Lege Amerikaanse congreszaal als symbool voor oorlog zonder democratische controle.
Waar democratische controle ontbreekt, blijft het parlement achter als decor.

Oorlog tegen democratie

Donald Trump begon de oorlog tegen Iran alsof democratische controle een hinderlijk detail was. Nu laat hij openlijk zien dat de instemming van het Congres hem weinig kan schelen. De zestig dagen van de War Powers Resolution zijn verstreken, maar het Witte Huis doet alsof die grens niet bestaat.

Trump negeert het Congres, terwijl de Iraanse rechtervleugel in ballingschap meeklapt.

Volgens Trump zijn de vijandelijkheden “beëindigd”. Volgens Pete Hegseth stopte de klok toen het staakt-het-vuren inging. Dat is geen juridische redenering meer, maar een houding. De wet is voor deze regering geen grens aan macht, maar iets waar je met genoeg brutaliteit omheen praat.

Daarmee staat Trump niet buiten de Amerikaanse traditie. Hij staat er middenin. Ook eerdere presidenten zochten juridische sluiproutes om oorlog te voeren zonder formele toestemming van het Congres. Juist daarom is deze stap zo belangrijk. Niet omdat hij volledig nieuw is, maar omdat hij laat zien hoe ver het verval inmiddels is gevorderd. Een president kan een oorlog beginnen, de wet naast zich neerleggen en daarna beweren dat toestemming niet meer nodig is, omdat de oorlog intussen van naam, vorm of tempo is veranderd. Dat is geen incident. Dat is een model van presidentschap waarin geweld uitvoerende macht is, en democratische toetsing pas achteraf mag komen kijken.

Steun vrheid.nl op Substack

De kern van het probleem is dus niet alleen Trump. Het probleem is dat de Amerikaanse oorlogsgrondwet al jaren wordt uitgehold door presidenten die het Congres vooral zien als applausmachine of decorstuk. De War Powers Resolution was ooit bedoeld om na Vietnam de macht van het Witte Huis te beperken. In de praktijk laat zij vooral zien hoe zwak die rem wordt zodra een president genoeg partijdiscipline, nationale paniek en mediadekking achter zich krijgt. Zelfs nu de juridische redenering van de regering-Trump wankelt, draait alles om één vraag: willen Republikeinen politieke kosten maken door hem tegen te spreken? Precies zo werkt autoritaire erosie. Niet alleen door een leider die grenzen overschrijdt, maar ook door een partij die besluit dat die grenzen het verdedigen niet meer waard zijn.

Tegelijk maakt deze oorlog iets anders zichtbaar: hoe regime change telkens dezelfde mensen aantrekt. Niet alleen haviken in Washington en Israël, maar ook delen van de Iraanse diaspora die hun hoop zijn gaan vestigen op buitenlandse druk, sancties en uiteindelijk bombardementen. Reza Pahlavi, zoon van de laatste sjah, is daarvan het bekendste gezicht. Reuters meldde in februari dat hij openlijk Amerikaanse militaire interventie bepleitte en stelde dat zo’n aanval levens zou kunnen redden. Eind maart werd hij op CPAC, het jaarlijkse feest van Trumpistisch Amerika, warm ontvangen door Republikeinse activisten en Iraans-Amerikaanse oorlogsstemmers.

Dat is geen detail. Het zegt veel over de richting die een deel van de monarchistische oppositie is ingeslagen. Wie ooit sprak over democratie, pluralisme en bevrijding, staat nu in zalen vol MAGA-petjes om een Amerikaanse president aan te moedigen vooral door te gaan met oorlog. Die verschuiving is niet alleen opportunistisch. Zij is onthullend. Zij laat zien hoe snel “vrijheid” op rechts verandert in iets anders: herstel van oude elites, uitbesteed aan buitenlandse macht.

Pahlavi presenteert zich graag als symbool van een modern en bevrijd Iran, maar zijn bondgenootschappen vertellen een ander verhaal. Ze lopen via de Amerikaanse rechtervleugel, via pro-oorlogslobby’s en via een politiek universum waarin mensenrechten vooral tellen zolang ze bruikbaar zijn tegen een vijand. Zodra dezelfde mensenrechten botsen met Amerikaanse macht, Israëlische bombardementen of autoritaire bondgenoten, worden ze zachter uitgesproken of helemaal weggelaten.

