Er zijn politieke momenten die eruitzien als entertainment, maar eigenlijk iets veel ernstigers laten zien. Een president op een gazon. Een vechtkooi. Vliegtuigen boven het Witte Huis. Een publiek dat juicht. Camera’s die precies mogen filmen wat de organisatoren willen laten zien. En ergens daar middenin: Donald Trump, niet als bestuurder van een land, maar als hoofdrolspeler in zijn eigen machtsshow.
De UFC-show bij het Witte Huis was geen sportevenement met een politieke bijsmaak. Het was een politieke bijeenkomst in de vorm van vechtsport.
Dat is het ongemakkelijke punt. Natuurlijk kun je zeggen dat veel mensen gewoon naar mixed martial arts kijken omdat ze van de sport houden. Natuurlijk zijn niet alle UFC-fans Trumpisten. Natuurlijk is vechtsport niet automatisch fascistisch, rechts of reactionair. Maar macht gebruikt populaire cultuur nooit onschuldig. Zeker niet wanneer een president het gazon van het Witte Huis beschikbaar stelt aan een privaat vechtsportbedrijf, terwijl het evenement wordt verkocht als patriottisch spektakel.
Dan gaat het niet meer alleen om sport. Dan gaat het om beeldvorming. Om toegang. Om wie de camera bezit. Om wie het publiek mag bespelen. Om wie geweld mag veranderen in nationale identiteit.
De kooi als politiek decor
Trump begrijpt televisie beter dan bestuur. Dat is altijd zijn kracht geweest. Hij denkt in scènes, in vernederingen, in winnaars en verliezers. Voor hem is politiek geen gemeenschappelijk gesprek over hoe mensen samenleven. Politiek is een arena. Je domineert of je wordt gedomineerd. Je slaat terug of je gaat ten onder. Je bent sterk of je wordt uitgelachen. De UFC past perfect in dat wereldbeeld.
Niet omdat elke vechter of fan dat wereldbeeld deelt, maar omdat het format zo bruikbaar is voor autoritaire politiek. De kooi maakt alles overzichtelijk. Twee lichamen. Eén winnaar. Eén verliezer. Geen ingewikkelde structuren. Geen geschiedenis. Geen ongelijkheid. Geen armoede. Geen zorgcrisis. Geen klimaat. Geen koloniale erfenis. Alleen strijd.
Voor een politicus als Trump is dat goud waard. Hij hoeft geen oplossing te bieden. Hij hoeft alleen maar te laten zien dat hij “vecht”. Dat woord is niet toevallig. Trump gebruikt het al jaren. Hij vecht tegen de media. Hij vecht tegen rechters. Hij vecht tegen migranten. Hij vecht tegen de “deep state”. Hij vecht tegen links. Hij vecht tegen alles wat hem beperkt. De belofte is niet dat het leven beter wordt. De belofte is dat iemand anders klappen krijgt. Dat is de politiek van de kooi.
Een vriendschap die nuttig werd
De band tussen Trump en UFC-baas Dana White is niet nieuw. Toen de UFC nog een omstreden, bijna bankroete organisatie was, bood Trump ruimte aan in zijn casino in Atlantic City. Voor White werd dat een bewijs van loyaliteit. Trump hielp de UFC toen veel anderen afstand hielden. Jaren later betaalde White die loyaliteit terug.
Dat is de simpele versie van het verhaal: twee mannen die elkaar trouw blijven. Maar politiek gezien is het interessanter. Hier zie je hoe zakelijke vriendschappen kunnen veranderen in politieke infrastructuur. De ene partij biedt ruimte, prestige en bescherming. De andere partij biedt publiek, imago en toegang tot een moeilijk bereikbare groep kiezers.
Voor Trump was de UFC-wereld bijzonder waardevol na 6 januari 2021. Na de bestorming van het Capitool was hij tijdelijk beschadigd. Hij was van sociale media verwijderd, zijn publieke zichtbaarheid nam af, en zelfs sommige rechtse stemmen hielden even afstand. Maar in de UFC-omgeving kon hij terugkeren als held van de harde kern: niet als president die had geprobeerd een verkiezingsnederlaag te ondermijnen, maar als vechter die niet opgeeft. Dat beeld was politiek bruikbaar. De zaal juicht. De camera draait. De boodschap is helder: hij is nog niet verslagen.
