Demonstrant op de Dam in Amsterdam met een bord “We should all be feminists” tijdens een feministische bijeenkomst.
Demonstrant met een feministisch protestbord tijdens een bijeenkomst op de Dam in Amsterdam.

De politiek van wantrouwen

De Nederlandse staat grijpt steeds eerder in: bij terrorisme, fraude en protest. Niet alleen op basis van wat mensen doen, maar ook van wat ze mogelijk zouden kunnen doen. Zo groeit langzaam een politiek waarin wantrouwen een bestuursprincipe wordt.

Wanneer veiligheidspolitiek burgers tot risico maakt

Op de Dam in Amsterdam verzamelen mensen zich met borden en spandoeken. Het is een zondagmiddag. Fietsen staan in het rek, toeristen blijven even kijken, iemand schenkt koffie uit een thermoskan. Aan de rand van het plein staan politiebusjes geparkeerd terwijl een camera langzaam met de menigte meedraait.

Nog voordat de mars begint, is er al een inschatting gemaakt. Hoe groot wordt de groep, wie organiseert het protest, kan het uit de hand lopen, welke routes zijn een risico? De demonstratie bestaat al in rapporten, risicoanalyses en scenario’s voordat de eerste leus wordt geroepen. Het lijkt alledaags, maar het is gevaarlijk, omdat het laat zien hoe bestuur tegenwoordig vaak werkt: eerst inschatten, dan controleren, en pas daarna kijken wat er werkelijk gebeurt.

Steun vrheid.nl op Substack

In de afgelopen twintig jaar is de Nederlandse staat langzaam verschoven in die richting. Niet door één grote beslissing, maar door een reeks wetten, beleidsprogramma’s en bestuurlijke reflexen die samen een nieuwe logica vormen. Wat ooit begon als terrorismebestrijding groeide uit tot een bredere manier van regeren. Veiligheid bleef het doel, maar preventie werd de methode.

En zodra preventie het uitgangspunt wordt, verandert ook de verhouding tussen burger en overheid. Niet wat iemand heeft gedaan staat centraal, maar wat iemand mogelijk zou kunnen doen.

Besturen door risico’s te voorspellen

Een preventiestaat probeert risico’s te beheersen voordat ze werkelijkheid worden. In plaats van te reageren op overtredingen verschuift de aandacht naar voorspellen, monitoren en vroeg ingrijpen. Dat gebeurt met databestanden, risicoprofielen, veiligheidsanalyses en bestuurlijke bevoegdheden die bedoeld zijn om onzekerheid te verkleinen. Het idee is eenvoudig: hoe eerder de staat ingrijpt, hoe kleiner de kans dat iets misgaat. Maar dat vroege ingrijpen heeft een prijs: het verschuift de manier waarop de staat naar burgers kijkt.

Veiligheid vóór het feit

Na de moord op Theo van Gogh in 2004 kwam terrorismebestrijding hoog op de politieke agenda. Dat was begrijpelijk. De dreiging was reëel en de publieke schok groot. Nieuwe instellingen kregen meer bevoegdheden, samenwerking tussen politie, gemeenten en veiligheidsdiensten werd intensiever en het beleid ging zich steeds sterker richten op radicalisering.

In die periode groeide ook de rol van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid, de NCTV. De gedachte was eenvoudig: als radicalisering vroeg wordt herkend, kan geweld worden voorkomen. Gemeenten moesten signalen verzamelen, professionals zoals docenten en jongerenwerkers werden betrokken bij meldstructuren en netwerken rond moskeeën en gemeenschappen werden in kaart gebracht.

Preventie klonk als verstandig beleid. Toch zat er vanaf het begin een spanning in deze aanpak. Want hoe herken je iemand die misschien ooit een risico kan worden? Hoe definieer je radicalisering zonder politieke of religieuze overtuigingen te problematiseren? En hoeveel zekerheid heb je eigenlijk wanneer de overheid ingrijpt voordat er iets strafbaars is gebeurd?

Om met die onzekerheid om te gaan begon de staat steeds vaker te werken met signalen, profielen en risico-inschattingen. Het bestuur verschoof van reageren op feiten naar het beheren van waarschijnlijkheden.

