Microfoons op een tafel in een televisiestudio, met op de achtergrond een debatset en studiopersoneel.
Een uitspraak in een studio blijft nooit in de studio; politieke taal werkt door in het dagelijks leven van mensen.

Wie collectief verdacht wordt, is nooit toevallig

Soms hoor je in een paar zinnen precies hoe macht werkt. Niet met geschreeuw, maar in woorden die redelijk moeten klinken. Een premier schuift aan in een talkshow, zegt dat antisemitisme overal voorkomt, en kiest er daarna toch voor om één religieuze gemeenschap apart te noemen. Dan weet je genoeg. De schade zit niet alleen in wat er gezegd wordt, maar in wie in Nederland steeds weer als verdachte groep mag verschijnen.

Dat gebeurde toen Rob Jetten bij Eva Jinek zei dat er islamitische gemeenschappen in Nederland zijn waar mensen via televisie, online kanalen of weekendscholen verkeerde dingen aangeleerd krijgen, niet alleen over Joden maar ook over vrouwen en homo’s. Op papier lijkt dat een nuancering: niet alle moslims, maar bepaalde gemeenschappen. In de praktijk werkt het anders. Dan worden geen individuen, organisaties of concrete netwerken aangesproken, maar wordt een hele bevolkingsgroep opnieuw in de buurt van gevaar, achterlijkheid en haat gezet.

Dat veel Nederlandse moslims daar kwaad van werden, is niet vreemd. Het is een oud script. Als het over moslims gaat, verdwijnt de precisie. Dan hoeft het niet meer over daders, namen, structuren of bewijs te gaan. Dan volstaat een sfeerbeschrijving. Dan kan een gemeenschap in één moeite door gekoppeld worden aan antisemitisme, homohaat en vrouwenonderdrukking, zonder dat duidelijk wordt over wie het precies gaat, waar dat gebeurt en op basis waarvan dat wordt beweerd.

Steun vrheid.nl op Substack

Precies daar legt Abdelkader Benali de vinger op de zere plek. Hij schrijft dat hij naarstig ging zoeken naar die kanalen en weekendscholen waar moslims systematisch zouden worden gedrild om Joden te haten en homo’s te vervloeken. Die ironie is nodig, want waar is het bewijs voor zo’n zware aantijging? Incidenten bestaan. Antisemitisme is reëel en moet benoemd en bestreden worden. Maar tussen het erkennen van incidenten en het verdacht maken van een religieuze minderheid zit een wereld van verschil.

Waarom juist moslims als collectief?

Jetten zei in hetzelfde gesprek ook iets dat waar is: antisemitisme zit in de hele samenleving. Het komt voor in alle rangen en standen en is overal onacceptabel. Juist daarom valt de asymmetrie op. Wanneer het over niet-moslims gaat, wordt er vaak precies gesproken. Dan gaat het over Forum voor Democratie, over voetbalhooligans, over specifieke opiniemakers, over concrete incidenten. Wanneer het over moslims gaat, wordt de lens breed en troebel. Dan zijn het “islamitische gemeenschappen”.

Bilal Ben Abdelkarim wijst daar terecht op. Als het om Nederlanders buiten de islamitische gemeenschap gaat, wordt niet gesproken over “de Nederlandse gemeenschap”, “de christelijke gemeenschap” of “de seculiere gemeenschap”. Daar kiest men namen, partijen, organisaties, verantwoordelijken. Bij moslims gebeurt iets anders. Dan worden mensen niet benaderd als burgers of individuen, maar als een blok. Alsof ze eerst moslim zijn en pas daarna mens.

Dat is geen slordige taal, maar politiek. Taal verdeelt de samenleving in groepen die recht hebben op nuance en groepen die zonder veel kosten gegeneraliseerd kunnen worden. De ene groep krijgt context, de andere verdenking. De ene groep bestaat uit individuen, de andere uit cultuurproblemen.

