Dit stuk maakt deel uit van een reeks naar aanleiding van Women, Race & Class van Angela Davis. In die reeks lezen we niet alleen wat Davis schreef, maar ook wat haar analyse vandaag nog blootlegt: hoe macht zich verschuilt in instituties die zichzelf graag neutraal noemen. Vanuit dat spoor kijkt deze tekst naar de verstrengeling van seksueel geweld, racisme en strafmacht.
Er zit een hardnekkige reflex in het publieke debat over seksueel geweld. Zodra verkrachting serieus wordt genomen, schuift het gesprek al snel richting hardere straffen, meer politie en langere opsluiting. Alsof een samenleving pas bewijst dat zij vrouwen serieus neemt wanneer zij de strafmachine harder laat draaien. Angela Davis laat in Women, Race & Class zien waarom die reflex niet alleen gevaarlijk is, maar ook politiek blind. Niet omdat verkrachting geen ernstig en structureel geweld zou zijn, maar juist omdat de staat seksueel geweld historisch op racistische wijze heeft ingezet, terwijl zwarte vrouwen tegelijk structureel onbeschermd bleven.
In haar hoofdstuk over verkrachting doet Davis iets wat veel liberaler feminisme nog altijd moeilijk vindt. Ze weigert te kiezen tussen twee versimpelingen. Ze doet verkrachting niet af als misverstand, randverschijnsel of morele paniek. Voor haar zit seksueel geweld diep in een samenleving die vrouwenlichamen als beschikbaar behandelt. Maar ze weigert ook te doen alsof politie, rechters en gevangenissen vanzelf bondgenoten van vrouwen worden zodra het over seksueel geweld gaat. Juist daar wordt haar analyse scherp. In de Verenigde Staten is de beschuldiging van verkrachting historisch gebruikt als racistisch wapen tegen zwarte mannen, terwijl zwarte vrouwen zelden op bescherming konden rekenen van diezelfde instituties.
Dat is de verschuiving die ertoe doet. Want zodra de strijd tegen verkrachting automatisch wordt gekoppeld aan meer strafmacht, verdwijnt uit beeld hoe die macht zelf is opgebouwd. Davis laat zien dat de mythe van de “zwarte verkrachter” niet zomaar een vooroordeel was, maar een politiek instrument. De voorstelling van de zwarte man als seksuele dreiging voor witte vrouwen hielp lynchpartijen, executies en collectieve terreur tegen zwarte gemeenschappen legitimeren. Beschuldigingen van verkrachting functioneerden zo niet alleen juridisch, maar ook als brandstof voor wit suprematistisch geweld.
Daarmee wordt ook zichtbaar wat de strafstaat werkelijk doet. Zij presenteert zich graag als neutrale beschermer van slachtoffers, maar bepaalt al vanaf het begin selectief welke slachtoffers meetellen, welke daders worden aangewezen en welk geweld met maximale hardheid wordt vervolgd. In de geschiedenis die Davis blootlegt, werd seksuele terreur tegen zwarte vrouwen vaak genegeerd, terwijl beschuldigingen tegen zwarte mannen onevenredig zwaar werden bestraft. Davis wijst erop dat van de 455 mannen die tussen 1930 en 1967 in de Verenigde Staten werden geëxecuteerd voor verkrachting, er 405 zwart waren. Zo’n verhouding zegt genoeg. Niet over een aangeboren criminele neiging, maar over een justitie die raciaal georganiseerd was.
Voor zwarte vrouwen betekende dat dat zij verkrachting nooit alleen kenden als seksistisch geweld. Het was ook geweld dat werd omringd door politiegeweld, racistische criminalisering en de kille zekerheid dat instituties hen zelden zouden geloven of beschermen. Davis laat zien dat veel zwarte vrouwen juist daarom wantrouwig stonden tegenover anti-verkrachtingspolitiek die zwaar leunde op politie en justitie. Dat wantrouwen was geen gebrek aan feministisch bewustzijn, maar een nuchtere inschatting van hoe de staat functioneerde. Voor zwarte vrouwen waren die instituties zelden een schuilplaats. Vaak waren ze zelf bron van vernedering, mishandeling of herhaald geweld.
Precies daar ontspoort het feminisme dat zijn hoop op straf heeft gevestigd. Het vertrekt vanuit begrijpelijke woede over seksueel geweld, maar vertaalt die in meer vervolging, meer opsluiting en meer staatsmacht. Daarmee verdwijnt de geschiedenis van racisme en klasseselectie in de strafstaat uit beeld. Alsof politie een neutraal instrument is dat je progressief kunt inzetten zolang het voor de juiste zaak gebeurt. Davis maakt duidelijk hoe gevaarlijk die gedachte is. Je kunt instituties die zwarte mensen decennialang hebben geterroriseerd niet ineens behandelen als vanzelfsprekende beschermers van vrouwen, zonder te vragen welke vrouwen dan precies beschermd worden, en tegen welke prijs.