Jonge mannen als doelwit
De UFC is voor Trump niet alleen een merk. Het is een toegangspoort tot een publiek dat hij nodig heeft: jonge mannen die zich afkeren van traditionele politiek, maar wel gevoelig zijn voor podcasts, online heldenverhalen, anti-woke-retoriek en de fantasie van persoonlijke dominantie.
Dat publiek hoeft niet eens diep ideologisch te zijn. Het hoeft niet de hele Republikeinse agenda te kennen. Het hoeft geen beleidsstukken te lezen. Het hoeft alleen maar het gevoel te hebben dat Trump “echt” is, dat hij tegen “het systeem” ingaat, dat hij sterker is dan zijn vijanden.
Daarom waren figuren als Dana White en Joe Rogan zo belangrijk. Zij bewegen in een cultuur waarin politiek niet wordt verpakt als partijprogramma, maar als gesprek, show, grap, uitdaging, strijd en persoonlijke authenticiteit. Dat maakt het minder herkenbaar als propaganda, maar niet minder politiek.
De manosfeer werkt vaak precies zo. Ze verkoopt geen samenhangende ideologie aan het begin. Ze verkoopt een gevoel: jij wordt tekortgedaan, jij mag boos zijn, jij moet harder worden, jij moet niemand vertrouwen die spreekt over gelijkheid, feminisme, racisme of solidariteit. Daarna komt de politiek vanzelf.
Trump heeft dat begrepen. Hij verkoopt zichzelf niet aan jonge mannen als conservatieve bestuurder. Hij verkoopt zichzelf als ultieme overlever. Als man die alles mag zeggen. Als man die niet buigt. Als man die wordt aangevallen omdat hij zogenaamd namens hen terugvecht. Dat is gevaarlijk, juist omdat het zo eenvoudig voelt.
Joe Rogan als politieke brug
In die wereld is Joe Rogan misschien nog belangrijker dan Dana White. White levert Trump de organisatie, de toegang en het officiële UFC-stempel. Rogan levert iets anders: geloofwaardigheid bij een enorm publiek dat zichzelf graag ziet als onafhankelijk, sceptisch en moeilijk te sturen.
Rogan is niet zomaar een podcaster die af en toe over vechtsport praat. Hij hoort bij de geschiedenis van de UFC zelf. In 1997 dook hij al op bij UFC 12, toen de organisatie nog marginaal was, verbannen uit veel staten en afhankelijk van kleine zalen, slechte deals en een publiek dat de sport vooral kende als rauw geweld. Rogan begon als interviewer en groeide later uit tot een van de bekendste stemmen van de UFC. Zijn stem hoorde bij de normalisering van de sport. Hij legde uit wat er gebeurde in de kooi, maakte het begrijpelijk, gaf het taal en spanning, en hielp zo mee om een omstreden vechtspektakel om te bouwen tot mainstream entertainment.
Daarom doet zijn politieke verschuiving ertoe.
Rogan was niet altijd een openlijke Trump-bondgenoot. Hij presenteerde zichzelf jarenlang als iemand die boven de partijen stond: libertair, sceptisch, anti-establishment, soms links klinkend, soms reactionair, vaak vooral wantrouwig tegenover instituties. In 2020 sprak hij nog positief over Bernie Sanders. Na de bestorming van het Capitool noemde hij Trump gevaarlijk, juist omdat Trump volgens hem mensen kon aanzetten tot iets doms en gewelddadigs. Dat was geen kleine uitspraak. Rogan zag toen nog dat Trumps stijl niet alleen theater was, maar ook echte gevolgen had.
Maar precies daar wordt zijn latere draai zo veelzeggend.
Toen Trump in 2024 zijn weg terugzocht naar de macht, kwam hij niet alleen via Fox News, campagnebijeenkomsten en Republikeinse partijstructuren. Hij kwam via podcasts, vechtsport, YouTube, influencers en lange gesprekken waarin hij zich kon presenteren als losse, grappige, miskende en onverwoestbare buitenstaander. Rogans podcast was daarbij een hoofdprijs. Een gesprek van bijna drie uur bij Rogan betekende toegang tot miljoenen luisteraars die traditionele media wantrouwen en zichzelf liever zien als mensen die “zelf onderzoek doen”.
