Elke avond wordt ergens in Hilversum besloten wie het land mag uitleggen. Dat klinkt groot, misschien te groot, want het gaat om televisie: een redactie belt, een gast zegt ja of nee, iemand schuift aan, iemand blijft thuis. Toch begint daar al macht. Niet pas wanneer iemand iets zegt, maar eerder, bij de keuze wie vanzelfsprekend genoeg wordt gevonden om het woord te krijgen.
Aan tafel zitten de vaste gezichten van de Nederlandse redelijkheid: oud-politici, columnisten, Haagse journalisten, partijstrategen die tegenwoordig duider heten. Soms schuift iemand aan die de gevolgen van beleid heeft gevoeld, maar vaak pas nadat anderen al hebben bepaald waar het gesprek over gaat, hoe lang de pijn mag duren en wie daarna mag zeggen dat het allemaal ingewikkeld ligt.
Zo krijgt televisie de vorm van openbaarheid. Er wordt gesproken, tegengesproken, gelachen, onderbroken. Er is spanning, er is haast, er is een belofte dat de kijker getuige is van het publieke debat. Maar openbaarheid is niet hetzelfde als democratie. Democratie vraagt niet alleen dat er mensen praten. Zij vraagt ook wie telkens opnieuw mag praten, wie als redelijk wordt aangekondigd, wie als boos wordt neergezet, wie mag duiden en wie alleen zijn wond mag laten zien.
De selectie gebeurt voordat het gesprek begint
Talkshows doen graag alsof de dag vanzelf aan tafel verschijnt. Een crisis, een rel, een peiling, een verkiezingsavond: alles krijgt dezelfde vorm. Een paar bekende gezichten, een paar meningen, een paar minuten om te laten zien dat er is gereageerd. Daarna moet het door, want televisie houdt niet van traagheid, en de macht al helemaal niet.
Maar een tafel is geen samenleving. Zij is een selectie. Iemand kiest wie er komt, wie tegenover wie zit, welke vraag urgent is en welke vraag ongemakkelijk heet. Iemand bepaalt of een onderwerp over macht gaat of over toon, over beleid of over beeld, over slachtoffers of over “de politieke gevolgen”. Die keuzes lijken praktisch, maar ze sturen het gesprek voordat het begonnen is.
Als bij wonen vooral bestuurders en vastgoedmensen praten, wordt huurderswoede al snel een probleem van draagvlak. Als bij migratie vooral politici en opiniemakers spreken, worden mensen op de vlucht een onderwerp in plaats van mensen met een stem. Als bij racisme steeds iemand moet aanschuiven om eerst rustig uit te leggen dat racisme bestaat, blijft de macht buiten beeld. Dan gaat het niet over structuren, maar over de vraag of de pijn wel netjes genoeg wordt uitgesproken.
De tafel lijkt open, maar zij is vaak al gedekt voordat de kijker inschakelt.
Toegang maakt voorzichtig
Journalistiek leeft van vragen stellen, maar in Den Haag leeft journalistiek ook van toegang. Een interview met een minister, een appje van een woordvoerder, een achtergrondgesprek, een lek op het juiste moment: het zijn geen bijzaken. Het zijn middelen waarmee nabijheid wordt verdeeld.
Een partij hoeft een journalist niet openlijk te bedreigen om druk uit te oefenen. Zij kan minder snel terugbellen, een verzoek laten liggen, een interview aan een ander programma geven of een kritische redactie passeren. Meestal blijft het bij dat zachte spel van toegang en afstand. Maar soms wordt zichtbaar wat normaal onder de oppervlakte blijft. In 2023 pakte VVD-perschef Kees Berghuis tijdens een interviewpoging met Sophie Hermans de microfoon van een Left Laser-journalist af en gooide die weg. De vraag was opdringerig, misschien ongemakkelijk, maar dat is precies het punt: macht wil zelf bepalen wanneer zij bevraagd wordt en door wie.
Zo ontstaat discipline zonder officieel verbod. Iedereen kan blijven zeggen dat de pers vrij is, terwijl onder de oppervlakte duidelijk wordt welke vragen gevolgen hebben.
Dat is misschien het benauwendste: controle hoeft niet altijd hardop te worden uitgesproken. Zij wordt aangevoeld. Een journalist die weet dat te veel scherpte toegang kan kosten, hoeft niet te gaan liegen. Vaak is het subtieler. Iets minder doorvragen, iets sneller naar het volgende onderwerp, iets meer ruimte voor het ingestudeerde antwoord. Niet alleen uit lafheid, maar omdat een systeem waarin toegang wordt beloond en afstand wordt bestraft, voorzichtigheid produceert.
