De zaal oogt halfleeg, maar de spanning hangt laag boven de banken. Het is een debat over begrotingsdiscipline, al gaat het eigenlijk over iets anders. Een minister spreekt nét iets te hard, alsof volume overtuiging kan vervangen. Achter hem zitten partijen die elkaar publiekelijk wantrouwen en toch elkaars zuurstof zijn. Rechts valt uit elkaar, zo wordt gezegd. Maar wie langer kijkt, ziet geen instorting maar herschikking, geen zwakte maar hergroepering.
In Den Haag gebeurt het vaker dan we willen toegeven. Partijen op rechts splitsen, ruziën, profileren zich tegen elkaar; de een noemt de ander slap, de ander verwijt opportunisme. Het oogt als chaos. En ondertussen schuift het politieke midden verder hun kant op. Wat als fragmentatie geen teken van verval is, maar van expansie? Wat als verdeeldheid juist de vorm is waarin macht zich vandaag organiseert?
De schijn van chaos
Wie de afgelopen jaren keek naar de opkomst van nieuwe rechtse partijen zag vooral onderlinge concurrentie: afgesplitste Kamerleden, felle talkshow-optredens, een strijd om wie het ‘echte’ geluid vertegenwoordigt. Het klinkt als ruzie en het oogt als onmacht. Maar kijk naar de uitkomst. Beleidsvoorstellen over asiel, veiligheid en sociale voorzieningen zijn scherper, restrictiever en nationalistischer geworden. Wat gisteren nog extreem heette, heet vandaag realistisch; wat eerst ondenkbaar was, ligt nu op tafel als compromis. Dat is geen toeval, dat is verschuiving.
Fragmentatie als machtsvorm
In heel Europa zien we hetzelfde patroon. Radicaal-rechtse partijen concurreren nationaal, maar vinden elkaar wanneer het ertoe doet. Ze leveren gedoogsteun, drukken hun stempel op coalitieakkoorden en verschuiven stap voor stap de toon van het debat. Fragmentatie en invloed sluiten elkaar niet uit, ze versterken elkaar. Meerdere partijen betekenen meerdere ingangen in het publieke gesprek, meerdere stemmen in talkshows, meerdere onderhandelingstafels. Het Overton-venster schuift niet door één stormram, maar door een rij kleinere hamers die op verschillende plekken tegelijk slaan.
Ondertussen normaliseert de taal. “Grenzen dicht”, “eigen volk eerst”, “strenger, sneller, harder” , het klinkt minder schokkend wanneer het door drie partijen wordt uitgesproken in plaats van één. Zo wordt herhaling strategie en verschuift wat we als redelijk beschouwen.
Wie profiteert, wie betaalt
Achter die herschikking schuilen belangen. Grote bedrijven profiteren van deregulering en belastingvoordelen die onder het mom van nationale trots worden doorgevoerd, terwijl vermogenden wel varen bij een staat die streng is voor migranten maar mild voor kapitaal. De retoriek is cultureel, de uitkomst vaak economisch.
En wie betaalt? Arbeidsmigranten in distributiecentra zonder vaste contracten. Mensen met een uitkering die steeds vaker gecontroleerd worden. Moslims, joden, zwarte Nederlanders en queer mensen die merken dat hun veiligheid afhankelijk wordt van politieke windrichting. Autoritaire politiek begint zelden met tanks op straat; ze begint met taal, met het verschuiven van grenzen van wat gezegd mag worden, met het idee dat sommige mensen minder recht hebben op bescherming dan anderen.
Waarom dit aanslaat
We moeten ook eerlijk zijn over de voedingsbodem. Veel kiezers voelen zich verlaten in een werkelijkheid van flexwerk, stijgende huren en zorg die steeds verder wordt uitgekleed. Traditionele middenpartijen presenteerden marktwerking als natuurwet en globalisering als onvermijdelijk. In die leegte groeit ressentiment.
Rechts biedt een eenvoudig verhaal waarin niet de markt of het systeem verantwoordelijk is, maar “de ander”: de migrant, de kosmopolitische elite, de activist. Complexiteit wordt ingeruild voor schuldtoewijzing. En toch is de onvrede zelf niet verzonnen. Ongelijkheid is reëel, woningnood is tastbaar. De vraag is alleen wie de rekening gepresenteerd krijgt en wie buiten schot blijft.
Minderheidsmacht
Een zwak minderheidskabinet kan formeel weinig zetels hebben, maar politiek veel ruimte innemen wanneer het afhankelijk is van steun aan de uiterste rand. De prijs van die steun wordt betaald in beleidsconcessies: strenger asielbeleid, meer surveillancemaatregelen, minder ruimte voor protest. Zo sijpelt invloed door, ook zonder volledige regeringsdeelname. Het is macht zonder volledige verantwoordelijkheid, druk uitoefenen zonder het hele systeem te hoeven dragen.
Dat maakt het moeilijk om die invloed scherp te benoemen. Wie wijs je aan? Wie is verantwoordelijk voor de verschuiving als iedereen een stukje meeschuift en niemand het geheel lijkt te bezitten?
Wat dit van ons vraagt
Misschien is de belangrijkste vraag niet hoe rechts zich organiseert, maar hoe wij reageren. Blijven we hangen in morele verontwaardiging, of bouwen we een alternatief dat materiële zekerheid koppelt aan inclusieve solidariteit? Antifascisme is geen slogan maar een praktijk. Het betekent dat we economische rechtvaardigheid niet los zien van antiracisme en dat we begrijpen dat autoritarisme gedijt waar mensen het gevoel hebben niets meer te verliezen.
Het betekent ook dat we onze eigen taal terugwinnen. Niet meegaan in frames die mensen reduceren tot dreiging of kostenpost, maar spreken over waardigheid, zorg en gemeenschap, over een democratie die meer is dan stemmen eens in de vier jaar.
Rechts valt uit elkaar, dat klopt. Maar ondertussen schuift het de grenzen van het denkbare op. De vraag is niet of we dat zien, maar wat we ermee doen. Misschien begint het klein, in gesprekken in buurthuizen, in vakbonden die weer durven organiseren, in kunstenaars die andere verhalen vertellen. Macht verschuift niet alleen in parlementen, ze verschuift ook in hoofden en harten. En de strijd om de democratie is daarom geen abstract gevecht, maar iets wat we dagelijks doen of nalaten, in hoe we spreken, in wie we beschermen, in welke toekomst we ons durven voorstellen, samen.
