voor Venezuela, maar voor ieder land, iedere beweging, iedere samenleving die buiten de invloedssfeer van westerse macht valt. Wie accepteert dat staten hun rechten kunnen verliezen op basis van strategische kwalificaties, accepteert ook dat die logica elders wordt toegepast — selectief, asymmetrisch, en altijd in het voordeel van wie de taal beheerst.

Juist daarom is precisie geen luxe maar noodzaak. Onderscheid maken tussen aantoonbare feiten en geopolitieke framing is geen relativering van onrecht, maar een weigering om macht het laatste woord te geven. Solidariteit begint niet bij het kiezen van kampen, maar bij het verdedigen van grenzen aan macht, ook — en vooral — wanneer dat ongemakkelijk is.

Waar activisme begint

Voor progressieve, radicaal linkse bewegingen ligt hier een opdracht. Niet om regimes te verdedigen, maar om taal te ontmantelen. Om zichtbaar te maken wat een woord doet, wie het dient en welke uitzonderingen het normaliseert.

Internationaal recht is geen abstracte luxe. Het is een historisch bevochten poging om macht te begrenzen. Onvolmaakt, selectief toegepast, vaak misbruikt — maar zonder dat kader resteert alleen het recht van de sterkste, verpakt in morele termen.

Zolang begrippen als narcostaat worden behandeld alsof ze neutrale feiten zijn, blijft “begrip tonen” vooral een vorm van morele outsourcing. Wij hoeven niet meer zelf na te denken; het oordeel is al geveld. De discussie is al beslecht.

Niet alles wat slecht is, rechtvaardigt alles wat mogelijk is. Die zin is niet radicaal. Maar hem hardop blijven zeggen, tegen de stroom in, is dat vandaag wel.

Vond je dit een interessant artikel?

Help ons Groeien

Aanbevolen voor jou