Dan krijg je journalistiek die de macht controleert zolang de macht bereid blijft aan tafel te komen. Dat is te smal voor echte tegenmacht.
De Haagse draaideur maakt afstand dun
Er is nog iets. De mensen die macht moeten bevragen, kennen de mensen die macht moeten verkopen vaak goed. Ze bellen elkaar, zien elkaar bij debatten, congressen, borrels en uitzendingen. Soms wisselen ze van stoel. Vandaag journalist, morgen woordvoerder. Vandaag voorlichter, morgen hoofdredacteur. Vandaag duider, morgen Kamerlid.
Neem opnieuw Kees Berghuis. Hij was chef van de Haagse redactie van RTL Nieuws, werd daarna hoofd voorlichting en spindoctor van de VVD-Kamerfractie, en werd in 2025 benoemd tot hoofdredacteur van WNL. Het laat wel zien hoe klein de wereld tussen politiek en media kan zijn, en hoe makkelijk politieke communicatie en journalistieke macht elkaar kunnen raken.
Dat betekent niet dat iedereen corrupt is. Zo simpel is het niet, en juist daarom is het gevaarlijker. Het probleem is geen geheim complot in een achterkamer. Het probleem is een cultuur waarin nabijheid normaal wordt. Mensen spreken dezelfde taal, kennen dezelfde codes, bewaren dezelfde telefoonnummers. Macht voelt dan niet langer als iets dat tegenover je staat, maar als een omgeving waarin je beweegt.
Wie jarenlang heeft geholpen een partij te verkopen, neemt kennis mee: netwerken, timing, gevoel voor redacties. Wie daarna journalistiek bedrijft, kan niet doen alsof die geschiedenis niets weegt. En wie als journalist jarenlang afhankelijk is geweest van Haagse bronnen, stapt ook niet blanco de politiek in. De draaideur maakt de grens tussen controleur en gecontroleerde dun. Te dun.
Democratie vraagt niet dat journalisten geen mensen kennen. Natuurlijk kennen ze bronnen en bouwen ze relaties op. Maar democratie vraagt wel afstand. Wantrouwen in de goede zin van het woord. Niet cynisch, niet persoonlijk, maar professioneel: jij hebt macht, dus ik geloof je niet op je blauwe ogen.
Wanneer die afstand verdwijnt, wordt journalistiek hofcultuur. Dan gaat het minder over wat beleid doet met mensen en meer over hoe handig een partij het speelt. Wie won de week? Wie had het beste frame? Wie kwam goed weg? Alsof politiek een wedstrijd is tussen communicatieafdelingen, en niet een strijd over huizen, lonen, zorg, grenzen en leven.
Publieke media moeten vrijer worden
Kritiek op de publieke omroep vraagt voorzichtigheid. Niet omdat de publieke omroep boven kritiek staat, maar omdat rechts die kritiek al jaren gebruikt om publieke voorzieningen af te breken. Eerst heet de omroep links, daarna te duur, daarna volgt de roep om snijden, korten en intimideren. Wat overblijft, is niet vanzelf vrijer. Vaak wordt het alleen maar afhankelijker van commerciële belangen.
Daar moeten we niet intrappen. Een samenleving heeft publieke media nodig: media die niet volledig draaien op adverteerders, aandeelhouders en kijkcijfers. Media waar ruimte is voor onderzoek, cultuur, jeugdprogramma’s, minderheden, traagheid, mislukking, kunst en tegenspraak. Niet alles hoeft direct te scoren. Niet alles hoeft een markt te bedienen. Juist daarin ligt de waarde van publieke media.
Recente rapporten maken die spanning alleen maar scherper. De evaluatie van het publieke omroepbestel waarschuwt dat een sterke, onafhankelijke en pluriforme publieke omroep geen vanzelfsprekendheid is. De commissie wijst op interne versnippering, op druk op journalistieke kwaliteit en op bedreigingen van buitenaf: Big Tech, AI en politieke aanvallen op de legitimiteit van de publieke omroep. Met andere woorden: de publieke omroep staat niet alleen onder druk omdat zij fouten maakt, maar ook omdat machtige partijen er belang bij hebben dat publieke ruimte zwakker wordt.
