Bartolomeo Vanzetti en Nicola Sacco naast elkaar, de twee Italiaanse arbeiders die in 1927 in Massachusetts werden geëxecuteerd.
Bartolomeo Vanzetti en Nicola Sacco, wier executie in 1927 wereldwijd protest opriep, ook onder duizenden arbeiders in Amsterdam.

De staat had zijn schuldigen al gevonden

Ook Amsterdam weigerde weg te kijken van een Amerikaanse dodencel.

Op 23 augustus 1927 wachtten twee Italiaanse arbeiders in een gevangenis in Massachusetts op hun dood. Buiten de gevangenismuren was hun zaak allang geen Amerikaanse aangelegenheid meer. In verschillende landen waren mensen de straat opgegaan, arbeiders hadden gedemonstreerd, schrijvers en intellectuelen hadden geprotesteerd en Amerikaanse ambassades werden bewaakt uit angst voor onrust. Albert Einstein, H.G. Wells, Thomas Mann, George Bernard Shaw en vele anderen hadden zich met de zaak bemoeid. Het hielp niet. Die avond werden Nicola Sacco en Bartolomeo Vanzetti naar de elektrische stoel gebracht.

Om te begrijpen hoe twee arbeiders het middelpunt konden worden van zo’n wereldwijde strijd, moeten we een paar jaar terug. De Verenigde Staten waren na de Eerste Wereldoorlog in de greep van wat The Red Scare werd genoemd: een golf van angst voor revolutie, communisme, radicale arbeiders en alles wat naar maatschappelijke omwenteling rook. Stakingen werden gezien als mogelijke voorboden van revolutie, politieke radicalen werden gevolgd en opgepakt en vooral immigranten uit Zuid- en Oost-Europa golden al snel als verdacht. Het was een tijd waarin een buitenlands accent, armoede en radicale ideeën samen genoeg konden zijn om de aandacht van de autoriteiten te trekken.

In die sfeer werden Sacco en Vanzetti gearresteerd. Op 15 april 1920 waren bij een roofoverval in South Braintree, vlak bij Boston, twee mannen doodgeschoten en was een loonkas buitgemaakt. Sacco werkte in een schoenenfabriek, Vanzetti verdiende onder meer zijn geld als visverkoper. Ze waren vanuit Italië naar de Verenigde Staten gekomen, behoorden tot de arbeidersklasse en waren uitgesproken radicalen. Ze keerden zich tegen kapitalisme en klassensamenleving en waren politiek actief. Toen de politie naar verdachten zocht, kwamen dus niet zomaar twee mannen in beeld. Het waren precies het soort mannen voor wie Amerika tijdens The Red Scare bang had leren zijn.

Steun vrheid.nl op Substack

Dat maakte uit. Want Sacco en Vanzetti stonden niet alleen terecht voor wat er tijdens die roofoverval was gebeurd. In de rechtszaal ging het ook over hun afkomst, hun politieke overtuigingen en het soort mannen dat zij volgens hun aanklagers waren. Het bewijs tegen hen was omstreden, terwijl veel getuigen voor de verdediging immigranten waren. Precies daar wordt hun geschiedenis groter dan één strafzaak. Een rechtbank hoort te onderzoeken wat iemand heeft gedaan, niet welk soort mens de samenleving in hem meent te herkennen. Zodra afkomst, klasse en politieke overtuiging gaan bepalen wie geloofwaardig en wie verdacht wordt gevonden, verandert rechtspraak in iets anders: een bevestiging van bestaande machtsverhoudingen.

Ook Amsterdam kwam in beweging

De woede bleef niet aan de andere kant van de oceaan. Ook in Amsterdam werd de zaak van Sacco en Vanzetti een politieke strijd. In mei 1927 kwamen op het toenmalige IJsclubterrein, het huidige Museumplein, ongeveer duizend mensen bijeen. Daarna trok een deel van de demonstranten naar het Amerikaanse consulaat, dat destijds niet aan het Museumplein zat, zoals tegenwoordig, maar aan de Keizersgracht. Daar hield de politie de stoet tegen met getrokken sabels.

