Nederland praat graag over drugscriminaliteit alsof die van buitenaf ons land is binnengedrongen. Alsof criminelen een verder goed functionerende handelsnatie hebben gekaapt. Wie verder terugkijkt, ziet iets ongemakkelijkers. De illegale drugseconomie gebruikt precies de infrastructuur waarmee Nederland rijk werd.
Het Marengoproces liet zien hoe ver die ontwikkeling inmiddels is gegaan. Ridouan Taghi en verschillende medeverdachten werden veroordeeld voor een reeks moorden, moordpogingen en voorbereidingen daarvan. Rond de zaak werd bovendien geweld gepleegd dat ver buiten het criminele milieu reikte. In 2019 werd Derk Wiersum vermoord, advocaat van kroongetuige Nabil B. In 2021 werd Peter R. de Vries, die als vertrouwenspersoon van de kroongetuige optrad, neergeschoten en later overleed hij.
Het is verleidelijk om daar een eenvoudig verhaal van te maken. Nederland was te tolerant, criminelen kregen vrij spel en uiteindelijk ontstond een narcostaat. Maar wie dat verhaal vertelt, begint veel te laat.
Een handelsland handelt
Nederland is al eeuwen ingericht om goederen zo snel en efficiënt mogelijk te verplaatsen. Havens, kanalen, pakhuizen, wegen, spoorlijnen, banken, verzekeraars en handelsbedrijven vormden samen een infrastructuur waarmee enorme hoeveelheden geld konden worden verdiend.
Die handelsgeschiedenis wordt nog altijd graag verteld als een verhaal over ondernemingszin. Minder graag vertellen we wat er werd verhandeld, wie ervoor betaalde en onder welke omstandigheden die rijkdom tot stand kwam.
De VOC was geen avontuurlijk handelsbedrijf dat toevallig goed kon boekhouden. Het was een onderneming die handel, koloniale overheersing en geweld combineerde om markten en winsten veilig te stellen. Nederlandse rijkdom werd opgebouwd met koloniale uitbuiting, gedwongen arbeid, slavernij en de handel in producten waarvan de productie elders grote menselijke kosten had.
Daar hoorde uiteindelijk ook opium bij. In Nederlands Indië werd de handel in opium door de koloniale staat gereguleerd en geëxploiteerd. De overheid probeerde daarbij een merkwaardige balans te bewaren. De prijs moest hoog genoeg zijn om inkomsten te genereren en gebruik te beperken, maar niet zo hoog dat smokkel aantrekkelijker werd.
Daarmee bestond ruim een eeuw geleden al een probleem dat nog altijd centraal staat in het drugsbeleid. Zodra er vraag naar een product bestaat, bepaalt regulering mede wie aan die vraag verdient.
Cocaïne was ooit gewone Amsterdamse handel
Ook cocaïne heeft een opvallend Nederlandse en zelfs Amsterdamse bedrijfsgeschiedenis. Rond het begin van de twintigste eeuw werden cocaplanten op Java verbouwd en de bladeren naar Nederland verscheept. In 1900 opende de Nederlandsche Cocaïnefabriek aan de Eerste Schinkelstraat 30, op de hoek met de Schinkelkade. De fabriek was opgericht door de Koloniale Bank, die belangen had in de koloniale landbouw en handel.
De fabriek groeide al snel uit haar behuizing. Ze stond midden tussen de woningen en verdere uitbreiding werd steeds moeilijker, mede doordat de brandweer bezwaar maakte tegen de opslag van grote hoeveelheden licht ontvlambare stoffen. In 1909 verhuisde de productie daarom naar een groter complex aan de Duivendrechtsekade 67, aan de Weespertrekvaart. Cocaïne was toen geen geheim product dat tussen bananen in een container verstopt hoefde te worden. Het was een legale handelswaar, geproduceerd door een Amsterdams bedrijf met grondstoffen uit de Nederlandse kolonie in Indonesië.
Over de productie tijdens de Eerste Wereldoorlog bestaan spectaculaire verhalen, waaronder de bewering dat de fabriek op grote schaal cocaïne leverde aan strijdende legers. Historisch onderzoek plaatst daar grote vraagtekens bij. Het belangrijkere verhaal is minder sensationeel: cocaïne werd legaal in Amsterdam geproduceerd uit koloniale grondstoffen en maakte gewoon deel uit van de Nederlandse commerciële economie.
Dat onderscheid is belangrijk. Een middel wordt niet crimineel doordat de chemische samenstelling verandert. De markt verandert wanneer de staat besluit dat productie, bezit of verkoop verboden wordt.
Vanaf dat moment verdwijnt de vraag niet noodzakelijk. Wel verandert de organisatie van het aanbod. Waar een legaal bedrijf contracten, magazijnen, transporteurs en verkopers gebruikt, doet een illegaal netwerk in wezen hetzelfde. Alleen komen daar andere kosten bij, zoals smokkel, omkoping, witwassen, geweld en het risico op arrestatie. Een verbod vernietigt een markt daarom niet automatisch. Het kan die markt ook veel winstgevender maken.
