Op een NAVO-top kun je de gezichten vaak al lezen voordat iemand iets zegt. De schouders recht, de woorden gladgestreken, de trouw aan het bondgenootschap verpakt als verantwoordelijkheid. Nederland knikt meestal mee. Duitsland aarzelt, maar beweegt toch. Frankrijk bromt wat voor de vorm. En dan staat daar Pedro Sánchez, premier van Spanje, die zegt: no a la guerra. Geen oorlog.
Dat klinkt bijna ouderwets. Alsof iemand een leus uit 2003 heeft afgestoft, uit de tijd van de massale protesten tegen de inval in Irak. Maar juist daarom schuurt het. Terwijl de oorlogsindustrie op volle toeren draait en wapenfabrikanten gouden tijden beleven, terwijl Israël en de Verenigde Staten hun geweld telkens opnieuw verkopen als veiligheid, zegt Spanje deze keer niet automatisch ja.
Sánchez heeft de oorlog tegen Iran “roekeloos en illegaal” genoemd. Spanje weigert Amerikaanse militaire toestellen die bij aanvallen op Iran betrokken zijn toegang tot zijn luchtruim en wil de gezamenlijke bases Rota en Morón niet laten gebruiken voor die oorlog. Ook militaire operaties rond de Straat van Hormuz wijst Madrid af, zelfs wanneer die worden gepresenteerd als neutrale bescherming van de scheepvaart. Spanje wil de oorlog niet begeleiden, niet verpakken, niet logistiek mogelijk maken.
Dat is binnen Europa opvallend. Niet omdat Spanje buiten de westerse orde staat, maar juist omdat het daar middenin staat. Spanje is lid van de EU, lid van de NAVO, steunt Oekraïne militair en verhoogt zijn defensiebudget. Maar Sánchez weigert dat bondgenootschap te laten samenvallen met gehoorzaamheid aan Washington. Dat is geen revolutie. Het is wel meer ruggengraat dan Den Haag op dit moment laat zien.
Juist daarom doet het ertoe wie Sánchez is. Hij is geen randfiguur, geen linkse buitenstaander die vanaf de zijlijn zuiver kan blijven. Hij is leider van de sociaaldemocratische PSOE, premier sinds 2018 en sinds 2023 opnieuw regeringsleider van een wankele minderheidscoalitie met Sumar. Om te regeren heeft hij steun nodig van Catalaanse, Baskische, Galicische en andere regionale partijen. Elke grote stap wordt daardoor een evenwichtsoefening. Hij moet links genoeg blijven om zijn coalitie bij elkaar te houden, pragmatisch genoeg om Brussel niet kwijt te raken, hard genoeg tegenover rechts om niet te worden weggezet als zwak, en onafhankelijk genoeg tegenover Washington om zijn eigen kiezers niet te vervreemden.
Dat maakt zijn “nee” zwaarder. Het komt niet van iemand zonder macht, maar van iemand die midden in de macht zit en weet wat macht kost. Sánchez is een beroepspoliticus, gevormd door partijstrijd, nederlagen, terugkeer en overleven. Hij werd ooit door zijn eigen partijtop opzijgeduwd, vocht zich terug via de leden en bouwde daarna een regering die telkens afhankelijk bleef van bondgenoten buiten het comfortabele midden. Dat verklaart iets van zijn stijl: hij is niet de klassieke revolutionair, maar ook niet de keurige beheerder die alleen doet wat Washington, Brussel of de financiële markten verwachten.
In een Europa waar sociaaldemocratische partijen vaak vooral rechts beleid met zachtere woorden uitvoeren, probeert Sánchez iets anders. Niet consequent genoeg, niet radicaal genoeg, maar zichtbaar anders. Hij koppelt sociale maatregelen aan een internationale lijn die minder slaafs is tegenover de Verenigde Staten en harder tegenover Israël. Precies daarom wordt hij door rechts gehaat en door een deel van links gewantrouwd. Rechts ziet in hem een bedreiging voor de oude orde; links ziet hoe vaak hij diezelfde orde toch overeind houdt. Beide reacties zijn begrijpelijk. En juist in die spanning begint de politieke betekenis van Sánchez.
Geen heilige, wel een breuk in het koor
Niemand hoeft zich illusies te maken over Spanje. Het land veroverde op gewelddadige wijze grote delen van Zuid-Amerika, koloniseerde gebieden in Afrika, dreef handel in tot slaaf gemaakten en gedroeg zich in de Europese geschiedenis niet wezenlijk beter dan andere koloniale machten. Het Spaanse staatsverleden is doordrenkt van verovering, uitbuiting en racisme.
Maar landen zijn geen stilstaande monumenten. Ze dragen hun verleden mee, soms als excuus, soms als waarschuwing. In Spanje leeft de herinnering aan oorlog en dictatuur nog dichter op de huid dan in veel andere West-Europese landen. Franco stierf in 1975. Dat is geen verre geschiedenis. Families weten nog wie zweeg, wie verdween, wie vluchtte, wie werd vermoord. De massamoorden, executies, verdwijningen en repressie onder het fascistische regime zijn geen voetnoot, maar een open wond.
