Er zijn denkers die je niet leest om gelijk te krijgen, maar om scherper te zien. Michel Foucault is zo iemand. Zijn werk schuurt niet omdat het abstract is, maar omdat het dichtbij komt. Bij hoe we kijken. Hoe we praten. Hoe we onszelf in toom houden, vaak zonder dat iemand ons daartoe dwingt.
Foucault gaf geen blauwdruk voor de toekomst. Hij leverde iets anders: gereedschap. Om macht te herkennen waar ze zich verstopt. Om te begrijpen waarom bevrijding soms voelt als vooruitgang, maar ondertussen nieuwe kettingen smeedt. En om te zien dat verzet niet begint bij de Grote Omwenteling, maar in het dagelijks ondermijnen van wat normaal heet.
Macht is niet van boven – ze loopt door ons heen
Wie Foucault reduceert tot het panopticon, mist de kern. Ja, in Discipline and Punish beschrijft hij hoe toezicht werkt: het beroemde model van de gevangenis waarin gevangenen zich permanent bekeken wánen en zich daardoor zelf gaan corrigeren. Maar voor Foucault was dit nooit slechts een architectonisch trucje of een metafoor voor staatscontrole. Het panopticon was een denkmodel om te laten zien hoe moderne macht verschuift van openlijk geweld naar subtiele disciplinering — hoe zichtbaarheid, registratie en normaliteit mensen van binnenuit vormen. Maar belangrijker is wat daaronder ligt: macht is relationeel, diffuus, alledaags. Ze woont niet alleen in de staat, maar in scholen, ziekenhuizen, media, gezinnen. En uiteindelijk in onszelf.
Na de NSA-onthullingen werd Foucault massaal aangehaald. Die onthullingen verwezen naar de documenten die klokkenluider Edward Snowden in 2013 openbaar maakte, en die blootlegden hoe de Amerikaanse inlichtingendienst NSA op industriële schaal digitale communicatie verzamelde: telefoongegevens, e-mails, internetverkeer en metadata van miljoenen mensen wereldwijd, veelal zonder concrete verdenking en grotendeels buiten democratische controle.
De publieke reactie was vaak gemakzuchtig. Het probleem werd neergezet als een ontspoorde overheid die ‘te ver was gegaan’. Surveillance als incident. Als fout in een verder gezond systeem. Terwijl Foucault juist helpt zien dat dit geen afwijking was, maar een logisch gevolg van hoe moderne samenlevingen zijn georganiseerd.
Macht heeft geen alziende staat meer nodig. Ze werkt via gewoonten, verwachtingen en normen. Wij disciplineren elkaar. We normaliseren. We passen ons gedrag aan nog vóórdat iemand ingrijpt. Niet omdat iemand ons slaat, maar omdat afwijken ongemakkelijk wordt — sociaal, professioneel, existentieel.
Dat is misschien wel zijn meest ongemakkelijke inzicht: macht werkt het best wanneer ze niet als geweld voelt. Wanneer we haar internaliseren. Wanneer zelfcontrole vanzelfsprekend wordt.
Waar macht is, is verzet – altijd
Foucault wordt vaak verweten dat hij geen ruimte laat voor revolutie. Onterecht. In zijn beroemde stelling – waar macht is, is verzet – zit geen troostende belofte, maar een nuchtere constatering. Macht is nooit totaal. Elke machtsrelatie bevat frictie. Scheuren. Mogelijkheden.
Hij geloofde niet in een mythisch machtsvrij ‘buiten’. Zo’n plek bestaat niet. De vraag is niet hoe we macht afschaffen, maar welke vormen we weigeren te aanvaarden. Dat is geen zwaktebod, maar een anti-autoritaire houding. Praktisch. Onromantisch. En juist daarom bruikbaar.
