Appartementencomplex met een te-koopbord, als beeld bij een artikel over Vesteda, huurwoningen en de wooncrisis.
Een te-koopbord aan een appartementencomplex laat zien hoe woningen steeds weer verschuiven van thuis naar beleggingsobject.

Vesteda laat zien wat er misgaat als wonen een verdienmodel wordt

Achter nieuws over vastgoed schuilt vaak een simpele vraag: wie beslist er eigenlijk over wonen, en in wiens belang gebeurt dat? De kwestie rond Vesteda maakt die vraag opnieuw scherp.

Vesteda is een van de grootste verhuurders van vrije sectorwoningen in Nederland. Wat er rond dat bedrijf zichtbaar wordt, gaat daarom niet alleen over één belegger, maar over een woningmarkt waarin huizen te vaak eerst als belegging worden gezien en pas daarna als thuis.

Wat bij Vesteda zichtbaar wordt, is in feite heel simpel. Grote beleggers steken geld in huurwoningen omdat die jarenlang een veilig en voorspelbaar rendement opleveren. Zolang de huren binnenkomen en de waarde van het vastgoed op peil blijft, werkt dat model voor hen prima. Maar zodra die beleggers hun geld willen terughalen, minder rendement verwachten of hun positie willen verkleinen, komt er druk op die woningen te staan. Dan zijn het ineens geen huizen meer waar mensen leven, maar posten op een balans die verkocht, doorgeschoven of anders georganiseerd moeten worden. Precies daar zit het probleem. Niet omdat één fonds dan onrust voelt, maar omdat het wonen van tienduizenden huurders afhankelijk blijkt van financiële afwegingen waar zij zelf niets over te zeggen hebben.

Steun vrheid.nl op Substack

Vanuit links is de les dan ook niet dat de overheid te streng is geweest voor investeerders. De les is juist dat kabinetten hen daar jarenlang alle ruimte voor hebben gegeven. Wie namen wil, hoeft niet lang te zoeken. Onder Rutte II waren het VVD-minister Stef Blok en zijn coalitie van VVD en PvdA die de huurmarkt verder openzetten voor beleggers, corporaties opzadelden met de verhuurderheffing en het idee versterkten dat wonen vooral een markt was waarin kapitaal zijn werk moest kunnen doen. Ook latere kabinetten lieten die lijn veel te lang doorlopen. Intussen kregen huurders te maken met stijgende huren, schaarste en steeds minder zeggenschap. Zodra het verdienmodel minder aantrekkelijk wordt, zoeken investeerders naar een uitweg. Dat maakt vooral zichtbaar hoe wankel dit systeem altijd al was. Een woningmarkt die alleen stabiel blijft zolang beleggers tevreden zijn, is geen sociaal stelsel maar een gijzeling van een basisbehoefte.

En dan komt de vraag die in de keurige taal van bestuurders, toezichthouders en vastgoedmedia meestal buiten beeld blijft. Niet hoe we het vertrouwen van investeerders herstellen, maar waarom zoveel woningen überhaupt in handen zijn van partijen die ze behandelen als handelswaar. Wie daar eerlijk naar kijkt, ziet al snel dat wonen en winst hier frontaal op elkaar botsen. Zodra huizen koopwaar worden, raken bewoners vanzelf op de tweede plaats. Dan is onderhoud geen zorgplicht meer maar een kostenpost. Dan wordt huur geen bijdrage aan een leefbare samenleving, maar een inkomstenstroom. En dan is verkoop nooit ver weg.

Wie het verhaal van Vesteda vooral leest als een drama voor beleggers, kijkt met de ogen van het kapitaal. Vanuit huurders ziet de werkelijkheid er anders uit. Achter zulke transacties schuilt altijd onzekerheid. Nieuwe eigenaren kunnen harder op rendement sturen, complexen doorverkopen, onderhoud uitstellen of wachten tot woningen kunnen worden uitgepond. Op papier blijft huurbescherming bestaan, maar huurders weten allang dat onzekerheid veel eerder begint. Die zit in achterstallig onderhoud, in slecht bereikbare beheerders, in druk om te vertrekken, in het gevoel dat jouw thuis voor anderen vooral interessant is omdat het later meer kan opleveren.

Daarom is de echte linkse conclusie niet dat de markt beter moet worden afgesteld. De conclusie is dat wonen stap voor stap uit die marktlogica gehaald moet worden. Minder afhankelijkheid van institutionele beleggers. Meer sociale huisvesting. Meer zeggenschap voor huurders. Meer coöperatieve en collectieve woonvormen die niet draaien op uitstapmomenten en rendementsverwachtingen. De kern is eenvoudig. Een huis moet in de eerste plaats een plek zijn om te leven, niet een positie in een portefeuille.

Vesteda is daarmee niet alleen een verhaal over vastgoed, maar over macht. Over wie mag wonen en wie mag rekenen. Over een land dat woningen jarenlang heeft behandeld als veilige haven voor kapitaal, en vervolgens verbaasd opkijkt wanneer dat kapitaal doorschuift naar de volgende kans. De vraag is dan ook niet hoe Vesteda gered kan worden. De vraag is hoe huurders losgemaakt kunnen worden uit een systeem waarin hun woning nooit helemaal een thuis mag zijn, omdat er altijd ergens een rekensom boven hangt. Als dit dossier iets blootlegt, dan is het dat de wooncrisis niet ontstaat ondanks de marktlogica, maar juist erdoor.

Aanbevolen voor jou