Hoe noodmaatregelen normaal beleid worden

Wat in eerste instantie werd gepresenteerd als een uitzonderlijke reactie op terrorisme bleek langzaam een bredere bestuursstijl te worden. Instrumenten die voor veiligheid waren ontwikkeld, begonnen ook op andere terreinen te verschijnen.

Een bekend voorbeeld is het systeem SyRI, het Systeem Risico Indicatie. Daarmee combineerde de overheid grote hoeveelheden gegevens, van uitkeringen tot woongegevens en schulden, om fraude te voorspellen. Burgers werden niet onderzocht omdat er een concrete verdenking was, maar omdat een algoritme hen als risicovol aanwees. In 2020 oordeelde de rechtbank dat SyRI in strijd was met het recht op privacy, maar het idee achter het systeem bleef bestaan: sociale problemen beheersen door risico’s te berekenen.

Ook in de politiepraktijk werd voorspelling steeds belangrijker. Met systemen voor predictive policing probeerde men te berekenen waar criminaliteit waarschijnlijk zou plaatsvinden, zodat politie daar alvast aanwezig kon zijn. In theorie klinkt dat efficiënt. In de praktijk betekent het dat buurten en bevolkingsgroepen die al vaker gecontroleerd worden nog meer aandacht krijgen. Zo kan een cirkel van wantrouwen ontstaan waarin toezicht zichzelf voortdurend bevestigt.

Protest in het tijdperk van preventie

De verschuiving naar preventie wordt ook zichtbaar rond het demonstratierecht. Formeel is demonstreren in Nederland een grondrecht. In de praktijk krijgen burgemeesters steeds meer ruimte om protesten vooraf te reguleren wanneer zij vrezen voor ordeproblemen.

De klimaatprotesten van Extinction Rebellion laten dat scherp zien. Rond blokkades van de A12 werden duizenden demonstranten aangehouden, vaak nog voordat een blokkade daadwerkelijk begon. Het argument was steeds hetzelfde: verstoring van de openbare orde moest worden voorkomen. Dat is precies de taal van de preventiestaat.

Hetzelfde patroon zien we bij gebiedsverboden of preventieve aanhoudingen bij protesten. De staat grijpt niet alleen in wanneer er geweld dreigt, maar ook wanneer men denkt dat een demonstratie mogelijk ontwrichtend kan worden. Daarmee verschuift de betekenis van het demonstratierecht langzaam. Het wordt minder een vrijheidsrecht en meer een activiteit die onder voorwaarden mag plaatsvinden.

Waar het beleid werd uitgeprobeerd

Voor veel Nederlandse moslims is deze ontwikkeling minder nieuw dan voor andere groepen. In de jaren na 2004 werd hun gemeenschap het eerste grote proefveld voor preventief veiligheidsbeleid. Moskeeën werden gemonitord, gemeenschappen in kaart gebracht en religieuze overtuigingen regelmatig in veiligheidsrapporten besproken.

Voorstanders van deze aanpak benadrukten dat radicalisering moest worden voorkomen. Critici wezen erop dat hele gemeenschappen onder een vergrootglas kwamen te liggen. Wanneer een overheid een bevolkingsgroep structureel benadert als potentieel risico, verandert dat de relatie tussen burger en staat. Wantrouwen wordt dan niet een incident, maar een permanente achtergrond.

Het patroon dat hier zichtbaar werd, keert later vaak terug in andere beleidsvelden. Een instrument dat eerst wordt gebruikt tegen een specifieke dreiging, wordt later breder toegepast.

Beschermen wat je tegelijk onder druk zet

Hier ligt een fundamentele paradox. Democratische staten willen hun burgers beschermen tegen geweld en extremisme. Dat is een legitieme taak. Tegelijkertijd kan het instrumentarium dat daarvoor wordt ontwikkeld de democratische cultuur zelf onder druk zetten.

Wanneer toezicht steeds vroeger begint, verschuift ook het moment waarop de staat macht uitoefent. Niet meer nadat iemand een wet heeft overtreden, maar voordat dat gebeurt. De burger wordt daarmee minder een rechtssubject en meer een object van risicobeheer.

