Israëlische militairen kijken uit over de verwoeste Palestijnse stad Jabalia in het noorden van de Gazastrook.
Israëlische militairen kijken naar de verwoeste Palestijnse stad Jabalia, in het noorden van de Gazastrook.

Wanneer herinnering een wapen wordt

Er zijn herinneringen die bevrijden. En er zijn herinneringen die worden vastgezet, bewaakt en verheven tot nationaal bezit. Dan is herinneren geen oefening meer in menselijkheid, maar een grenspost. Wie binnen de herinnering valt, krijgt bescherming. Wie erbuiten valt, kan worden genegeerd, verdreven of vernietigd.

Dat is de pijnlijke kern van het werk van Omer Bartov. Bartov is een Israëlisch-Amerikaanse historicus, gespecialiseerd in de Holocaust, oorlogsmisdaden en genocide. Hij is hoogleraar Holocaust- en genocidestudies aan Brown University en werd bekend door zijn onderzoek naar de betrokkenheid van de Wehrmacht bij nazistische oorlogsmisdaden, vooral in Oost-Europa. Later schreef hij onder meer Anatomy of a Genocide: The Life and Death of a Town Called Buczacz, over hoe een plaats waar mensen lang naast elkaar leefden kon veranderen in een plek van vernietiging.

Steun vrheid.nl op Substack

Juist daarom weegt zijn oordeel zo zwaar. Bartov spreekt niet als iemand die de Holocaust relativeert. Hij spreekt als iemand die zijn wetenschappelijke leven heeft gewijd aan het begrijpen van genocide, daderschap, medeplichtigheid en de manieren waarop samenlevingen zichzelf moreel vrijpleiten. Zijn meest recente boek, Israel: What Went Wrong?, verscheen in april 2026. Daarin probeert hij te verklaren hoe het zionisme volgens hem kon verschuiven van een beweging van Joodse emancipatie naar een staatsideologie van etnisch nationalisme, uitsluiting en overheersing van Palestijnen.

Daarmee raakt Bartov aan een vraag die veel dieper gaat dan Israël alleen. Wat gebeurt er wanneer een samenleving haar grootste trauma niet verwerkt, maar voortdurend mobiliseert? Wat gebeurt er wanneer de doden niet langer worden herdacht om nieuw geweld te voorkomen, maar worden opgeroepen om nieuw geweld te rechtvaardigen?

De Israëlische filosoof Yehuda Elkana waarschuwde daar al in 1988 voor. Hij was zelf overlevende van Auschwitz en schreef tijdens de Eerste Intifada dat Israël moest leren vergeten. Niet omdat de Holocaust onbelangrijk was. Niet omdat de doden moesten verdwijnen. Maar omdat een samenleving gevaarlijk wordt wanneer zij haar politieke toekomst laat regeren door een herinnering die geen tegenspraak meer duldt.

Herinnering kan dan veranderen in een wurgslang. Zij beschermt niet langer tegen ontmenselijking, maar wordt zelf een instrument van ontmenselijking. “Never again” betekent dan niet meer: nooit meer voor niemand. Het betekent: nooit meer voor ons. En zodra die verschuiving plaatsvindt, kan de herinnering aan het ene slachtofferschap worden gebruikt om het slachtofferschap van anderen te ontkennen.

Precies daar ligt Bartovs scherpste aanklacht. De Holocaust mag geen vrijbrief worden voor Gaza. De vernietiging van Europese Joden mag niet worden ingezet om de vernietiging van Palestijns leven onzichtbaar te maken. Je kunt de ene genocide niet met de andere legitimeren.

Dat is geen gemakkelijke zin. Zij snijdt door lagen van schuld, angst, trauma, antisemitisme, koloniale geschiedenis en geopolitieke macht. Maar misschien is zij juist daarom noodzakelijk. Want wie genocide alleen herkent wanneer de daders onze vijanden zijn, heeft het begrip al uitgehold. En wie internationale rechtsorde alleen verdedigt wanneer bondgenoten niet worden geraakt, verdedigt geen recht maar macht.

Bartov benadrukt dat het woord genocide niet alleen beschrijvend is, maar ook politiek ontregelend. Zodra je dat woord gebruikt, valt de comfortabele positie van de omstander weg. Dan kun je niet meer zeggen: oorlog is nu eenmaal verschrikkelijk. Dan kun je je niet meer verschuilen achter het grote “maar”. Dan komt de vraag naar medeplichtigheid op tafel: van regeringen, media, universiteiten, artsen, juristen, burgers.