Naarmate de executiedatum dichterbij kwam, groeide het protest. Op 9 augustus verzamelden zich in het Westerpark naar schatting vier- tot vijfduizend arbeiders. Ze trokken daarna door de stad richting Beursplein, totdat de stoet opnieuw werd tegengehouden en moest afbuigen. Op 22 augustus legden zelfs enkele duizenden Amsterdamse bouwvakkers het werk neer. Wat in Massachusetts gebeurde, werd hier kennelijk niet als een verre Amerikaanse rechtszaak gezien, maar als iets dat arbeiders in Amsterdam zelf aanging.

Op 24 augustus, na de executies, stroomde het Concertgebouw vol voor een gezamenlijke protestbijeenkomst. De autoriteiten hielden marechaussee en andere ordetroepen paraat; in de stad bleef het onrustig. Duizenden kilometers lagen tussen Amsterdam en de gevangenis in Massachusetts, maar voor de mensen die hier demonstreerden was dat kennelijk geen reden om weg te kijken.

Met de dood van Sacco en Vanzetti verdween de twijfel over hun zaak niet. Integendeel. De executie liet een vraag achter die de Amerikaanse staat niet kon afsluiten door twee lichamen uit een dodencel te dragen. Wat gebeurt er met recht wanneer angst de rechtszaal binnenkomt? Hoe eerlijk kan een proces zijn wanneer een samenleving bepaalde mensen vooraf al als gevaarlijk heeft leren zien?

Een oude geschiedenis die dichtbij komt

Bijna honderd jaar later is het verleidelijk om dit verhaal veilig in het verleden op te bergen. Andere tijd, andere wereld. Maar het mechanisme is minder vreemd dan we misschien willen geloven. Ook nu worden politieke overtuigingen gebruikt om mensen verdacht te maken, wordt protest behandeld als veiligheidsprobleem en kan afkomst mede bepalen wie sneller als bedreiging wordt gezien. Het begint zelden met de mededeling dat voortaan niet iedereen meer dezelfde rechten heeft. Het begint met uitzonderingen waarvan wordt gezegd dat ze noodzakelijk zijn.

Juist daarom blijft de zaak van Sacco en Vanzetti ongemakkelijk. Een rechtsstaat bewijst zichzelf niet wanneer hij populaire mensen beschermt met opvattingen waar niemand aanstoot aan neemt. Hij bewijst zichzelf wanneer de verdachte arm is, buitenlands, politiek ongewenst en door een groot deel van de samenleving al veroordeeld voordat de rechter gesproken heeft.

Sacco en Vanzetti hoeven daarvoor geen heiligen te worden. Ze waren politieke mannen met uitgesproken ideeën en een wereldbeeld waarvoor ze bereid waren grote risico’s te nemen. Hun menselijkheid wordt er niet groter van wanneer we alle scherpe kanten wegpoetsen. Het wezenlijke is juist dat rechten niet afhankelijk mogen zijn van sympathie.

Kort voor zijn executie sprak Vanzetti nog één keer zijn onschuld uit. “I have never done a crime, some sins, but never any crime,” zei hij. En vlak voordat de staat hem doodde: “I now wish to forgive some people for what they are doing to me.” Even later werd hij vastgebonden aan de elektrische stoel en voltrok de staat het vonnis.

Bijna een eeuw later kennen we de namen van de twee mannen nog steeds. Misschien omdat hun geschiedenis ons aan iets herinnert wat iedere generatie opnieuw moet verdedigen: zodra een samenleving besluit dat sommige mensen eerst verdacht zijn en pas daarna mens, is niemand meer veilig achter het woord rechtsstaat.

Aanbevolen voor jou