Spoorbrug loopt door een droog Tibetaans berglandschap onder een donkere wolkenlucht.
Infrastructuur in Tibet toont de spanning tussen ontwikkeling, staatsmacht en zelfbeschikking.

Tibet tussen bevrijding en bezetting

Een jongen leest Lenin op een school waar hij vooral gehoorzaamheid moet leren. Niet in Moskou, niet in Peking, maar in een Tibetaans grensgebied waar Chinese nationalisten, lokale machthebbers en oude elites allemaal aan hetzelfde land trekken. Hij leest over volkeren die macht hebben en volkeren die macht moeten ondergaan. Over de grote natie die haar gewicht gebruikt. Over de kleine natie die zich verzet omdat zij anders verdwijnt. En hij herkent zichzelf.

Wat Phuntsok Wangyal ons nog te zeggen heeft

Die jongen was Phuntsok Wangyal, ook bekend als Phünwang. Later werd hij een van de oprichters van een geheime Tibetaanse Communistische Partij. Niet omdat hij Tibet wilde laten verdwijnen in China, maar omdat hij dacht dat socialisme, zelfbeschikking en Tibetaanse moderniteit samen konden gaan. Zijn leven, vastgelegd in A Tibetan Revolutionary: The Political Life and Times of Bapa Phüntso Wangye, blijft ongemakkelijk voor bijna iedereen. Voor Beijing, omdat hij liet zien dat Tibetaanse bevrijding niet hetzelfde is als Chinese staatsmacht. Voor westerse anticommunisten, omdat hij liet zien dat Tibetaanse vrijheid niet automatisch thuishoort in het kamp van Washington. En voor links, omdat zijn lot vraagt wat internationalisme waard is als het zwijgt zodra de onderdrukker zich socialistisch noemt.

Phuntsok Wangyal begon zijn politieke leven niet als vijand van het communisme, maar als iemand die er een taal in vond voor wat hij om zich heen zag: overheersing, vernedering, armoede, achterstelling, en vooral de harde grens tussen grote naties en kleine volkeren. Zijn Tibetaanse communisme was geen exotische voetnoot. Het was een poging om een andere toekomst te openen. Een Tibet dat niet werd vastgehouden door feodale elites, maar ook niet werd opgeslokt door een Chinese staat die zichzelf als bevrijder presenteerde.

Steun vrheid.nl op Substack

Daar zit de pijn. En daar zit ook de les.

Tibet past niet in de Koude Oorlog

Wie over Tibet spreekt, wordt vaak meteen een kamp ingeduwd. Aan de ene kant staat de lezing van Beijing: Tibet zou door China zijn bevrijd uit feodale achterlijkheid. Aan de andere kant staat de westerse lezing: Tibet als zuiver slachtoffer van communisme, bruikbaar als moreel bewijsstuk in de geopolitieke strijd tegen China.

Beide lezingen doen iets met Tibet. Ze maken het kleiner.

De eerste lezing wist Tibetaanse autonomie uit en noemt overheersing ontwikkeling. De tweede maakt van Tibet een instrument in de handen van staten die zelf een lange koloniale geschiedenis hebben. De Verenigde Staten en Europa hebben niet ineens schone handen omdat ze Beijing bekritiseren. Hun regeringen hebben mensenrechten vaak gebruikt als vlag op een schip dat gewoon machtspolitiek vervoert.

Dat betekent niet dat de onderdrukking in Tibet verzonnen is. Integendeel. Tibet is een van de zwaarst gecontroleerde gebieden ter wereld. Politieke rechten zijn er vrijwel afwezig. Religieuze praktijk, taal, onderwijs, beweging en publieke herinnering worden bewaakt door een staat die afwijking snel als bedreiging behandelt. Maar solidariteit met Tibet wordt pas eerlijk als zij weigert om Tibetaans leed te gebruiken als brandstof voor nieuw imperialisme. Wie Tibet alleen noemt om oorlogstaal tegen China te verkopen, luistert niet naar Tibetanen. Die gebruikt hen.

Een communisme dat Tibetaans wilde zijn

Phuntsok Wangyal en zijn kameraden wilden geen Tibet dat door Peking werd bestuurd. Ze droomden van een modern, sociaal rechtvaardig Tibet, gedragen door Tibetanen zelf. Als jonge studenten lazen zij Lenin en Stalin, maar hun uitgangspunt lag dichterbij huis: Chinese militaire druk in Kham en Amdo, de zwakte van de Tibetaanse machtselite, en de vraag hoe Tibet zichzelf kon vernieuwen zonder zichzelf kwijt te raken.

Daarom is hun geschiedenis zo belangrijk. Tibetaanse communisten kwamen niet op uit een fabriekspoort, zoals in het klassieke Europese beeld van revolutie. Zij kwamen op uit grensgebieden waar nationalisme, oorlog en koloniale expansie door elkaar liepen. Hun socialisme begon niet bij de loonstrook, maar bij land, taal, waardigheid en zelfbestuur.