Dat is de kracht van Rogan. Hij hoeft niet als campagneleider op te treden om politiek belangrijk te zijn. Zijn studio voelt voor veel luisteraars niet als propaganda, maar als een huiskamer. Juist daardoor kan macht daar zachter landen. Trump hoefde er niet uit te zien als een autoritaire politicus. Hij kon er verschijnen als bekende gast, als vechter, als man met verhalen, als iemand die door “het systeem” is tegengewerkt en toch is blijven staan.
Daarmee werd Rogan een brug tussen verschillende werelden: UFC-fans, podcastluisteraars, jonge mannen, anti-woke-influencers, cryptomannen, complotdenkers, libertairen, teleurgestelde Sanders-aanhangers en gewone mensen die de gevestigde media niet meer vertrouwen. Niet iedereen in dat publiek is extreemrechts. Niet iedereen stemde automatisch op Trump. Maar Trump had ook geen volledige ideologische bekering nodig. Hij had aandacht nodig. Vertrouwen. Normalisering. Het gevoel dat hij weer mocht aanschuiven.
Rogan gaf hem dat.
Zijn steun vlak voor de verkiezing van 2024 was daarom meer dan een persoonlijke voorkeur. Het was een cultureel signaal. De man die ooit zei dat Trump gevaarlijk was, hielp hem nu terug het centrum van de macht in. Niet via een partijcongres, maar via de mediawereld waar jonge mannen hun politieke gevoel steeds vaker vormen: lange podcasts, korte clips, sportcommentaar, internetgrappen en gesprekken waarin wantrouwen tegenover gevestigde media, instituties en bestuurders wordt gemengd met bewondering voor miljardairs, vechters en sterke leiders.
Dat maakt Rogan zo belangrijk in dit verhaal. Hij laat zien hoe Trumpisme niet alleen via partijpolitiek groeit, maar ook via sfeer. Via toon. Via vriendschappen. Via mannen die zeggen dat ze alleen maar vragen stellen, terwijl ze ondertussen bepalen wie betrouwbaar klinkt en wie niet.
De voorste rij van de macht
Bij het UFC-spektakel in het Witte Huis ging het niet alleen om Trump, Dana White en Rogan. Het ging ook om de mensen die zichtbaar dichtbij wilden zijn. Bekende figuren zitten vooraan. Techmiljardairs, mediamagnaten, zakenmensen en politieke bondgenoten hoeven niet allemaal hetzelfde te zeggen om toch dezelfde boodschap uit te dragen: wie dicht bij de leider zit, zit dicht bij de macht.
Daar past Mark Zuckerberg pijnlijk goed in.
Na 6 januari werd Trump door Facebook geweerd omdat zijn gebruik van het platform werd gezien als aanjagen van geweld en ontwrichting. Dat leek even op een grens. Een techbedrijf dat zei: tot hier en niet verder. Maar jaren later zat Zuckerberg weer zichtbaar in de buurt van Trump, aanwezig bij hetzelfde soort machtsvertoon dat juist laat zien hoe weinig die grens uiteindelijk waard was.
Dat is geen detail. Het is een beeld van hoe macht werkt in een autoritaire tijd. Bedrijven nemen afstand wanneer een leider giftig lijkt, en schuiven weer aan wanneer dezelfde leider opnieuw toegang, contracten, invloed of bescherming kan bieden. De morele taal verdwijnt zodra de machtsbalans verandert.
De voorste rij vertelt dan bijna meer dan de kooi zelf. Daar zitten de mensen die begrijpen dat nabijheid tot Trump geld, invloed en bescherming kan opleveren. Daar zitten de mensen die niet per se hoeven te juichen om toch mee te doen. Hun aanwezigheid zegt: wij houden rekening met deze macht. Wij willen gezien worden. Wij willen niet buiten het hek staan.
Zo verandert het Witte Huis in een hof. Niet met lakeien en kroonluchters als kern van het verhaal, maar met livestreams, VIP-plaatsen, techmiljardairs, sportbazen en influencers. De leider hoeft niet iedereen formeel te bevelen. Het is genoeg dat iedereen begrijpt waar de camera op staat.
Het Witte Huis als marketingafdeling
Het meest verontrustende aan de UFC-show bij het Witte Huis is niet dat er gevochten werd. Het meest verontrustende is dat publiek bezit, presidentiële symboliek en commerciële belangen zo gemakkelijk in elkaar schoven.
