Trumpisme en de aanval op democratie
Amerika viert binnenkort 250 jaar onafhankelijkheid. Er zullen vlaggen hangen, toespraken klinken, vuurwerk de lucht in gaan. Het bekende decor van nationale trots. Maar juist onder dat decor schuift iets anders mee: de vraag wat er overblijft van een democratie wanneer steeds meer mensen bang worden om te spreken.
Niet of er nog verkiezingen zijn. Die zijn er. Niet of er nog rechters, kranten en universiteiten bestaan. Die bestaan ook. De vraag is wat zulke instituties waard zijn wanneer macht hen stap voor stap leert buigen.
Wie de recente documentaire over Trumpisme, anti-fascisme en de aanval op Amerikaanse instituties bekijkt, ziet geen land dat simpelweg “gepolariseerd” is. Dat woord is te zacht. Te netjes. Wat zichtbaar wordt, is een autoritaire verschuiving waarin macht zichzelf presenteert als bescherming van het volk, terwijl zij ondertussen vijanden aanwijst: migranten, journalisten, academici, rechters, anti-fascisten, activisten en iedereen die de macht tegenspreekt.
Can Dündar herkent dat patroon. Hij kent autoritarisme niet als theorie, maar als ervaring. Als journalist in Turkije zag hij hoe macht zich eerst democratisch voordoet en daarna de democratie tegen zichzelf gebruikt. Autoritaire leiders komen vaak niet binnen met tanks op straat. Ze komen via verkiezingen, benoemingen, wetten, mediacampagnes en morele paniek. Daarna testen ze de instituties. Ze rekken de grenzen op. Ze kijken wie buigt.
Dat maakt Trumpisme zo gevaarlijk. Niet omdat alles al verdwenen is, maar omdat het verlies wordt voorbereid in volle openbaarheid.
De vijand wordt gemaakt
Een van de scherpste voorbeelden uit de documentaire is de manier waarop “antifa” wordt gebruikt als spookbeeld. Anti-fascisme wordt niet behandeld als politiek verzet tegen extreemrechts, maar als binnenlandse terreurdreiging. Eerst wordt een vijand gemaakt. Daarna wordt repressie verkocht als veiligheid.
Zo werkt autoritaire politiek. Zij heeft altijd een binnenlandse vijand nodig, want zonder vijand moet macht zichzelf verantwoorden. Daarom worden woorden als “radicaal links”, “woke”, “activist” en “vijand van het volk” niet zomaar rondgestrooid. Ze bereiden iets voor. Ze maken mensen verdacht voordat er nog naar hen geluisterd wordt.
De zaak rond Mark Bray maakt dat concreet. Bray is een academicus die onderzoek deed naar anti-fascisme. Door Turning Point USA werd hij neergezet als “Dr. Antifa”. Daarna volgden bedreigingen, intimidatie en druk op zijn universiteit. Het beklemmende is niet alleen dat een professor werd bedreigd. Het beklemmende is dat zijn vertrek naar Spanje door rechts werd gevierd. Alsof het wegjagen van een onderzoeker een overwinning is.
Daar gaat academische vrijheid kapot. Niet pas wanneer boeken worden verboden, maar wanneer docenten zich afvragen of hun gezin nog veilig is. Wanneer onderzoekers hun woorden inslikken. Wanneer studenten leren dat denken gevaarlijk wordt zodra het de verkeerde mensen boos maakt.
De universiteit als frontlinie
Turning Point USA verschijnt daarin niet zomaar als studentenclub. Het is een machine voor jonge rechtse mobilisatie. Politiek wordt daar niet geoefend als debat, maar als strijdtoneel. Tegenstanders worden niet weerlegd, maar ontmaskerd, beschaamd en opgejaagd.