In 1949 ging hun partij op in de Chinese Communistische Partij. Dat was geen administratief detail. Het was het breekpunt. De Tibetaanse communisten hadden gehoopt dat het communistische spreken over nationaliteiten, gelijkheid en zelfbeschikking hen ruimte zou geven. Maar in de praktijk bleek de Chinese revolutie ook erfgenaam van oudere staatsprojecten: grenzen uitbreiden, randgebieden disciplineren, minderheden beheren, taal en bestuur centraliseren. De rode vlag veranderde de logica van het rijk niet vanzelf.

Wangyal zou later zelf slachtoffer worden van dat mechanisme. Zijn pleidooi voor Tibetaanse belangen werd verdacht gemaakt als lokaal nationalisme. Hij zat jarenlang gevangen. De man die had geloofd dat socialisme Tibet kon bevrijden, werd opgesloten door een staat die zichzelf socialistisch noemde.

Dat is geen persoonlijke tragedie alleen. Het is een politieke waarschuwing.

Bevrijding zonder zelfbeschikking is geen bevrijding

Koloniale macht noemt zichzelf zelden koloniale macht. Zij noemt zich orde, ontwikkeling, veiligheid, modernisering, vooruitgang. In Tibet kreeg die taal een socialistische jas. Het oude Tibet was ongelijk, hard en hiërarchisch. Daar hoeven we niet romantisch over te doen. Er waren elites, kloosters met macht, zware lasten voor gewone mensen. Maar het bestaan van onrecht binnen een samenleving geeft een andere staat nog geen recht om die samenleving te bezetten, te kneden en te gebruiken.

Dat argument kennen we. Europa gebruikte het in Afrika en Azië. De Verenigde Staten gebruikten het tegen inheemse volkeren. Israël gebruikt het tegen Palestijnen. Steeds keert dezelfde gedachte terug: zij zijn achterlijk, wij brengen vooruitgang. Zij zitten vast in het verleden, wij duwen hen de toekomst in. En altijd blijkt die toekomst vooral goed voor de macht die haar oplegt.

In Tibet betekent ontwikkeling vaak: spoorlijnen, mijnbouw, waterkracht, toerisme, surveillance, kostscholen en arbeidsdiscipline. China presenteert groei als bewijs van succes. Maar groei is nooit neutraal. De vraag is altijd: wie beslist, wie verdient, wie verdwijnt?

Als rivieren worden afgedamd, als grondstoffen worden gewonnen, als toerisme cultuur omzet in decor, dan gaat het niet alleen om economie. Dan gaat het om land. Om taal. Om wie ergens thuis mag blijven op eigen voorwaarden. Tibet is in de eenentwintigste eeuw geen afgelegen mythe, maar een knooppunt in de wereldwijde infrastructuur van kapitaal, energie en staatsmacht.

Taal als slagveld

Wie een volk wil beheersen, begint vaak bij de kinderen.

Niet altijd met soldaten. Soms met schoolroosters, internaatbedden, lesboeken en de taal waarin rekenen wordt gegeven. China’s zogenoemde tweetalige onderwijs heeft in Tibetaanse gebieden de positie van Tibetaans als instructietaal sterk teruggedrongen. Particuliere scholen die Tibetaanse taal en cultuur centraal stelden, zijn onder druk gezet of gesloten. Wat overblijft, is vaak Tibetaans als vak, niet als wereld.

Dat klinkt bestuurlijk. Het is intiem geweld.

Een taal verdwijnt niet alleen uit een klaslokaal. Zij verdwijnt uit de manier waarop een kind leert dromen, ruziën, bidden, grappen maken, rouwen. Natuurlijk blijft een taal soms voortbestaan in families, in liederen, in heimelijke lessen. Maar de staat weet wat hij doet. Wie kinderen vroeg losmaakt van hun taal, maakt hen later makkelijker inzetbaar in een economie die hen niet als volk ziet, maar als arbeid.

Daarom is Tibet geen bijzaak voor links. Het gaat hier niet alleen om religieuze vrijheid of culturele rechten, al zijn die op zichzelf belangrijk. Het gaat om de vraag of een staat, in naam van ontwikkeling, een volk mag omvormen tot bruikbare grondstof.

De val van kampdenken

Een deel van links heeft moeite met Tibet omdat het bang is in hetzelfde koor te belanden als NAVO-politici, rechtse China-haviken en liberale mensenrechtenindustrie. Die angst is begrijpelijk. Maar zij mag geen excuus worden om weg te kijken.

Antikapitalisme zonder antikolonialisme wordt snel een koude administratie. Dan telt alleen nog welke staat tegenover de Verenigde Staten staat, niet hoe die staat omgaat met volkeren binnen zijn grenzen. Dan wordt multipolariteit een woord waarmee je gevangenissen, kostscholen en taalpolitiek gladstrijkt.