Daar wordt het gevaarlijk. Wie moslims steeds weer neerzet als een gemeenschap waarin haat aan de oppervlakte ligt, helpt mee aan een klimaat waarin collectieve argwaan normaal wordt. Dan wordt islamofobie niet bestreden, maar gevoed met nette woorden.

De makkelijke route naar rechts

Wat hier ook meespeelt, is de verleiding van politieke positionering. In tijden van spanning levert het nog altijd applaus op om streng te klinken over moslims. Je loopt daar in Nederland weinig risico mee. Er is een publiek voor. Er zijn redacties die het herkenbaar vinden. Er is een politiek midden dat al jaren flirt met de taal en frames van rechts, zogenaamd uit verantwoordelijkheidsgevoel, maar vaak uit electorale angst.

Ben Abdelkarim noemt Jetten daarom een opportunist in zijn streven naar macht. Hard gezegd, maar het raakt wel een zichtbaar patroon. Eerst meedoen aan gebaren van verbinding, aan iftars en mooie woorden over inclusie, en vervolgens, zodra het spannend wordt, terugvallen op de oude hiërarchie van verdachtmaking. Alsof moslims pas welkom zijn zolang ze decor vormen voor tolerantie, maar niet zodra ze bescherming tegen stigmatisering nodig hebben.

Dat dubbele zie je ook terug in de verklaring van Jettens woordvoerder. Er wordt gewezen op gesprekken met vertegenwoordigers van de Joodse gemeenschap, op solidariteit, op gezamenlijke strijd tegen discriminatie, op een iftar waar verschillende geloven aanwezig waren. Dat klinkt verbindend. Alleen: die verbinding wordt ondergraven zodra je intussen toch een religieuze minderheid apart benoemt als plek waar antisemitisme zogenaamd meer aan de oppervlakte zou liggen. Dan vraag je van moslims tegelijk om mee te bouwen aan de dialoog én om zonder veel protest te accepteren dat ze als groep verdacht zijn gemaakt.

Zo werkt dat vaker in Nederland. Minderheden moeten verbinden, begrijpen, rustig blijven, het gesprek aangaan. Maar zodra zij vragen om dezelfde precisie en rechtvaardigheid in taal die anderen wel krijgen, heet dat al snel gevoelig of polariserend.

De stilte binnen D66

Misschien nog pijnlijker dan de uitspraak zelf is de stilte die erop volgde. Veel islamitische D66’ers reageerden niet of nauwelijks. Dat is begrijpelijk en tegelijk onthullend. Want stilte is zelden leeg. Vaak zit er angst in, berekening, loyaliteitsdruk, de wetenschap dat je positie broos is en dat openlijke kritiek op de leider je duur kan komen te staan.

Zouhair Saddiki verwoordt dat scherp. Wie in een leiderschapspositie verbinding wil, moet individuen en gedrag benoemen, niet hele gemeenschappen. Dat is geen semantische muggenzifterij, maar een democratische basisregel. En als die regel alleen vervaagt wanneer het over moslims gaat, dan is dat geen ongeluk meer. Dan zegt het iets over een politieke orde waarin sommige mensen voortdurend moeten bewijzen dat ze erbij horen, terwijl anderen automatisch als norm gelden.

Saddiki vermoedt strategische terughoudendheid bij islamitische D66’ers. De boodschap is dan: slik het voor nu, houd de schade intern, val de partij niet af. Maar dat heeft een prijs. Niet alleen voor degenen die zwijgen, maar ook voor alle mensen buiten de partij die weer bevestigd zien wat politieke vertegenwoordiging vaak betekent: je mag meedoen, zolang je niet te veel stoort wanneer de macht over jouw gemeenschap praat alsof die een probleemzone is.

Ben Abdelkarim noemt dat beschamend en zwak. Hard, maar niet onterecht. Wat is politieke deelname waard als die ophoudt op het moment dat er werkelijk iets op het spel staat?