Het Witte Huis is geen privéclub. Het is geen casino. Het is geen streamingstudio. Het is geen decorstuk van een vechtsportbedrijf. Het is een publiek gebouw dat symbool staat voor staatsmacht. Juist daarom doet het ertoe wanneer die plek wordt gebruikt als podium voor een commerciële organisatie die nauw verbonden is met de president.
Wie mocht filmen? Wie kreeg toegang? Wie verdiende eraan? Wie bepaalde het beeld? Wie werd buitengesloten? Dat zijn geen technische vragen. Dat zijn democratische vragen.
Wanneer macht zichzelf laat uitzenden via gecontroleerde beelden, ontstaat een nieuwe vorm van hofcultuur. Bedrijven komen dichterbij de leider. Mediamerken krijgen toegang. Bekende figuren zitten vooraan. Kritische afstand wordt ingeruild voor nabijheid. Wie meedoet, krijgt zichtbaarheid. Wie bezwaar maakt, staat buiten het hek. Zo wordt het Witte Huis een marketingafdeling van de macht.
En precies dat past in Trumps bredere politiek. Hij behandelt de staat niet als iets wat van iedereen is, maar als bezit. Als podium. Als instrument. Als merkversterker. De grens tussen president, bedrijf, campagne, familie, media en persoonlijke loyaliteit vervaagt steeds verder. Dat is geen rommelige stijl. Dat is de methode.
Geweld als nationale fantasie
De Amerikaanse politiek is al lang doordrenkt van geweld. Dat geweld zit in de geschiedenis van slavernij, kolonisatie, politie, grenzen, gevangenissen, oorlogen en wapenbezit. Trump heeft dat geweld niet uitgevonden. Hij heeft het wel opnieuw vormgegeven als entertainment.
Bij hem wordt geweld een taal van herstel. De natie zou vernederd zijn. Mannen zouden zwak zijn gemaakt. Grenzen zouden zijn opengezet. Protest zou te luid zijn. Universiteiten zouden zijn overgenomen. Migranten zouden het land bedreigen. De oplossing is telkens hetzelfde: harder optreden, harder spreken, harder slaan.
De UFC-show past in die symboliek. De kooi wordt een fantasie van orde. Binnen de kooi lijkt geweld gereguleerd. Buiten de kooi verkoopt Trump dezelfde logica als politiek: zet mensen vast, sluit grenzen, intimideer tegenstanders, verneder journalisten, dreig met militair geweld, behandel kritiek als vijandschap.
Dat maakt het spektakel zo giftig. Het doet alsof geweld eerlijk is, zolang er maar regels omheen staan. Maar in de echte wereld stappen mensen niet als gelijken een kooi in. In de echte wereld hebben staten legers, politie, gevangenissen, rechtbanken, grensbewaking, databanken en drones. In de echte wereld krijgen sommige lichamen bescherming en andere lichamen klappen. De politiek van de kooi verbergt die ongelijkheid. Ze doet alsof iedereen simpelweg harder moet vechten.
De valse arbeidersheld
Trump en Dana White verkopen dit soort spektakel graag als volks, ruw en anti-elitair. Geen nette praatprogramma’s. Geen keurige experts. Geen moraliserende liberalen. Gewoon vechten. Gewoon mannen. Gewoon Amerika. Maar dat is schijn.
De UFC is geen volksvergadering. Het is een miljardenbedrijf. Trump is geen arbeider, maar een vastgoedman, mediamerk en politieke ondernemer. De mensen voor wie hij zegt te vechten, krijgen geen betere zorg, geen zekerder inkomen, geen lagere huur, geen macht op hun werk en geen bescherming tegen uitbuiting. Ze krijgen symbolen. Ze krijgen vijanden. Ze krijgen een show.
Dat is de kern van reactionair populisme: het verkoopt vernedering als erkenning. Jonge mannen die vastlopen in onzeker werk, schulden, eenzaamheid, woningnood en toekomstangst krijgen niet te horen wie werkelijk profiteert van hun onzekerheid. Ze krijgen te horen dat feministen, migranten, trans mensen, linkse docenten of “woke” media hun probleem zijn. Hun woede wordt niet bevrijd, maar omgeleid. Weg van kapitaal. Weg van bazen. Weg van miljardairs. Weg van oorlogspolitiek. Richting kwetsbare groepen. Zo wordt frustratie een grondstof voor autoritaire politiek.
