Er wordt vaak gedaan alsof de boer vanzelf aan de kant van de macht staat. Als hoeder van bezit. Als stem van behoud. Maar wie beter kijkt, ziet iets anders. Ziet schuld, uitputting, en een steeds dunner wordende grond onder de voeten.
In 1924 beschreef John Pepper in The Daily Worker1 geen romantisch platteland, maar een landbouw die vastzat in een systeem dat haar langzaam leegzoog. Niet door misoogsten, maar door succes. Goede oogsten, lage prijzen. Hoge kosten, opgelegd door industriële monopolies. Banken die wachten tot je breekt. Een overheid die zegt: red jezelf maar.
Pepper maakt korte metten met het idee dat dit een tijdelijke dip is. Geen slechte jaren die vanzelf weer rechtgetrokken worden. Hij laat zien hoe kapitalisme, in zijn imperialistische fase, landbouw structureel onrendabel maakt. Boeren betalen industriële prijzen die zij niet bepalen, en verkopen hun producten onder kostprijs. De winst stroomt omhoog. De schuld blijft liggen op het land.
Wat hier zichtbaar wordt, is geen agrarisch probleem. Het is een machtsprobleem. Wie profiteert? Industriële trusts, banken, handelshuizen. Wie betaalt? Boerengezinnen, landarbeiders, dorpen die leeglopen. De staat kiest geen neutrale positie. Via tarieven, belastingen en beleid beschermt zij de industrie en laat zij de landbouw bloeden. Niet per ongeluk. Systematisch.
Pepper ziet iets wat veel van zijn tijdgenoten — ook aan de linkerkant — liever niet zagen. Dat boeren geen natuurlijke vijand van verandering zijn. Dat ze niet per definitie conservatief zijn omdat ze grond bewerken. Integendeel. Wie alles dreigt te verliezen, staat vaak dichter bij revolte dan bij behoud.
Daarom keert hij zich tegen wat hij ‘proletarische zuiverheid’ noemt. Het idee dat arbeiders zich moeten afsluiten, hun strijd smal houden, wachten tot hún crisis rijp is. Dat is geen marxisme, zegt Pepper, dat is gilde-denken. Een veilige identiteit zonder machtsperspectief.
In de Verenigde Staten — toen én nu — kun je geen breuk forceren zonder het platteland. Niet omdat boeren heilig zijn, maar omdat macht altijd breder georganiseerd moet worden dan één klasse. Omdat steden en land economisch verstrengeld zijn, ook al worden ze politiek tegen elkaar uitgespeeld.
Die tegenstelling is geen natuurwet. Ze wordt gemaakt.
In Nederland krijgt die gemaakte tegenstelling een herkenbaar gezicht. Grondprijzen die door beleggers en pensioenfondsen worden opgedreven. Pachtcontracten die korter en harder worden. Een keten waarin supermarkten en verwerkers prijzen dicteren, terwijl boeren individueel het risico dragen. Banken — met de Rabobank voorop — die schaalvergroting jarenlang financierden en nu doen alsof de uitkomst een verrassing is. Beleid dat wel rekent, maar zelden luistert.
Het stikstofdebat heeft dat alles niet veroorzaakt, maar wel blootgelegd. De kosten van natuurherstel en klimaatbeleid landen bij boeren die al klem zitten, terwijl eigendom, macht en marges grotendeels buiten schot blijven. Zo wordt een noodzakelijke ecologische omwenteling ervaren als straf. Niet omdat boeren tegen natuur zijn, maar omdat rechtvaardigheid ontbreekt.
Pepper herinnert aan eerdere momenten waarop boeren en arbeiders elkaar vonden: de Populisten, de Greenback-beweging, Farmer–Labor-partijen. Geen perfecte projecten, geen eindpunten, maar signalen. Dat solidariteit niet stopt bij de stadsgrens. Dat politieke verbeelding groter kan zijn dan loon alleen.