Zijn taal werd in de jaren zeventig explicieter, strijdbaarder. In The History of Sexuality klinkt geen afstandelijke analyse, maar een oproep tot ontmaskering. Instituties die zich neutraal noemen – psychiatrie, geneeskunde, recht – blijken diep politiek. Dat benoemen is verzet.
Biopolitiek: wanneer leven zelf bestuur wordt
Met het begrip biopolitiek legde Foucault iets bloot wat nog altijd onder onze huid zit. Moderne macht draait niet meer alleen om wetten en straffen, maar om het sturen van leven zelf: gezondheid, voortplanting, gedrag, risico, identiteit. Niet het individu staat centraal, maar populaties — groepen mensen die gemeten, vergeleken en genormaliseerd worden. Dat gebeurt zelden met knuppels. Meestal via zorg, kennis en goede bedoelingen. Wat biopolitiek op populatieniveau doet, keert terug op het niveau van identiteit: ook daar wordt leven leesbaar, meetbaar en bestuurbaar.
Neem coming-out. Voor veel mensen is uit de kast komen een daad van bevrijding, van ademhalen. Dat staat niet ter discussie. Maar Foucault laat zien dat openheid ook iets anders doet: ze vraagt om benoeming, classificatie, vastlegging. Wie je bent wordt iets wat uitgesproken, geregistreerd en herkend moet worden. Dat kan ruimte geven — en tegelijk maakt het je leesbaar voor instituties, markten en beleid. Zichtbaarheid is nooit neutraal.
Of kijk naar zorg. Gezondheidszorg redt levens en verzacht lijden. Tegelijk leert ze ons wat een ‘gezond’ lichaam is, welk gedrag wenselijk geldt, welke risico’s acceptabel zijn. Je bent niet alleen patiënt, maar ook datapunt: BMI, diagnose, protocol, doelgroep. Zorg kan ondersteunen, maar ook normeren. Afwijking vraagt om uitleg.
Hetzelfde geldt voor data en identiteit. In een digitale samenleving worden we voortdurend aangespoord onszelf te definiëren: voorkeuren, gevoelens, grenzen, profielen. Dat voelt als autonomie — ik zeg wie ik ben. Maar die zelfbeschrijving wordt tegelijk grondstof. Voor algoritmes, markten en risicoberekeningen. Identiteit wordt iets wat circuleert, wordt opgeslagen, wordt bestuurd.
Dat is wat Foucault bedoelt wanneer hij zegt dat seksualiteit en identiteit niet simpelweg worden onderdrukt of bevrijd, maar geproduceerd. Ze ontstaan in wisselwerking met macht. Niet omdat iemand dat zo gepland heeft, maar omdat moderne samenlevingen houvast zoeken in ordening, voorspelbaarheid en controle.
Dit wordt extra zichtbaar in de Nederlandse context. Denk aan hoe GGD’s, zorgverzekeraars en gemeenten werken met risicoprofielen, leefstijlindicatoren en preventieprogramma’s. Of aan hoe DigiD, datakoppelingen en algoritmes bepalen wie sneller gecontroleerd wordt, wie extra formulieren moet invullen, wie als ‘kwetsbaar’ of ‘afwijkend’ verschijnt in systemen.
Ook hier geldt: dit gebeurt zelden uit kwaadwillendheid. Het gebeurt in naam van efficiëntie, zorg en veiligheid. Maar precies daarin schuilt de Foucauldiaanse vraag: wie bepaalt de norm, wie valt erbuiten, en wie draagt de gevolgen?
Dat inzicht blijft ongemakkelijk, vooral voor links. Want het betekent dat zichtbaarheid, erkenning en zelfs trots soms moeiteloos passen binnen bestaande machtsstructuren. Dat maakt die strijd niet zinloos — maar het vraagt wel om voortdurende alertheid. Vrijheid is geen eindpunt, maar een praktijk.