Maar publieke media verliezen hun legitimiteit wanneer ze te dicht tegen de macht aanschurken. Als zij vooral de taal van regeringspartijen laten rondzingen, wordt publiek geld gebruikt om bestaande macht te versterken. Als talkshows steeds dezelfde rechtse en liberale stemmen uitnodigen om de werkelijkheid te duiden, schuift het hele raam op. Als kritiek op beleid “emotie” heet en verdediging van beleid “realiteitszin”, dan is de tafel niet neutraal. Dan doet zij politiek werk.
De vraag is dus niet of publieke media moeten verdwijnen. De vraag is van wie ze werkelijk zijn. Van kijkers, burgers, werkenden, huurders, leerlingen, patiënten, migranten, mensen die beleid aan den lijve ondervinden? Of van de netwerken die precies weten hoe je Hilversum en Den Haag bespeelt?
Publieke media moeten niet kleiner worden gemaakt door rancuneuze politici. Ze moeten groter worden in hun onafhankelijkheid. Minder bang voor boze woordvoerders, minder verslaafd aan bekende gezichten, minder gericht op Haagse spelletjes. Meer verbonden met wijken, werkvloeren, scholen, azc’s, ziekenhuizen, voedselbanken en plekken waar beleid geen debat is, maar dagelijkse werkelijkheid.
Daar ligt hun opdracht: niet de macht gezellig ontvangen, maar haar ongemakkelijk maken.
De markt maakt journalistiek niet vanzelf vrij
Wie de publieke omroep wil afbreken, doet vaak alsof de markt het publieke gesprek wel zal redden. Maar de markt redt vooral wat geld oplevert: aandacht, bereik, advertentiewaarde. Dat betekent niet dat commerciële journalisten geen goed werk doen. Natuurlijk doen ze dat. Overal werken mensen met vakmanschap, geweten en moed. Alleen duwt het systeem een andere kant op.
Een commerciële zender wil kijkers vasthouden. Een platform wil klikken. Een krant met aandeelhouders wil groeien of overleven. Daardoor worden conflicten aantrekkelijker dan structuren, relletjes aantrekkelijker dan dossiers, bekende gezichten aantrekkelijker dan lastige waarheden. Zo verschuift journalistiek van controle naar consumptie.
Macht hoeft dan niet eens altijd druk uit te oefenen. De logica van de markt doet veel werk zelf. Een ingewikkeld verhaal over belastingontwijking of vastgoedmacht kost tijd. Een boze quote over migratie levert direct aandacht op. Een analyse van structureel racisme vraagt kennis en ongemak. Een debatje over “mag je dit nog zeggen?” vult moeiteloos een uitzending.
Zo wordt de werkelijkheid kleiner gemaakt tot wat verkoopt. Daarom zijn onafhankelijke media geen luxe en geen hobby van linkse mensen met een nieuwsbrief. Ze zijn een vorm van democratische zelfverdediging.
Wie mag duiden, krijgt gezag
De hardste macht van media zit niet alleen in wat zij zeggen. Vaak zit zij in herhaling. Als dezelfde politici, consultants, oud-bewindspersonen en columnisten steeds terugkomen, gaan zij voelen als de redelijke stemmen van het land. Niet omdat ze het land zijn, maar omdat ze vaak genoeg in beeld zijn. Herhaling maakt gezag. Zichtbaarheid maakt vanzelfsprekendheid.
In de Verenigde Staten is dat mechanisme bijna schools zichtbaar geworden. Newt Gingrichs GOPAC verspreidde begin jaren negentig een taalgids voor Republikeinse kandidaten, met woorden die zij moesten gebruiken voor zichzelf en voor hun tegenstanders. Later werd dezelfde logica verfijnd door pollsters en mediakanalen: noem iets niet “public option”, maar “government-run health insurance”, omdat dat meer wantrouwen oproept. Toen Fox News daarover een interne instructie rondstuurde, werd duidelijk hoe politieke taal via media tot een koor kan worden. Niet iedereen hoeft een bevel te krijgen. Als dezelfde woorden overal klinken, lijkt het vanzelf de werkelijkheid.
Anderen blijven tijdelijk. De huurder mag komen wanneer de huurcrisis schrijnend is. De student wanneer de pechgeneratie boos is. De ouder uit het toeslagenschandaal wanneer er excuses zijn. De Palestijn of klimaatactivist wanneer de actualiteit daarom vraagt. Maar zelden mogen zij structureel uitleggen wat macht doet. Ze mogen getuigen, niet bepalen.
Dat verschil is beslissend. Wie alleen mag getuigen, blijft afhankelijk van medelijden. Wie mag duiden, krijgt gezag.