De oorlog die de markt niet liet verdwijnen
In de twintigste eeuw werd drugsbestrijding steeds internationaler. Vooral de Amerikaanse oorlog tegen drugs maakte repressie tot het dominante antwoord op drugsgebruik.
Maar de vraag naar drugs verdween niet. Netwerken werden opgerold en andere namen hun plaats in. Routes werden afgesloten en nieuwe routes ontstonden. Producten verdwenen tijdelijk en werden vervangen door andere.
Nederland koos in de jaren zeventig gedeeltelijk voor een andere benadering. Na ernstige problemen met heroïne werd in 1976 een onderscheid gemaakt tussen harde en zachte drugs. Een belangrijk uitgangspunt was de scheiding van markten. Wie cannabis wilde kopen, moest daarvoor niet afhankelijk zijn van dezelfde dealer die ook heroïne verkocht. Dat was geen capitulatie voor drugs, maar een poging de schade van drugsgebruik en drugsbestrijding te beperken. Tegelijk bleef er een fundamentele tegenstrijdigheid bestaan.
De voordeur mocht open, de achterdeur bleef dicht
Cannabis verkopen in een coffeeshop werd onder voorwaarden gedoogd. Maar de coffeeshop moest die cannabis ergens vandaan halen en juist daar hield de regulering op. Aan de voordeur kon een klant cannabis kopen binnen een gedoogd systeem. Aan de achterdeur mocht de coffeeshophouder zijn voorraad niet via een volledig gereguleerde legale keten inkopen.
Zo ontstond een vreemde constructie waarin verkoop werd toegestaan, terwijl een belangrijk deel van productie en bevoorrading illegaal bleef. Die tegenstrijdigheid creëerde ruimte voor een illegale toeleveringsmarkt.
Het is te eenvoudig om daaruit een rechte lijn naar de huidige georganiseerde misdaad te trekken. De internationale cocaïnehandel van vandaag is iets anders dan de bevoorrading van een coffeeshop in de jaren tachtig. Maar de achterdeur laat wel een algemener probleem zien.
Wanneer de overheid een grote en stabiele vraag accepteert maar het aanbod illegaal houdt, ontstaat een markt waarop alleen illegale leveranciers kunnen opereren. Waar veel geld kan worden verdiend, verschijnt vervolgens kapitaal.
De ondernemer van de onderwereld
Klaas Bruinsma begreep dat uitstekend. Zijn vernieuwing was niet dat hij criminaliteit uitvond. Hij organiseerde drugshandel steeds meer zoals een onderneming. Hij werkte met betrouwbare bevoorrading, vaste kwaliteit, internationale leveranciers, taakverdeling, logistiek, voorraadbeheer, investeringen en witwasconstructies.
Daarmee vervaagt ook het comfortabele onderscheid tussen de rationele ondernemer en de irrationele crimineel. Beiden zoeken leveranciers, klanten en markten. Beiden proberen kosten te verlagen en marges te vergroten. Beiden zoeken nieuwe producten wanneer oude markten minder aantrekkelijk worden.
Het belangrijke verschil is dat de illegale ondernemer geen beroep kan doen op een rechter wanneer een leverancier zijn afspraken niet nakomt. Kapitalisme en georganiseerde misdaad zijn niet hetzelfde, maar binnen illegale markten werkt wel dezelfde economische druk van concurrentie, expansie en winst. Omdat wettelijke middelen om conflicten op te lossen ontbreken, kan geweld die functie overnemen.
Van hasj naar xtc
Dat helpt verklaren waarom Nederlandse criminele netwerken zich zo gemakkelijk konden aanpassen. Toen de markt veranderde, veranderden zij mee.
Nederland beschikte niet alleen over internationale handelsroutes, maar ook over chemische kennis, infrastructuur, kapitaal en toegang tot een grote Europese markt. Vanaf de jaren tachtig en negentig groeide het land uit tot een belangrijk productiecentrum voor synthetische drugs zoals xtc.
Kapitaal dat in de ene markt was verdiend, kon in een volgende markt worden geïnvesteerd. Bestaande contacten en distributienetwerken konden opnieuw worden gebruikt. In de legale economie zouden we dat diversificatie noemen.
De haven maakt geen onderscheid
Criminele netwerken proberen daarom binnen te dringen in legale logistieke ketens. Rotterdam is voor cocaïnehandel aantrekkelijk om precies dezelfde reden waarom de haven aantrekkelijk is voor iedere andere internationale handelaar. Er kunnen enorme hoeveelheden vracht snel worden verwerkt. Havenmedewerkers, transportbedrijven, importeurs en andere schakels kunnen vervolgens worden omgekocht om drugs tussen die enorme stroom legale goederen Europa binnen te krijgen. Dat is niet simpelweg een zwakte van het systeem. Het is ook een gevolg van zijn efficiëntie. De infrastructuur die legale wereldhandel mogelijk maakt, biedt daardoor onvermijdelijk ook mogelijkheden voor illegale handel.
