’s Nachts klinkt een drone anders dan overdag. Dunner. Alsof het geluid zich tussen de flats verstopt. Mensen kijken omhoog, niet omdat ze iets zien, maar omdat ze hopen niets te zien. En terwijl we naar de lucht staren, groeit onder onze voeten een andere oorlog. Stillere. Die van data.
In Oekraïne en Gaza worden niet alleen raketten getest, maar ook algoritmes. Niet alleen tanks rijden uit, ook datastromen. Wat in vredestijd politieke weerstand oproept, glijdt in oorlogstijd naar binnen als noodzaak.
Vier maanden na de grootschalige Russische invasie stapte de topman van databedrijf Palantir het kantoor van president Zelensky binnen. Zijn aanbod: software. Gratis.
Gratis bestaat niet. Zeker niet in oorlog.
Palantir gebruikt kunstmatige intelligentie om satellietbeelden, openbronneninformatie, dronebeelden en rapporten van het front samen te voegen tot militaire opties. Het systeem ondersteunt bij doelbepaling. Maar daar stopt het niet. Het werkt ook samen met Oekraïense ministeries van financiën en onderwijs. Oorlogstechnologie die zich uitstrekt tot in de civiele infrastructuur.
Het bedrijf produceert zelf geen beelden en bezit geen satellieten. Het verzamelt, koppelt en analyseert. Het maakt patronen zichtbaar en helpt beslissen. En juist dat – wie als verdacht geldt, wie als doelwit – verschuift van menselijke afweging naar geautomatiseerde selectie.
De naam is geen toeval. In Tolkiens wereld zijn palantíri zienerstenen: wie erin kijkt, ziet ver weg — maar wordt tegelijk zelf beïnvloed door wat hij ziet. Macht vermomd als helderheid. Wat Palantir doet klinkt technisch en bijna banaal: data koppelen. Locaties, telefoons, routes, gezichten, transacties. Kolommen en velden. Maar wie genoeg data samenbrengt, claimt patronen te zien. En wie patronen claimt te zien, claimt de toekomst. In Los Angeles leidde vergelijkbare voorspellende software tot politiebezoeken op basis van algoritmische inschattingen. In oorlog verschuift die logica naar leven en dood. Doelwitten verschijnen als stippen op een scherm. Beoordeling in seconden. Technologie versnelt niet alleen de aanval, maar ook de morele afstand.
In een land dat vecht om te overleven, is toezicht een luxe. Hulp wordt aangenomen. Dat is begrijpelijk. Maar ondertussen wordt infrastructuur gebouwd. De vraag is niet alleen wie vandaag helpt, maar wie morgen controleert.
Gezichtsherkenning zonder rem
Naast deze dataplatforms opereert ook een Amerikaanse gezichtsherkenningsfirma in Oekraïne. Officieel om gesneuvelde soldaten te identificeren en mogelijke saboteurs te herkennen. Ook om oorlogsmisdadigers op te sporen en ontvoerde kinderen te traceren. Doelen die niemand licht opvat.
Maar de database achter deze technologie is opgebouwd uit miljarden foto’s die van sociale media zijn geschraapt. Zonder toestemming. Zonder helder wettelijk kader. In de Verenigde Staten en de Europese Unie ligt het bedrijf onder vuur. In Oekraïne krijgt het ruimte.
Een Oekraïens digitaal veiligheidslab waarschuwde dat gezichtsherkenning, eenmaal ingevoerd zonder duidelijke waarborgen, zelden weer verdwijnt. De noodtoestand wordt infrastructuur. Wat vandaag tegen saboteurs wordt ingezet, kan morgen tegen demonstranten worden gebruikt.
We kennen dat patroon. Surveillance die begint bij veiligheid, eindigt bij beheersing.
De ideologie achter de code
Deze bedrijven staan niet los van een bredere technologische machtsbeweging rond miljardairs die geloven in sterke staten, harde grenzen en minimale democratische frictie. Technologie niet als bevrijding, maar als controle.
Het is moeilijk voor te stellen dat zulke systemen na een wapenstilstand netjes worden afgebouwd. De software draait. De databanken groeien. Veiligheidsdiensten hebben de efficiëntie gezien. Staten vergeten zelden een instrument dat werkt.
In een land waar extreemrechts al jaren aan invloed wint, is dat geen abstract risico. Wat vandaag wordt gelegitimeerd door nationale verdediging, kan morgen worden ingezet tegen anarchisten, linkse activisten, journalisten. Of simpelweg tegen mensen die zich verzetten tegen bezuinigingen of corruptie.
De bredere horizon
Ook Rusland bouwde al vóór de invasie aan digitale netwerken om oppositie te controleren. Oorlog versnelde wat er al lag. Arrestaties, ballingschap, verdwijningen. In bezette gebieden intensiveert die controle, gevoed door angst voor sabotage.
Autoritaire staten leren van oorlog. Democratische staten ook. Het verschil zit zelden in de technologie, vaker in de grenzen die we eraan stellen – of niet stellen.
We leven in een tijd van ecologische crisis, groeiende ongelijkheid en geopolitieke spanningen. Regeringen bereiden zich voor op instabiliteit. Bedrijven leveren de infrastructuur om die instabiliteit te managen. Algoritmes die voorspellen wie risicovol is. Databases die afwijking markeren. Systemen die repressie optimaliseren.
Wie profiteert? Technologiebedrijven met ideologische agenda’s en miljardencontracten. Wie betaalt? Burgers die hun privacy, hun bewegingsvrijheid en uiteindelijk hun politieke ruimte zien krimpen.
Oorlog versnelt wat in vredestijd weerstand oproept. Dat is begrijpelijk. Angst maakt pragmatisch. Maar juist dan moeten we blijven vragen: wie krijgt macht, wie controleert die macht, en hoe komen we er ooit weer vanaf?
Fascisme groeit zelden met tromgeroffel. Het groeit met software‑updates.
Solidariteit met Oekraïne betekent ook waakzaamheid tegenover de infrastructuur die nu wordt gebouwd. Verzet tegen Russische agressie sluit kritiek op surveillancekapitalisme niet uit – het vraagt erom. Want als we wachten tot de oorlog voorbij is om deze vragen te stellen, kan het zomaar zijn dat het antwoord al in code is vastgelegd.