Neoliberalisme en de blinde vlekken van Foucault
Foucaults late werk over neoliberalisme blijft een open zenuw. Critici stellen dat hij te mild was, te gefascineerd door het idee van minder staat en minder betutteling. Dat hij hoopte op een bestuursvorm die minder disciplinair zou zijn dan de verzorgingsstaat – en daarmee groeiende ongelijkheid onderschatte.
Die kritiek raakt iets. Foucault wantrouwde grote instituties, ook linkse. Hij had weinig geduld met bureaucratie en dogma’s. Maar wie hem leest als een pleitbezorger van marktdictaat, doet hem tekort. Hij benadrukte herhaaldelijk dat zorg geen privilege voor rijken mocht zijn en dat een politieke gemeenschap verantwoordelijkheid draagt voor de levensvoorwaarden van iedereen.
Wat hier zichtbaar wordt, is geen verraad aan links, maar een breuk met autoritair denken. Foucault zocht geen marktoplossing, maar een manier om zorg te organiseren zonder verstikkende controle. Dat hij daarin soms naïef was, mag gezegd. Dat zijn vragen vandaag nog steeds snijden, ook. Zijn analyse van neoliberalisme was geen pleidooi, maar een poging te begrijpen hoe macht ook zonder klassieke staatsdiscipline kan functioneren.
Theorie met vuile handen: Foucault als activist
Foucault was geen studeerkamerdenker. Hij stond naast gevangenen, migranten en patiënten. Met gevangenisgroepen maakte hij misstanden zichtbaar, niet door namens anderen te spreken, maar door hen zelf aan het woord te laten. Dat was geen symbolisch gebaar, maar een politieke keuze.
Zijn inzet voor vluchtelingen was even helder als radicaal. Geen staat heeft het recht mensen te laten sterven in naam van soevereiniteit. Punt. Dat standpunt klinkt vandaag, in Fort Europa, bijna subversief.
Dit activisme laat zien wat Foucault bedoelde met verzet: geen zuivere positie buiten de macht, maar solidariteit in de rommel. Daar waar beleid levens breekt. Daar waar abstracte systemen concrete lichamen raken.
Foucault vandaag: geen icoon, maar een sleutelbos
In discussies over surveillancekapitalisme, queer politiek, migratie en gezondheidszorg duikt Foucault steeds weer op. Niet als heilige, maar als hulpmiddel. Zijn analyse dat controlemechanismen eerst op gemarginaliseerden worden getest – koloniaal, racistisch, klassengebonden – verklaart veel van het huidige veiligheidsbeleid.
In queer bewegingen helpt hij om vrijheid niet te verwarren met nieuwe normen. In migratiestrijd biedt biopolitiek taal om te benoemen hoe staten bepalen welk leven telt. In pandemiedebatten herinnert hij ons eraan dat zorg en controle altijd samen verschijnen – en dat waakzaamheid geen luxe is.
Geen eindpunt, wel richting
Foucault biedt geen geruststelling. Hij belooft geen einde aan macht. Wat hij wel biedt, is helderheid. De mogelijkheid om te zeggen: dit is niet neutraal. Dit is niet vanzelfsprekend. Dit kan anders.
Geschiedenis, zo laat hij zien, is geen stoffig archief. Het is een gereedschapskist. Wie haar opent, ziet dat wat vandaag onvermijdelijk lijkt, ooit gemaakt is. En dus ook ontmanteld kan worden. Niet morgen. Niet in één klap. Maar hier. In hoe we kijken. In wat we weigeren normaal te vinden. In het stille, koppige verzet tegen macht die zich als zorg vermomt, en tegen hervormingen die bevrijding beloven maar nieuwe normaliteit afdwingen.
Als dit stuk je iets waard is, maak het dan mee mogelijk.
vrheid.nl schrijft sinds 2000 onafhankelijk, links en zonder commerciële leash. Geen advertenties, geen algoritmische dwang, geen redactionele knieval.
Voor €5 per maand steun je dit werk en ontvang je nieuwe stukken direct in je mailbox.