Die herinnering verklaart niet alles, maar ze doet ertoe. In Nederland is de Tweede Wereldoorlog steeds vaker een moreel decor geworden: iets waarmee politici zwaaien, terwijl zij ondertussen migranten ontmenselijken, demonstranten criminaliseren en autoritaire technologie omarmen. In Spanje is het fascisme minder makkelijk tot museumstuk te maken. Het heeft namen, adressen, graven die nog steeds worden gezocht.
Daar komt bij dat Spanje niet door de Verenigde Staten werd bevrijd. De Amerikaanse droom heeft daar nooit dezelfde glans gehad als in Nederland. Franco werd na de oorlog niet omvergeworpen door Washington, maar bruikbaar geacht in de Koude Oorlog. De VS hielden hem politiek overeind omdat hij anticommunistisch was en strategisch gelegen. Voor een groot deel van Spaans links is Amerika daarom niet de bevrijder, maar de macht die dictators duldt zolang zij de juiste vijanden hebben.
Palestina als breekpunt
Ook de Spaanse houding tegenover Palestina komt niet uit de lucht vallen. Sánchez was binnen Europa een van de eersten die de genocide in Gaza zo duidelijk benoemde en Spanje nam het voortouw in de erkenning van de Palestijnse staat. Dat was niet alleen diplomatie. Het sloot aan bij een breed gevoel in de Spaanse samenleving.
Een groot deel van de Spanjaarden, ook buiten links, ziet Israël niet als een gewone bondgenoot die “zich verdedigt”, maar als een staat die Palestijnen structureel verdrijft, uithongert, bombardeert en onderwerpt. Die consensus bestaat in Nederland nauwelijks. Hier wordt Palestijns lijden nog altijd door een filter van angst, schuld en geopolitieke lafheid gehaald. Alsof elk Palestijns kind eerst door een commissie moet voordat zijn dood mag worden betreurd.
Spanje heeft bovendien een langere diplomatieke relatie met de Arabische wereld. Die band is niet zuiver of romantisch. Franco zocht na de Tweede Wereldoorlog toenadering tot leiders in Noord-Afrika en het Midden-Oosten om internationaal isolement te doorbreken. De zogenaamde Spaans-Arabische vriendschap begon dus niet als progressief project, maar als overlevingsstrategie van een fascistische dictator. Toch werkte die geschiedenis door. Na Franco bleef Spanje op sommige momenten ontvankelijker voor Arabische en Palestijnse perspectieven dan landen die zichzelf als moreel middelpunt van Europa beschouwen.
Dat maakt Sánchez niet automatisch moedig. Maar het verklaart waarom zijn positie thuis niet meteen politieke zelfmoord is. Integendeel. Zijn anti-oorlogslijn wordt breed gesteund. Veel Spanjaarden willen geen vazal van Trump zijn, geen medeplichtige aan Israëlisch geweld en geen Europese springplank voor een nieuwe oorlog in het Midden-Oosten.
De NAVO-grens
Toch zit hier de spanning. Spanje zegt nee tegen deze oorlog, maar blijft onderdeel van een militaire orde die zulke oorlogen mogelijk maakt. De NAVO-bases staan er nog. De defensie-uitgaven gaan omhoog. Sánchez heeft miljarden extra vrijgemaakt om dichter bij de NAVO-norm van 2 procent van het bbp te komen, al weigert hij mee te gaan in de door Mark Rutte gewenste race richting 5 procent.
Dat leidde tot verdeeldheid in de coalitie met Sumar, de linksere en antimilitaristische partner. En terecht. Want wie “geen oorlog” zegt, moet ook durven vragen waarom er steeds meer geld naar wapens gaat terwijl zorg, wonen, onderwijs en klimaatbeleid overal onder druk staan. Elke euro voor militarisering is niet neutraal. Hij verschuift macht. Hij voedt industrieën die winst maken op dreiging. Hij maakt oorlog niet alleen denkbaar, maar ook organiseerbaar.
Sánchez loopt dus op een smalle richel. Hij gebruikt de ruimte die er is binnen de EU en de NAVO, maar hij breekt er niet mee. Zijn weigering is belangrijk, maar begrensd. Dat moeten we allebei tegelijk kunnen zien. Wie hem tot vredesheilige maakt, kijkt weg van de Spaanse medeplichtigheid aan de westerse militaire orde. Wie zijn houding wegzet als puur theater, mist dat een weigering binnen zo’n orde wel degelijk betekenis heeft.
Waarom durft Spanje meer dan Nederland?
De vraag is niet alleen waarom Sánchez nee zegt. De vraag is ook waarom Nederland zo vaak ja zegt voordat iemand het gevraagd heeft.
Nederland presenteert zijn lafheid graag als realisme. We moeten de lijnen openhouden. We moeten aan tafel blijven. We moeten betrouwbaar zijn. Maar betrouwbaar voor wie? Voor burgers die niet willen worden meegesleept in oorlogen? Voor Palestijnen die onder bommen leven? Voor migranten die hier tot zondebok worden gemaakt? Of vooral voor bedrijven, beleggers, wapenhandelaren en Amerikaanse machthebbers?