Daarom blijft haar kritiek op delen van het witte feminisme zo belangrijk. Davis verzet zich niet tegen feministische aandacht voor verkrachting, maar tegen een feminisme dat de racistische geschiedenis van de verkrachtingsbeschuldiging weglaat. Zodra seksueel geweld wordt besproken zonder de geschiedenis van frame-ups, lynchjustitie en raciale paniek mee te nemen, kan dat verhaal zelf oude patronen versterken. Dan verschijnt de staat als oplossing, terwijl diezelfde staat altijd heeft mee bepaald welke lichamen geloofwaardig zijn als slachtoffer en welke lichamen beschikbaar blijven als verdachte.
Hier is een heldere politieke les. Je kunt seksueel geweld niet serieus bestrijden door simpelweg de strafstaat te versterken. Niet omdat daders geen verantwoordelijkheid dragen, maar omdat een politiek die volledig leunt op politie, justitie en gevangenissen blind blijft voor hoe diezelfde machten geweld en ongelijkheid niet alleen reproduceren, maar ook organiseren. De vraag is dus niet of verkrachting ernstig is. De vraag is wat voor samenleving je bouwt als je het probleem alleen nog kunt denken via straf.
Die vraag wordt nog dringender als je kijkt naar hoe “veiligheid” nu wordt georganiseerd. Meer camera’s, meer surveillancesystemen, zwaardere straffen, ruimere opsluitingsbevoegdheden en meer armslag voor politie en grensregimes: het wordt allemaal verkocht als bescherming. Maar bescherming voor wie, en tegen wie? Juist rond seksueel geweld duikt die logica steeds weer op: meer registratie, meer toezicht, meer straf, alsof controle hetzelfde is als veiligheid. In de praktijk versterken zulke maatregelen vooral de greep van instituties die al disproportioneel ingrijpen in het leven van zwarte mensen, migranten, armen, sekswerkers, queer jongeren en andere groepen die al onder verhoogd toezicht staan. Zo wordt feministische taal gebruikt om een repressief apparaat moreel op te poetsen.
Davis helpt om daar doorheen te kijken. Een feminisme dat werkelijk tegen seksueel geweld wil vechten, moet meer willen dan daders opsluiten. Het moet ook de sociale orde aanvallen die vrouwen kwetsbaar maakt, sommige lichamen als beschikbaar behandelt, economische afhankelijkheid produceert, raciale paniek organiseert en geweld pas serieus neemt zodra de politie binnenvalt. Zonder die bredere analyse blijft anti-verkrachtingspolitiek steken in symptoombestrijding, vaak ook nog op een manier die de zwaarst getroffen gemeenschappen verder beschadigt.
Zo schuift Davis een andere vorm van solidariteit naar voren. Niet de solidariteit van een abstract “wij vrouwen” dat blind vertrouwt op de staat, maar een politiek die begrijpt dat seksueel geweld, racisme en klassejustitie in elkaar grijpen. Dat maakt verkrachting niet minder ernstig. Het maakt de analyse eerlijker. Wie seksueel geweld werkelijk serieus neemt, levert de strijd ertegen niet uit aan instituties die historisch hebben bewezen dat ze zwarte levens, zwarte vrouwen en arme vrouwen niet beschermen, maar beheren.
Misschien is dat precies wat opnieuw gezegd moet worden. Verkrachting is ernstig. Seksueel geweld is structureel. Slachtoffers worden nog altijd te vaak niet geloofd, vernederd of ontmoedigd. Juist daarom is het verleidelijk om naar straf te grijpen, naar iets dat hard en zichtbaar lijkt in te grijpen. Maar daaruit volgt nog altijd niet dat politie en gevangenissen de horizon van feministische politiek moeten zijn. Dat volgt alleen als je vergeet hoe die apparaten zijn gebouwd, wie ze hebben gediend en wie ze nog steeds als bedreiging construeren.
Angela Davis vergeet dat niet. Daarom blijft haar analyse scherper dan het reflexmatige law-and-order-feminisme dat opduikt zodra het over geweld tegen vrouwen gaat. Ze laat zien dat je seksueel geweld pas echt serieus neemt wanneer je ook weigert racistische staatsmacht als neutraal medicijn te behandelen.
Wie verkrachting wil bestrijden, kan de politie dus niet blind vertrouwen. Niet uit relativisme. Niet uit naïviteit. Maar uit historisch geheugen.
Als dit stuk je iets waard is, maak het dan mee mogelijk.
vrheid.nl schrijft sinds 2000 onafhankelijk, links en zonder commerciële leash. Geen advertenties, geen algoritmische dwang, geen redactionele knieval.
Voor €5 per maand steun je dit werk en ontvang je nieuwe stukken direct in je mailbox.