Antisemitisme bestrijd je niet met islamofobie

Er moet iets heel eenvoudigs opnieuw gezegd worden: antisemitisme is ernstig. Het moet bestreden worden, overal waar het opduikt. In extreemrechtse kringen, in complotculturen, in politieke partijen, op straat, online, en ook waar het onder moslims voorkomt. Maar wie de strijd tegen antisemitisme gebruikt om moslims collectief te problematiseren, bestrijdt geen haat. Die verplaatst haar. Die maakt van de ene minderheid een instrument om de andere te disciplineren.

Daarom is Benali’s reactie zo belangrijk. Hij ontkent het probleem niet. Hij ontkent alleen dat je een hele gemeenschap mag belasten met onbewezen suggesties. En hij wijst op iets wat in Nederland zelden met dezelfde gretigheid wordt onderzocht: islamofobie in andere religieuze en maatschappelijke kringen. Niet om antisemitisme te relativeren, maar om de selectieve moraal zichtbaar te maken. Waarom wordt de ene vorm van vooroordeel gezien als een individueel of marginaal probleem, en de andere als een cultureel kenmerk van een hele gemeenschap?

Wat Jetten deed, staat bovendien niet los van een langer Nederlands patroon. In Generatie 9/11 beschrijft Lotfi El Hamidi hoe de hysterie rond een veranderende samenleving in de jaren na 11 september niet werd afgeremd, maar juist werd gevoed, terwijl incidenten met mensen met een migratieachtergrond in media en politiek steeds opnieuw werden uitvergroot. Precies dat mechanisme zagen we recent nog in Utrecht, waar een opgeblazen verhaal over statushouders door onder anderen VVD-politici razendsnel werd vertaald in politieke verontwaardiging, nog voor de feiten op orde waren. De kern is telkens dezelfde: bepaalde groepen krijgen in Nederland zelden het voordeel van de twijfel, maar des te sneller de schijn tegen.

Uiteindelijk gaat dit niet alleen over één uitspraak in een studio. Het gaat over de politieke gewoonte om moslims steeds weer beschikbaar te houden als collectief onderwerp van wantrouwen. Over een land waarin minderheden geacht worden solidair, gematigd en volwassen te reageren, terwijl premiers, columnisten en bestuurders zich opvallend veel generalisatie permitteren zodra het over hen gaat.

Misschien is dat de kern. Niet alleen wat er werd gezegd, maar wat het mogelijk maakt dat zulke woorden steeds weer gezegd kunnen worden. Alsof het normaal is. Alsof moslims in Nederland er wel tegen moeten kunnen. Alsof hun burgerschap rekbaar is.

En dus is de vraag niet alleen wat Jetten precies bedoelde. De vraag is ook waarom het in dit land nog altijd politiek lonend lijkt om juist moslims collectief aan te spreken wanneer er maatschappelijke angst circuleert. Wie wint daarbij, wie betaalt de prijs, en hoe lang noemen we dat nog verbinding?

Als een premier werkelijk premier van alle Nederlanders wil zijn, dan begint dat niet bij symbolische ontmoetingen of zalvende nabetrachtingen. Dan begint het bij zorgvuldigheid. Bij het weigeren van collectieve verdachtmaking. Bij de simpele, maar blijkbaar nog altijd moeilijke keuze om moslims dezelfde precisie te gunnen die anderen vanzelfsprekend krijgen.

En ja, dat is een kwestie van taal. Maar in Nederland weten we inmiddels dat taal zelden alleen taal is. Taal opent de deur. En meestal moet iemand anders daarna met de gevolgen leven.

Als dit stuk je iets waard is, maak het dan mee mogelijk.

vrheid.nl schrijft sinds 2000 onafhankelijk, links en zonder commerciële leash. Geen advertenties, geen algoritmische dwang, geen redactionele knieval.

Voor €5 per maand steun je dit werk en ontvang je nieuwe stukken direct in je mailbox.

Steun deze dwarse plek

Aanbevolen voor jou