Wanneer Trump dreigt met handelsmaatregelen tegen Spanje, blijft Sánchez overeind. Natuurlijk: Spanje kan zich formeel verschuilen achter het feit dat Amerikaanse handelspolitiek via de Europese Unie loopt. Maar politiek gaat het om iets anders. Sánchez laat zien dat je niet bij elk dreigement hoeft te buigen. Dat je een bondgenoot kunt zijn zonder knecht te worden.
Nederland doet vaak het omgekeerde. Hier wordt onderwerping verkocht als diplomatie. Het koningspaar logeert in het Witte Huis om “de lijnen open te houden”. De regering praat mee met de hardste migratiepolitiek van Europa. Mensen zonder verblijfsvergunning worden steeds verder de illegaliteit in geduwd. Ondertussen dreigt zelfs de infrastructuur achter DigiD in Amerikaanse handen te belanden, alsof digitale soevereiniteit een detail is en persoonlijke gegevens slechts handelswaar zijn.
Daar tegenover staat Spanje, dat juist honderdduizenden mensen zonder papieren onder voorwaarden wil regulariseren. Niet uit liefdadigheid, maar omdat mensen al in het land wonen, werken, zorgen, kinderen opvoeden en deel uitmaken van de samenleving. Dat is een andere politieke verbeelding. Niet perfect, niet vrij van uitbuiting, maar wel menselijker dan het Nederlandse strafdenken, waarin migranten eerst tot probleem worden gemaakt en daarna tot bewijs dat repressie nodig is.
Linkse politiek onder druk
Sánchez doet dit niet vanuit een comfortabele positie. In Spanje roert extreemrechts zich, net als overal in Europa. De Partido Popular beschuldigt de regering van corruptie en probeert de straat te mobiliseren. Er lopen onderzoeken in de omgeving van Sánchez, ook rond zijn vrouw. Vox wacht op elk moment waarop angst, nationalisme en woede kunnen worden omgezet in macht.
Juist daarom is zijn koers interessant. De PSOE en Sumar combineren internationale tegendraadsheid met sociaal beleid: hogere pensioenen, hogere uitkeringen, minder bezuinigingsdrift en een economie die harder groeit dan in veel andere EU-landen. Dat is geen socialistische omwenteling. Maar het doorbreekt wel het versleten verhaal dat links alleen kan regeren door rechts beleid vriendelijker uit te voeren.
Dat verhaal kennen we in Nederland maar al te goed. Hier wordt elke sociale belofte meteen langs de meetlat van “betaalbaarheid” gelegd, terwijl militaire uitgaven, belastingvoordelen voor bedrijven en repressieve grenspolitiek zelden dezelfde strengheid krijgen. Voor armen is er discipline. Voor migranten is er straf. Voor kapitaal is er begrip. Voor Washington is er loyaliteit.
Spanje laat zien dat het ook anders kan. Een regering kan kiezen. Niet vrij van druk, niet zonder tegenmacht, niet zonder compromissen, maar wel kiezen. Ze kan zeggen dat oorlog illegaal is. Ze kan zeggen dat Palestijnen rechten hebben. Ze kan zeggen dat migranten geen wegwerpmensen zijn. Ze kan zeggen dat een land niet groot wordt door te knielen voor Trump.
De weigering als begin
“No a la guerra” is geen eindpunt. Het is geen garantie tegen hypocrisie, geen zuivering van het Spaanse verleden, geen breuk met NAVO-macht of Europees grensgeweld. Maar het is wel een weigering op een moment dat weigeren schaars is geworden.
En misschien is dat precies waarom het zo opvalt. Niet omdat Sánchez alles goed doet, maar omdat andere regeringen zo weinig durven. Omdat Nederland zichzelf wijsmaakt dat lafheid volwassenheid is. Omdat Europa de taal van mensenrechten blijft spreken terwijl het wapens levert, grenzen sluit en wegkijkt van genocide. Omdat de rijken verdienen aan oorlog en gewone mensen de prijs betalen: in belastingen, in angst, in doden, in kinderen die nooit volwassen worden.
Spanje zegt nu: hier trekken wij een lijn. Die lijn is niet recht genoeg, niet diep genoeg, niet radicaal genoeg. Maar ze bestaat. En in een tijd waarin zoveel leiders hun rug buigen voor macht, is zelfs een onvolmaakte weigering iets om vast te houden.
Niet als voorbeeld om kritiekloos te bewonderen. Wel als vraag aan onszelf. Waarom kunnen zij het wel, en wij niet? Waarom klinkt “geen oorlog” in Nederland zo snel naïef, terwijl gehoorzaamheid aan geweld telkens als realisme wordt verkocht? En wie profiteert ervan dat wij dat blijven geloven?
Als dit stuk je iets waard is, maak het dan mee mogelijk.
vrheid.nl schrijft sinds 2000 onafhankelijk, links en zonder commerciële leash. Geen advertenties, geen algoritmische dwang, geen redactionele knieval.
Voor €5 per maand steun je dit werk en ontvang je nieuwe stukken direct in je mailbox.