Dat betekent niet dat de hele Iraanse diaspora zo denkt. Integendeel. Opiniestukken en reportages uit de afgelopen maanden laten juist zien hoe verdeeld die diaspora is. Er zijn Iraanse Amerikanen die hopen dat bombardementen het regime breken, maar er zijn ook veel stemmen die zowel de repressie van de Islamitische Republiek als de Amerikaanse oorlogspolitiek afwijzen. In The Nation waarschuwde Sina Toossi dat juist die anti-autoritaire en anti-oorlogsstemmen in de Verenigde Staten nauwelijks worden gehoord. New Lines beschreef de dilemma’s van een diaspora die tegelijk onder druk staat van het regime, van Amerikaanse repressie en van rechtse oppositienetwerken die oorlog als bevrijding verkopen.

Dat laatste is misschien wel de meest cynische draai. Iraanse vrouwen, arbeiders, studenten en activisten die jarenlang tegen onderdrukking hebben gevochten, worden nu door Washington, Tel Aviv en hun bondgenoten in ballingschap gebruikt als morele verpakking voor geweld. Alsof kruisraketten een emancipatieprogramma vormen. Alsof een blokkade, een bombardement of een “humanitaire interventie” vanzelf ruimte maakt voor vrijheid.

Maar dat verhaal is al zo vaak verteld dat het bijna verbazingwekkend is dat iemand het nog gelooft. Irak moest bevrijd worden. Libië moest bevrijd worden. Syrië moest worden “gestabiliseerd”. Altijd kwam dezelfde belofte terug: eerst geweld, daarna democratie. In werkelijkheid kwam meestal eerst verwoesting, en daarna een nog hardere strijd om macht, rijkdom en controle. De Iraanse vrouw heeft geen Amerikaanse bom nodig om haar uit te leggen wat patriarchaat is.

Ook binnen de Iraanse oppositie groeit daarom de kritiek op het oude model van ballingschapspolitiek. De nieuwe Iran Freedom Congress-coalitie in Londen probeert afstand te nemen van het idee dat verandering van buitenaf, via militaire druk of via één zelfverklaarde redder, geloofwaardig kan zijn. Voormalige Pahlavi-bondgenoten waarschuwen dat oorlog vooral de hardliners in Teheran versterkt en democratische verandering van binnenuit verder weg duwt. Dat is een belangrijke correctie, juist omdat zij laat zien dat de keuze niet simpelweg is: óf de ayatollahs, óf de sjahenzoon met zijn MAGA-vrienden. Er bestaat ook nog zoiets als democratische oppositie zonder bommenwerpers.

Wat overblijft, is een ongemakkelijke waarheid voor zowel Washington als de monarchistische rechtervleugel in ballingschap. De oorlog tegen Iran wordt verkocht als noodzaak, legaliteit of zelfs bevrijding, maar in werkelijkheid legt zij vooral de leegte van die woorden bloot. Trump toont dat hij het Congres niet nodig denkt te hebben om oorlog te voeren. Pahlavi toont dat een deel van de oppositie niet terugschrikt voor samenwerking met autoritaire en imperialistische krachten, zolang die hun eigen route naar macht lijken te versnellen. En gewone Iraniërs betalen opnieuw de prijs: door repressie van het regime, door economische uitputting, door sancties en door een oorlog die in naam van hun bevrijding wordt gevoerd zonder dat zij daar zeggenschap over hebben.

Daar zit de politieke les. Niet dat het Congres plotseling een bastion van vrede is. Niet dat elke criticus van Teheran verdacht is. Maar wel dat oorlog bijna altijd wordt gebruikt om democratie verder uit te hollen, zowel in het land dat aanvalt als in het land dat wordt aangevallen. Trump negeert het Congres omdat hij denkt ermee weg te komen. De vraag is niet alleen of genoeg Republikeinen hem zullen tegenhouden. De vraag is hoeveel mensen nog blijven geloven dat bommen, blokkades en buitenlandse marionetten iets met bevrijding te maken hebben.

Als dit stuk je iets waard is, maak het dan mee mogelijk.

vrheid.nl schrijft sinds 2000 onafhankelijk, links en zonder commerciële leash. Geen advertenties, geen algoritmische dwang, geen redactionele knieval.

Voor €5 per maand steun je dit werk en ontvang je nieuwe stukken direct in je mailbox.

Steun deze dwarse plek

Aanbevolen voor jou