Dat maakt zijn analyse zo bedreigend voor liberale samenlevingen die zichzelf graag zien als hoeders van mensenrechten. Volgens Bartov is Gaza uitzonderlijk, niet omdat er elders geen massaal geweld bestaat, maar omdat Israël gesteund wordt door landen die zeggen dat zij het internationale recht verdedigen. Juist die steun maakt de westerse medeplichtigheid zo zichtbaar.

Hier wordt politieke herinnering gevaarlijk concreet. Europa herdenkt de Holocaust, bouwt monumenten, organiseert onderwijsprogramma’s, spreekt plechtig over “nooit meer”. Maar zodra een staat die zichzelf presenteert als erfgenaam van dat trauma een volk onderwerpt, uithongert, verdrijft en bombardeert, wordt het stil. Dan blijkt hoe selectief herinnering kan zijn wanneer zij niet verbonden is aan universele rechtvaardigheid.

Een herinneringscultuur die werkelijk iets waard is, beschermt niet alleen de doden van de eigen gemeenschap. Zij beschermt de levenden die vandaag worden ontmenselijkt. Anders wordt herdenken een ritueel zonder morele inhoud. Een jaarlijkse plechtigheid die niets kost, zolang zij de macht niet hindert.

Bartovs kritiek raakt ook aan het zionisme zelf. In Israel: What Went Wrong? beschrijft hij hoe Israël volgens hem na 1948 een andere weg had kunnen inslaan, maar dat fundamentele vragen nooit eerlijk zijn opgelost: de positie van Palestijnen, het ontbreken van een grondwet, de verhouding tussen Joodse zelfbeschikking en gelijke rechten voor niet-Joden. Het probleem is dan niet alleen de huidige extreemrechtse regering. Het probleem zit dieper: in een staatsstructuur die ongelijkheid juridisch, militair en ideologisch heeft leren beheren.

Daarmee wordt zijn werk meer dan een aanklacht tegen Netanyahu of tegen de oorlog in Gaza. Het is een waarschuwing over politieke herinnering zelf. Over de vraag wie het verleden mag bezitten. Over wat er gebeurt wanneer slachtofferschap wordt omgezet in staatsmacht. Over hoe een volk dat vervolging heeft gekend alsnog blind kan worden voor de vervolging van anderen.

Dat is geen beschuldiging aan Joden als gemeenschap. Het is juist een weigering om Israël namens alle Joden te laten spreken. Het is verzet tegen de chantage waarbij kritiek op een staat wordt vermengd met haat tegen een volk. En het is ook een weigering om Palestijns lijden steeds opnieuw ondergeschikt te maken aan Europese schuld.

De pijnlijke waarheid is dat herinnering nooit vanzelf progressief is. Herinnering kan antifascistisch zijn, maar ook nationalistisch. Zij kan bevrijdend zijn, maar ook bezitterig. Zij kan solidariteit openen, maar ook grenzen sluiten. Alles hangt af van de vraag waarvoor zij wordt ingezet: om macht te begrenzen, of om macht te beschermen.

Bartovs waarschuwing is daarom zo belangrijk. Niet omdat vergeten de oplossing is, maar omdat herinneren zonder zelfkritiek gevaarlijk wordt. Een samenleving moet zich zo kunnen herinneren dat zij ook de ander blijft zien. Dat zij het eigen trauma niet gebruikt als bewijs van permanente onschuld. Dat zij begrijpt dat slachtofferschap geen erfelijk recht op overheersing geeft.

De herinnering aan de Holocaust verliest haar morele kracht wanneer zij wordt ingezet tegen Palestijnen. Zij behoudt die kracht alleen wanneer zij iedere vorm van ontmenselijking onverdraaglijk maakt. Ook wanneer de daders bondgenoten zijn. Ook wanneer de slachtoffers geen machtige vrienden hebben. Ook wanneer het politiek ongemakkelijk wordt.

Herdenken is pas moreel wanneer het de levenden beschermt. Zodra herinnering wordt gebruikt om geweld te vergoelijken, is zij geen waarschuwing meer. Dan is zij onderdeel geworden van het geweld.

Als dit stuk je iets waard is, maak het dan mee mogelijk.

vrheid.nl schrijft sinds 2000 onafhankelijk, links en zonder commerciële leash. Geen advertenties, geen algoritmische dwang, geen redactionele knieval.

Voor €5 per maand steun je dit werk en ontvang je nieuwe stukken direct in je mailbox.

Steun deze dwarse plek

Aanbevolen voor jou