Ook Nederland kijkt mee
Dit is niet alleen een Amerikaans verhaal. Nederland krijgt de beelden, de woorden en de politieke stijlen mee geïmporteerd. Niet één op één, maar wel herkenbaar. Ook hier wordt politiek steeds vaker verkocht als gevecht. Ook hier doen politici alsof hardheid hetzelfde is als eerlijkheid. Ook hier worden demonstranten, migranten, moslims, trans mensen en linkse organisaties neergezet als vijanden van “gewone mensen”.
We hebben hier geen UFC-kooi op het Binnenhof nodig om dezelfde logica te herkennen. Ze zit in talkshows waar vernedering beter scoort dan uitleg. Ze zit in Kamerdebatten waarin stoere taal belangrijker wordt dan waarheid. Ze zit in partijen die sociale onzekerheid misbruiken om racisme te normaliseren. Ze zit in politici die “vrijheid” roepen terwijl ze demonstratierecht, persvrijheid en solidariteit verdacht maken.
De Amerikaanse cultuurmachine maakt die stijl groter, sneller en aantrekkelijker. Podcasts, clips, influencers en sportbeelden reizen moeiteloos de oceaan over. Wat vandaag in Washington als spektakel wordt opgevoerd, kan morgen in Nederlandse Telegramgroepen, talkshows en campagnes terugkomen als houding: niet luisteren, maar domineren. Niet zorgen, maar straffen. Niet samenleven, maar winnen.
Daarom moeten we zulke beelden serieus nemen. Niet omdat iedereen die ernaar kijkt meteen extreemrechts wordt. Maar omdat politiek ook wordt gevormd door sfeer, herhaling en verlangen. Door wat mensen stoer leren vinden. Door wie ze als sterk leren zien. Door welke vormen van macht normaal gaan voelen.
De kooi openbreken
De vraag is niet of Trump van vechtsport houdt. De vraag is wat er gebeurt wanneer een president vechtsport gebruikt om zijn macht natuurlijk, mannelijk en onvermijdelijk te laten lijken.
Dat is het gevaar van de UFC-show bij het Witte Huis. Ze maakt autoritaire politiek aantrekkelijk als spektakel. Ze verandert publieke macht in privé-entertainment. Ze verkoopt commerciële belangen als vaderlandsliefde. Ze gebruikt jonge mannen als publiek, markt en politieke brandstof.
De kooi staat dus niet alleen op het gazon. Ze staat ook in de podcaststudio, in de clip die viraal gaat, in de grap die politiek onschuldig lijkt, en in de voorste rij waar miljardairs doen alsof hun aanwezigheid geen keuze is.
Maar een samenleving is geen kooi. Democratie begint juist waar mensen weigeren elkaar alleen nog als tegenstander te zien. Vrijheid begint niet bij de sterkste vuist, maar bij de bescherming van wie niet bovenaan staat. Solidariteit is geen zwakte. Het is de weigering om je woede te laten kapen door mensen die rijker en machtiger worden van jouw frustratie.
Trump wil dat politiek voelt als een gevecht waarin maar één iemand kan winnen. Dat is precies waarom we een andere taal nodig hebben. Een taal van zorg, verzet, gelijkwaardigheid en collectieve macht. Niet omdat conflicten verdwijnen, maar omdat we weigeren de wereld te laten organiseren als arena voor sterke mannen.
De kooi is niet alleen een decor. Het is een waarschuwing. Wie politiek verandert in een vechtsportshow, vraagt het publiek niet om mee te denken. Die vraagt het publiek om te juichen.
En precies daar begint het verzet: niet juichen, maar kijken. Niet meegaan in de roes, maar de constructie zien. Niet vergeten wie eraan verdient. Niet vergeten wie buiten beeld blijft. Niet vergeten dat achter elk spektakel van macht gewone mensen staan die iets anders nodig hebben dan nog een leider die belooft voor hen te vechten. Ze hebben macht over hun eigen leven nodig.
Geen kooi.
Als dit stuk je iets waard is, maak het dan mee mogelijk.
vrheid.nl schrijft sinds 2000 onafhankelijk, links en zonder commerciële leash. Geen advertenties, geen algoritmische dwang, geen redactionele knieval.
Voor €5 per maand steun je dit werk en ontvang je nieuwe stukken direct in je mailbox.
