In tijden van onrecht is zwijgen geen optie. Wie de Antilliaanse geschiedenis bestudeert, ziet geen passief verleden maar een onafgebroken keten van opstanden, weigeringen en nieuwe vormen van saamhorigheid. Dit stuk wil geen neutraal verslag zijn, maar een uitnodiging: om te luisteren naar de echo’s van verzet, om de kracht van solidariteit te herkennen, en om die geest levend te houden in de strijd van vandaag.
De geschiedenis van de Antilliaanse eilanden – Curaçao, Bonaire, Aruba, Sint Maarten, Sint Eustatius en Saba – is doordrenkt van verzet. Geen geschiedenis van zwijgende onderwerping, maar van mensen die elkaar vasthielden en samen optrokken tegen macht. Het waren geen geïsoleerde helden die het verschil maakten, maar juist collectieve daden van verbondenheid die de fundamenten van slavernij, kolonialisme en economische ongelijkheid aan het wankelen brachten. Onder de zwaarste omstandigheden wisten mensen keer op keer ruimte te scheppen voor steun, wederzijdse bescherming en gezamenlijke strijd. Die lijn loopt van de plantages in de 18e eeuw, via stakingen en volksopstanden, tot hedendaagse bewegingen die vasthouden aan dezelfde geest van ongehoorzaamheid en solidariteit.
Solidariteit in de slavernijperiode
Bonaire 1765 – Francisco’s stille staking
In 1765, ruim vóór de opstand van Tula, organiseerde Francisco – een tot slaaf gemaakte op Bonaire die uitgroeide tot een van de vroegste bekende leiders van collectief verzet – een staking op het eiland. Het werk werd neergelegd, een collectieve weigering die destijds levensgevaarlijk was. Francisco werd zwaar gestraft, maar zijn daad toont hoe krachtig het kan zijn wanneer mensen gezamenlijk besluiten níet meer mee te draaien in een systeem dat hen uitbuit. Dit vergeten hoofdstuk krijgt vandaag opnieuw een plaats in de Bonairiaanse geschiedschrijving – terecht, want het laat zien dat verzet niet altijd luid hoeft te zijn om radicaal te zijn.
Curaçao 1795 – Tula’s opstand
Op 17 augustus 1795 weigerde Tula, samen met tientallen anderen, nog langer te buigen. Vanuit plantage Knip groeide de opstand in korte tijd uit tot een beweging van bijna tweeduizend mensen. Onderweg openden zij de cellen, bevrijdden gevangenen en sloegen de ketenen letterlijk stuk. Vrijheid was geen individuele droom, maar een gezamenlijke eis. De koloniale overheid sloeg met brute kracht terug: gewapende soldaten werden ingezet, dorpen werden in brand gestoken en tientallen opstandelingen werden zonder proces geëxecuteerd, als afschrikking voor ieder die het lef had op te staan. Maar de geest die Tula en zijn medestanders opriepen, liet zich niet doden – hun daad werd een moreel en politiek kompas voor de generaties die volgden.
Sint Maarten & Sint Eustatius 1848 – Vrijen en slaven zij aan zij
Toen Frankrijk de slavernij afschafte, weigerden mensen op Sint Maarten en Sint Eustatius zich neer te leggen bij de scheidslijn tussen ‘vrij’ en ‘onvrij’. Samen – vrijgeborenen en tot slaaf gemaakten – eisten ze hun rechten op. Deze coalities lieten zien dat rechtvaardigheid niet door grenzen of sociale categorieën te breken was. Zelfs waar repressie volgde, werden concessies afgedwongen, en groeide het besef dat macht altijd onder druk gezet kan worden van onderaf.