Dat is belangrijk, want autoritarisme leeft niet alleen van grote leiders. Het heeft kaders nodig. Influencers. Platforms. Rituelen. Applaus. Het heeft jonge mensen nodig die leren dat vernederen sterker is dan begrijpen, en dat winnen belangrijker is dan waarheid.
Daarom vallen autoritaire bewegingen universiteiten aan. Niet omdat universiteiten heilig zijn. Ook daar bestaan macht, uitsluiting en lafheid. Maar juist omdat er, op hun best, ruimte bestaat voor vrije kritiek, onderzoek en dissidentie. De aanval op universiteiten gaat dus niet alleen over “woke” of “campuscultuur”. Het gaat over de vraag of kennis nog vrij mag bestaan wanneer zij macht tegenspreekt.
Van campus naar straat
En het blijft niet op de campus. De documentaire verbindt deze aanvallen bovendien met beelden van ICE, met razzia’s, met migranten die als dreiging worden behandeld voordat zij als mens worden gezien. Dat is meestal waar autoritaire politiek begint: bij mensen die al minder bescherming hebben. Mensen zonder papieren. Vluchtelingen. Zwarte en bruine gemeenschappen.
Wie daar wegkijkt, denkt misschien dat het bij hen blijft. Maar grenzen schuiven. Wie gisteren nog veilig leek, kan morgen zelf tot vijand worden verklaard.
Daar komt nog iets bij. MAGA-politiek wordt steeds vaker verbonden met christelijk nationalisme. Niet geloof als persoonlijke overtuiging, maar geloof als staatsidentiteit. “Amerika” wordt smaller gemaakt: witter, christelijker, nationalistischer. Religie wordt niet gebruikt om de macht te bevragen, maar om haar heilig te verklaren.
Dat patroon kennen we ook uit andere autoritaire projecten. Erdoğan deed het in Turkije. Extreemrechts doet het elders in Europa. Steeds opnieuw wordt een zuivere natie verzonnen, en steeds opnieuw moeten echte mensen daarvoor wijken.
De Nederlandse spiegel
Wie naar de Verenigde Staten kijkt, kijkt dus niet naar een uitzondering, maar naar een versnelling van iets dat ook in Europa groeit: de normalisering van extreemrechts, het verdacht maken van minderheden en de aanval op onafhankelijke instituties.
Daarom raakt dit ook Nederland. Ook hier worden “woke”, “antifa”, “asielzoekers”, “linkse rechters”, “journalisten”, “kunstenaars” en “universiteiten” steeds vaker neergezet als vijanden van het volk. Alsof kritiek verraad is. Alsof solidariteit een bedreiging vormt. Alsof kennis alleen mag bestaan wanneer zij de macht niet stoort.
Dat is geen gewone politieke ruis. Dat is voorbereiding. Eerst de woorden. Dan de lijsten. Dan de meldpunten. Dan de intimidatie. Dan de uitzonderingswet. Dan de zuivering, zogenaamd namens gewone mensen.
Maar gewone mensen worden niet beschermd door autoritaire macht. Zij betalen de rekening. Migranten eerst. Daarna arbeiders, docenten, journalisten, zorgverleners, kunstenaars, buren, kinderen. Macht die zegt dat zij het volk beschermt, bedoelt meestal: gehoorzaamheid voor velen, winst en controle voor enkelen.
Democratie verdwijnt niet alleen wanneer verkiezingen worden afgeschaft. Zij verdwijnt ook wanneer mensen bang worden om les te geven, te publiceren, te demonstreren, hun buren te verdedigen of hun naam onder een petitie te zetten.
Daarom vraagt deze tijd meer dan bezorgdheid. Zij vraagt organisatie, solidariteit en heldere taal. Niet omdat verzet romantisch is, maar omdat vrijheid anders wordt overgelaten aan mensen die haar alleen gebruiken om anderen het zwijgen op te leggen.
Democratie leeft niet in vlaggen en jubileumtoespraken. Zij leeft waar mensen weigeren elkaar los te laten.