Die verschuiving is vaak subtiel. Ze verschijnt in databanken, in bestuurlijke bevoegdheden, in algoritmes en veiligheidsrapporten. Geen van die maatregelen lijkt op zichzelf revolutionair. Maar samen vormen ze een infrastructuur van controle die steeds verder het dagelijkse leven binnendringt.

Burgers als ogen van de staat

Diezelfde logica verschijnt ook in iets ogenschijnlijk eenvoudigs als een reclamecampagne. In spotjes van de overheid wordt burgers gevraagd alert te zijn op verdachte situaties in hun buurt. “Vreemd of verdacht? Meld het.” De boodschap lijkt onschuldig, bijna vanzelfsprekend. Natuurlijk wil iedereen dat criminaliteit wordt aangepakt.

Maar de stap die hier wordt gezet is subtieler. Veiligheid wordt niet alleen een taak van politie en justitie, maar van de hele samenleving. De buurman, de winkelier, de voorbijganger, allemaal worden ze potentiële sensoren van de staat. Niet alleen misdaad wordt gemeld, maar ook vermoedens, indrukken, onderbuikgevoelens.

Zo verschuift veiligheid van opsporing naar sociale waakzaamheid. De preventiestaat werkt niet alleen via databanken en algoritmes, maar ook via cultuur: via het idee dat risico’s overal kunnen zitten en dat burgers elkaar moeten observeren om problemen vóór te zijn. Wat begint als burgerparticipatie kan zo langzaam veranderen in een samenleving waarin wantrouwen een dagelijkse reflex wordt.

De rekening van veiligheid

Zoals vaak bij veiligheidsbeleid zijn de gevolgen ongelijk verdeeld. Minderheden en politieke minderheden voelen de effecten meestal als eerste. Moslims, migranten en activisten worden vaker gezien als mogelijke bron van risico. Tegelijkertijd profiteren andere groepen van het gevoel van orde en veiligheid dat het beleid belooft.

Dat roept een klassieke politieke vraag op: wie profiteert van deze systemen en wie draagt de gevolgen? Want elke vorm van preventieve controle heeft een maatschappelijke keerzijde. Die bestaat uit privacyverlies, uit wantrouwen tussen burgers en overheid en uit het risico dat legitieme politieke activiteit als verdacht wordt behandeld.

De toekomst willen beheersen

De preventiestaat ontstaat zelden door een groot plan. Hij groeit uit incidenten, politieke druk en de wens om onzekerheid te beheersen. Elk incident leidt tot nieuwe bevoegdheden, elk risico tot nieuwe systemen die beloven de toekomst beter te voorspellen.

Maar een samenleving laat zich niet volledig voorspellen. Mensen veranderen, protest ontstaat onverwacht en politieke conflicten horen bij een levende democratie. Wanneer een staat die dynamiek vooral probeert te beheersen, ontstaat het gevaar dat vrijheid zelf als risico wordt gezien.

Wie nog eens terugdenkt aan dat plein op de Dam ziet het beeld misschien scherper. Mensen met borden en spandoeken, iemand die een thermoskan koffie rondgeeft, toeristen die blijven staan kijken. Aan de rand van het plein staan politiebusjes, camera’s draaien langzaam mee. Twee werkelijkheden bestaan daar naast elkaar: burgers die hun stem laten horen en een staat die probeert te berekenen wat er zou kunnen gebeuren.

Democratie leeft juist van die onvoorspelbaarheid: van mensen die samenkomen, van conflict, van protest dat soms rommelig en lastig is. Wanneer een staat die levendigheid vooral als risico begint te zien, verschuift iets fundamenteels in de relatie tussen macht en samenleving.

Misschien begint een open democratie daarom niet bij het controleren van burgers, maar bij het begrenzen van macht, op een plein waar mensen spreken, roepen, discussiëren en simpelweg aanwezig zijn.

Als dit stuk je iets waard is, maak het dan mee mogelijk.

vrheid.nl schrijft sinds 2000 onafhankelijk, links en zonder commerciële leash. Geen advertenties, geen algoritmische dwang, geen redactionele knieval.

Voor €5 per maand steun je dit werk en ontvang je nieuwe stukken direct in je mailbox.

Steun deze dwarse plek

Aanbevolen voor jou