Cultuur als bastion van verzet
Verzet was niet alleen een kwestie van opstanden of stakingen. Het leefde ook in liederen, dans en rituelen. De tambúop Curaçao, verboden tussen 1936 en 1952, was een plek waar kritiek en hoop in muziek verpakt werden. Tambú bestond uit zang, dans en vooral het ritme van de trommel, begeleid door klappen en geroep. De teksten waren vaak dubbelzinnig: ogenschijnlijk onschuldig, maar met scherpe sociale en politieke commentaren die door de gemeenschap als een soort ‘dog whistles’ begrepen werden, terwijl buitenstaanders de boodschap soms misten. Voor vrouwen bood tambú bovendien een ruimte om hun stem te laten horen en zich te uiten in een samenleving die hen vaak het zwijgen oplegde. Rond de trommel ontstond een gemeenschap die zich niet liet breken, zelfs wanneer de staat probeerde te verbieden wat mensen samenbracht. Dat de tambú nu erkend is als immaterieel erfgoed, is een stille overwinning: bewijs dat cultuur een wapen kan zijn dat generaties overleeft.
Arbeiderssolidariteit in de 20e eeuw
De eerste vakbondsstemmen
Na de afschaffing van de slavernij bleef ongelijkheid bestaan, nu in de vorm van loonslavernij en koloniale hiërarchie. In de jaren ’20 en ’30 sprak Medardo de Marchena zich uit tegen Shell en het bestuur. Zijn toespraken en geschriften wakkerden het besef aan dat alleen collectieve organisatie bescherming bood tegen de macht van kapitaal en staat.
De Aprilmoorden van 1942
In april 1942 barstte op Curaçao een grote staking los, aangevoerd door Chinese zeelieden die zich verzetten tegen slechte arbeids- en leefomstandigheden. Al snel sloten Curaçaose havenarbeiders en raffinaderijmedewerkers zich aan. De gezamenlijke actie legde vitale delen van de economie stil en vormde een zeldzaam bondgenootschap tussen verschillende gemeenschappen. Het koloniale gezag reageerde met geweld: het leger opende het vuur op de menigte, waarbij vijftien doden en vele gewonden vielen. Deze tragedie liet zien hoe gevaarlijk solidariteit werd geacht door de machthebbers. Repressie onthulde wat macht het meest vreest: dat uiteenlopende groepen elkaar vinden in een gezamenlijke weigering om uitbuiting nog langer te accepteren.
Trinta di Mei 1969 – Een volk ontwaakt
Het hoogtepunt kwam op 30 mei 1969. Wat begon als een arbeidersstaking bij Shell, groeide uit tot een volksopstand. Niet alleen arbeiders, maar ook jongeren, vrouwen en werklozen sloten zich aan. Samen maakten ze duidelijk dat echte verandering niet van bovenaf komt, maar ontstaat wanneer velen besluiten tegelijk ‘genoeg’ te zeggen. Binnen twee dagen viel de regering, en voor het eerst namen Afro-Curaçaoënaars zelf de politieke leiding.

Erfenis en hedendaagse betekenis
Vandaag wordt deze geschiedenis niet vergeten, maar levend gehouden in monumenten, rituelen en liederen. Tula is erkend als nationale held en wordt elk jaar op 17 augustus herdacht. Francisco en andere lange tijd verzwegen figuren krijgen eindelijk zichtbaarheid en erkenning. En Trinta di Mei leeft voort in vakbondstradities en politieke bewegingen die zich beroepen op de kracht van collectief verzet.
Culturele tradities als tambú, seú en Ponum dragen dit geheugen verder. Zij herinneren eraan dat samenkomst zelf een daad van verzet kan zijn, en dat muziek, dans en ritueel wapens van waardigheid en solidariteit blijven. Wanneer activisten vandaag verwijzen naar Tula of naar 1969, doen zij dat niet als louter herdenking, maar als een levend kompas in de strijd tegen racisme, voor herstelbetalingen en voor sociale rechtvaardigheid.
Niemand hoeft alleen te staan
De geschiedenis van de Antillen laat zien dat onderdrukking nooit volledig werd aanvaard. Steeds weer waren er momenten waarop mensen elkaar opzochten en samen het onmogelijke mogelijk maakten. Soms luid en openlijk, soms stil en verborgen, maar altijd gedragen door het besef dat niemand alleen hoeft te staan.
Solidariteit was – en is – geen voetnoot, maar een leidraad. Het herinnert ons eraan dat systemen die onrechtvaardig lijken, altijd kwetsbaar worden wanneer mensen besluiten samen te weigeren, samen te dromen, en samen te handelen