Echte solidariteit kiest niet tussen Washington en Beijing. Zij kiest tegen overheersing.

Dat vraagt precisie. China is niet het enige rijk. De Verenigde Staten en Europa hebben geen moreel monopolie. Westerse regeringen gebruiken Tibet vaak selectief, terwijl ze zwijgen over bondgenoten die vergelijkbare koloniale politiek voeren. Maar de hypocrisie van het Westen maakt de onderdrukking door Beijing niet minder werkelijk. Twee dingen kunnen tegelijk waar zijn. Sterker nog: wie macht serieus neemt, moet leren om twee dingen tegelijk waar te laten zijn.

Phuntsok Wangyal dwingt ons daartoe. Zijn leven zegt: socialisme zonder zelfbeschikking kan koloniale vorm aannemen. Nationalisme zonder sociale rechtvaardigheid kan gewone mensen opnieuw uitleveren aan elites. Mensenrechten zonder antikapitalisme kunnen eindigen als fondsenwerving en buitenlandbeleid. En solidariteit zonder luisteren wordt snel bezit.

Wat blijft er over van Tibetaanse communistische dromen?

Misschien was het Tibetaanse communisme van Wangyal te jong, te klein, te kwetsbaar. Misschien had het te weinig wortels onder boeren, herders, monniken, arbeiders en families die vooral wilden overleven. Misschien kon een groep jonge intellectuelen onmogelijk op tegen aristocratische belangen, Chinese militaire macht en de logica van een opkomende partijstaat.

Maar mislukking is niet hetzelfde als vergissing.

Wat Wangyal en zijn kameraden probeerden, blijft belangrijk omdat zij een derde ruimte openden. Niet terug naar een geïdealiseerd oud Tibet. Niet vooruit naar een door Beijing opgelegde moderniteit. Maar een Tibet waarin gewone Tibetanen zelf konden beslissen hoe verandering eruit moest zien.

Die vraag is vandaag scherper dan ooit.

Want Tibet is niet alleen een kwestie van vlaggen of diplomatieke verklaringen. Het gaat om wie over land beschikt, wie water beheert, wie profiteert van mijnbouw, wie de taal van de school bepaalt, wie de camera’s ophangt, wie mag reizen, wie mag terugkeren, wie wordt gezien als burger en wie als probleem.

Daarom moet solidariteit met Tibet breder worden dan de oude reflexen. Zij hoort thuis naast de strijd van Palestijnen tegen kolonisatie, van Oeigoeren tegen massale repressie, van inheemse volkeren tegen pijpleidingen en mijnbouw, van arbeiders tegen uitbuiting, van migranten tegen grensregimes. Niet omdat al die geschiedenissen hetzelfde zijn, maar omdat macht vaak van elkaar leert. Staten kijken naar elkaars methoden. Bedrijven volgen elkaars winsten. Legers en politie wisselen technieken uit. Dan moet verzet ook leren verbinden.

Tibetaanse vrijheid vraagt niet om redders in smoking, niet om popconcerten die schuldgevoel omzetten in consumptie, niet om parlementariërs die Tibet gebruiken als pion in een nieuwe Koude Oorlog. Zij vraagt om bondgenoten die kunnen luisteren zonder te bezitten. Die Beijing kunnen bekritiseren zonder Washington te dienen. Die begrijpen dat taal, land, arbeid en geheugen samen één strijd kunnen vormen.

Phuntsok Wangyal verloor veel. Zijn partij verdween. Zijn vertrouwen werd bestraft. Zijn lichaam werd opgesloten. Maar de vraag waarmee hij begon, is niet verdwenen: wat betekent bevrijding voor een klein volk dat wordt ingeklemd tussen oude elites, nieuwe staten en een wereldmarkt die alles wil gebruiken?

Misschien begint een eerlijk antwoord daar. Niet bij de keuze tussen China en het Westen, maar bij Tibetanen zelf. Bij hun recht om niet achterlijk genoemd te worden omdat zij hun taal willen spreken. Niet ondankbaar omdat zij groei wantrouwen. Niet separatistisch omdat zij zelf willen beslissen over hun land. Niet romantisch omdat zij weigeren om hun toekomst te laten bouwen door degenen die aan hun onderwerping verdienen.

Daar, in die weigering, leeft iets van Wangyals droom voort. Niet als blauwdruk. Wel als opdracht.

Als dit stuk je iets waard is, maak het dan mee mogelijk.

vrheid.nl schrijft sinds 2000 onafhankelijk, links en zonder commerciële leash. Geen advertenties, geen algoritmische dwang, geen redactionele knieval.

Voor €5 per maand steun je dit werk en ontvang je nieuwe stukken direct in je mailbox.

Steun deze dwarse plek

Aanbevolen voor jou