Daarom is meer “diversiteit” aan tafel op zichzelf niet genoeg, zeker niet wanneer andere gezichten dezelfde smalle rol krijgen. De diepere vraag is wie analytische macht krijgt. Wie mag verbanden leggen? Wie mag zeggen dat een crisis geen incident is, maar beleid? Wie mag kapitalisme, racisme en staatsgeweld noemen zonder meteen als overdreven te worden behandeld?
Een democratische mediawereld zou niet bang zijn voor zulke woorden. Zij zou weten dat echte neutraliteit niet betekent dat je macht en machteloosheid precies evenveel wantrouwt. Echte journalistiek begint juist bij het besef dat macht meer middelen heeft om zichzelf te beschermen.
Onafhankelijke media als tegenmacht
Onafhankelijke media zijn niet automatisch beter. Ook daar bestaan blinde vlekken, ego’s, haast, fouten en tunnelvisie. Maar onafhankelijke media kunnen iets doen wat in de grote talkshowlogica steeds moeilijker wordt: beginnen bij de vraag wie betaalt en wie profiteert.
Niet alleen: wat zei de minister? Maar ook: wie wint bij dit beleid? Niet alleen: hoe reageert de oppositie? Maar ook: welke belangen blijven buiten beeld? Niet alleen: is de toon te hard? Maar ook: waarom moest iemand zo hard praten voordat er eindelijk werd geluisterd?
Dat soort vragen zijn onmisbaar, zeker nu autoritaire politiek groeit, extreemrechts zich normaliseert en economische macht steeds brutaler meespreekt in wat haalbaar heet. In zo’n tijd is journalistiek die vooral toegang bewaakt niet genoeg. We hebben media nodig die niet bang zijn om relaties te verliezen. Media die niet afhankelijk zijn van de goedkeuring van de mensen die zij onderzoeken. Media die fouten durven herstellen, maar niet buigen omdat een woordvoerder boos belt.
Tegenmacht begint niet met doen alsof je boven alles staat. Zij begint met eerlijk zeggen waar je staat: aan de kant van mensen die macht moeten kunnen controleren omdat zij de gevolgen ervan dragen. Dat is geen zwakte. Dat is democratische helderheid.
De tafel moet anders
De oplossing is niet dat iedereen een eigen talkshow krijgt. Ook niet dat er één linkse tafel naast de rechtse tafel komt, waarna ieder kamp zijn eigen applaus organiseert. Dat is te mager. De vraag is hoe we het publieke gesprek opnieuw organiseren.
Daarvoor is meer nodig dan een andere gastenlijst. Meer ruimte voor onderzoek. Meer tijd voor dossiers. Meer macht voor redacties buiten Hilversum en Den Haag. Meer stemmen uit buurten, bonden en gemeenschappen die nu vooral onderwerp zijn. Meer aandacht voor structuren in plaats van incidenten.
En ja, ook meer mediakritiek. Niet als zuur commentaar vanaf de zijlijn, maar als democratische oefening. Wie media bekritiseert, bekritiseert de manier waarop werkelijkheid wordt verdeeld: wie zichtbaar mag zijn, wie geloofwaardig klinkt en wie verdwijnt zodra het verhaal niet meer handig is.
De talkshowtafel is geen democratie. Hooguit een klein podium binnen een democratie, en een podium dat te vaak doet alsof het de hele zaal is. Democratie leeft niet van bekende gezichten die elkaar mogen onderbreken onder warme studiolampen. Zij leeft van mensen die macht kunnen tegenspreken zonder eerst toestemming te vragen. Van journalistiek die de deur niet dichthoudt voor wie geen woordvoerder heeft. Van media die niet alleen over vrijheid praten, maar haar oefenen door afstand te houden tot iedereen die te veel macht verzamelt.
Daarom hebben we publieke media nodig die vrijer zijn, commerciële media die eerlijker worden bevraagd, en onafhankelijke media die blijven graven, ook zonder uitnodiging, applaus of terugbelletje van de macht. Want een samenleving waarin de macht altijd aan tafel zit, maar de mensen vooral mogen kijken, is geen volwassen democratie. Het is televisie.
Als dit stuk je iets waard is, maak het dan mee mogelijk.
vrheid.nl schrijft sinds 2000 onafhankelijk, links en zonder commerciële leash. Geen advertenties, geen algoritmische dwang, geen redactionele knieval.
Voor €5 per maand steun je dit werk en ontvang je nieuwe stukken direct in je mailbox.