Onderwereld en bovenwereld
Daarom schiet het woord onderwereld uiteindelijk tekort. Het suggereert twee gescheiden werelden. Boven bevindt zich de keurige samenleving van ondernemers, vastgoedbezitters, accountants en investeerders. Daaronder bevindt zich een verborgen wereld van criminelen.
Maar drugsgeld moet ergens heen. Het wordt uitgegeven, geïnvesteerd en witgewassen. Daarvoor zijn bedrijven, vastgoed, financiële constructies en professionele dienstverleners bruikbaar.
De grens tussen beide werelden blijkt daardoor veel poreuzer dan het begrip onderwereld doet vermoeden.
Dat betekent niet dat iedere ondernemer corrupt is of dat de hele Nederlandse economie op drugsgeld draait. Het betekent wel dat georganiseerde criminaliteit nauwelijks kan bestaan zonder raakvlakken met de legale economie. Wie alleen achter dealers, koeriers en uithalers aanjaagt, ziet daarom maar een deel van het systeem.
Het probleem heet niet migratie
Die economische werkelijkheid raakt gemakkelijk uit beeld wanneer georganiseerde drugscriminaliteit vooral wordt verklaard vanuit afkomst. Het begrip Mocro maffia is daarvan misschien het duidelijkste voorbeeld.
Natuurlijk bestaan er criminele netwerken waarin familiebanden, buurten en internationale contacten een rol spelen. Migratieroutes kunnen handelsroutes worden, zoals allerlei sociale netwerken ook economische functies kunnen krijgen.
Maar wie de geschiedenis van de Nederlandse drugseconomie reduceert tot Marokkaans Nederlandse criminelen, wist eeuwen Nederlandse geschiedenis uit. Lang vóór Taghi waren er koloniale opiumhandelaren, Amsterdamse cocaïneproducenten, Hollandse hasjsmokkelaars en figuren als Bruinsma, Klepper en Holleeder. Zij opereerden binnen een veel grotere structuur van havens, kapitaal, internationale handelsroutes en een bijna religieus vertrouwen in handel. Het probleem kwam niet met migranten Nederland binnen. De markt, infrastructuur en winstlogica bestonden al.
Marengo begon niet bij Taghi
De naam Marengo werd ooit willekeurig door een computer gekozen als neutrale aanduiding voor het onderzoek. Inmiddels staat hij voor een van de beruchtste strafzaken uit de Nederlandse geschiedenis.
Het geweld rond criminele netwerken moet worden bestreden en mensen moeten worden beschermd tegen intimidatie, afpersing en moord. Maar meer politie, hogere straffen en steeds hardere repressie veranderen niet automatisch het economische mechanisme achter de markt.
Zolang miljoenen Europeanen drugs willen gebruiken en het verbod enorme winstmarges creëert, zal iemand die markt proberen te bedienen. Een grote speler arresteren laat de vraag intact, net als het onderscheppen van een partij cocaïne. Wordt een handelsroute afgesloten, dan kan een andere aantrekkelijker worden.
Dat is geen argument om niets te doen, maar om te vragen wat een eeuw drugsbestrijding werkelijk heeft bereikt en welk deel van het probleem door die bestrijding zelf in stand wordt gehouden.
Anders naar de kaart kijken
Nederland heeft de internationale drugseconomie niet uitgevonden. Evenmin kan de huidige georganiseerde misdaad simpelweg worden teruggebracht tot de VOC, kolonialisme of de coffeeshop.
Maar er loopt wel een herkenbare draad door deze geschiedenis. Goederen, schepen, havens, kapitaal en internationale netwerken vormen telkens opnieuw de infrastructuur. Ondernemers zoeken kansen, markten passen zich aan zodra overheden ingrijpen en steeds keert dezelfde vraag terug wie er aan de handel verdient.
Daardoor is het misschien comfortabeler om naar Taghi te kijken dan naar Rotterdam. Een individuele crimineel kan worden veroordeeld en opgesloten. Het is moeilijker om onder ogen te zien dat de illegale drugseconomie geen vreemd lichaam is dat zich in Nederland heeft genesteld.
Ze groeide in de ruimte tussen vraag, verbod en winst en maakt daarbij gebruik van een handelsinfrastructuur die Nederland zelf heeft opgebouwd.
Nederland heeft eeuwenlang geleerd hoe je goederen over de wereld verplaatst, markten organiseert en daar geld aan verdient. De illegale drugseconomie staat niet buiten die geschiedenis, maar maakt er op een ongemakkelijke manier deel van uit.
Als dit stuk je iets waard is, maak het dan mee mogelijk.
vrheid.nl schrijft sinds 2000 onafhankelijk, links en zonder commerciële leash. Geen advertenties, geen algoritmische dwang, geen redactionele knieval.
Voor €5 per maand steun je dit werk en ontvang je nieuwe stukken direct in je mailbox.