Wat deze bijna honderd jaar oude tekst vandaag urgent maakt, is niet zijn revolutionaire taal, maar zijn analyse van structuur. Kijk om je heen. In Nederland zitten boeren klem tussen banken, supermarkten en grondprijzen die door beleggers worden opgedreven. In Europa blokkeren boeren snelwegen en steden, niet omdat ze tegen klimaatbeleid zijn, maar omdat de kosten ervan bij hen worden neergelegd terwijl agro-industrie en handel worden ontzien. In Frankrijk waarschuwen hulpverleners voor een stille crisis van schulden en zelfdodingen op het platteland. In de Verenigde Staten daalt het boereninkomen, zelfs terwijl staatssteun stijgt. En in India keren miljoenen boeren zich opnieuw tegen handelsverdragen die hun bestaan ondergeschikt maken aan mondiale markten.
Overal zien we hetzelfde patroon. Productie wordt opgevoerd, prijzen worden gedrukt, risico’s worden geprivatiseerd. De staat verschijnt als scheidsrechter, maar speelt mee. Met subsidies die schaalvergroting belonen. Met milieuregels zonder eigendomsdemocratie. Met handelsakkoorden die lokale bestaanszekerheid ondermijnen.
In dat vacuüm groeit woede. En wie die woede niet serieus neemt, laat haar organiseren door rechts. Door partijen die doen alsof het probleem ‘de stad’ is, of ‘de migrant’, of ‘de klimaatactivist’. Zo wordt een structureel economisch conflict omgebogen tot een culturele oorlog.
Precies daar raakt Pepper het heden. De vraag is niet of boeren ‘betrouwbaar’ zijn. De vraag is wie hun woede organiseert — en met welk doel. Solidariteit ontstaat niet vanzelf. Ze vraagt politiek werk. Verbinding tussen loonarbeid en landarbeid. Tussen stad en platteland. Tussen klimaat en bestaanszekerheid.
Pepper kiest partij. Niet voor nostalgie. Niet voor romantiek. Maar voor een bondgenootschap dat vertrekt vanuit materiële realiteit. Wie produceert waarde? Wie incasseert winst? Wie draagt verlies?
Misschien is dat wel de kern van deze tekst: dat echte verandering nooit netjes langs sectoren loopt. Dat ze rommelig is. Ongemakkelijk. En precies daarom noodzakelijk. Niet omdat boeren de revolutie zijn. Maar omdat je zonder hen nergens komt.
Wie dit serieus neemt, komt uit bij politiek werk dat verder gaat dan slogans. Bij grondpolitiek die speculatie breekt en pacht democratisch maakt. Bij ketenmacht die wordt aangepakt, zodat prijs en risico eerlijker worden verdeeld. Bij klimaatbeleid dat begint bij eigendom en zeggenschap, niet bij individuele schuld. En bij vakbonden en klimaatbewegingen die het platteland niet benaderen als probleem, maar als partner.
Dat vraagt ook iets van links. Minder afstand, minder morele superioriteit. Meer luisteren, meer organiseren. Niet meebewegen met rechts populisme dat woede kaapt, maar de oorzaken benoemen en de winststromen volgen. Solidariteit is geen gevoel, maar een praktijk. Ze ontstaat waar mensen samen grip krijgen op hun werk, hun land en hun toekomst.
- John Pepper (pseudoniem van József Pogány) was een Hongaars-Amerikaanse communist en publicist, actief binnen de Workers Party of America. Het hier gebruikte essay, “The Farmers and the American Revolution”, verscheen op 19 januari 1924 in The Daily Worker, destijds de belangrijkste communistische krant in de Verenigde Staten. De tekst is geschreven in de context van een diepe agrarische crisis na de Eerste Wereldoorlog en een intern debat binnen de communistische beweging over de rol van boeren in sociale en politieke verandering. ↩︎
Als dit stuk je iets waard is, maak het dan mee mogelijk.
vrheid.nl schrijft sinds 2000 onafhankelijk, links en zonder commerciële leash. Geen advertenties, geen algoritmische dwang, geen redactionele knieval.
Voor €5 per maand steun je dit werk en ontvang je nieuwe stukken direct in je mailbox.
