Groep arbeiders met petten en jassen staat dicht op elkaar bij een gebouw in het East End rond 1930.
Arbeiders staan dicht op elkaar bij een gebouw in het East End, een beeld van bestaansonzekerheid, buurt en georganiseerde solidariteit.

Buren tegen fascisme

Je ziet het bijna voor je: smalle straten in East End, werkplaatsen achter woonhuizen, kinderen op straat, vrouwen die het huishouden overeind houden met te weinig geld, mannen die na lange dagen praten over loon, huur, vakbond en politiek. Geen romantisch arbeidersdecor, maar een buurt waar het leven krap is en mensen elkaar toch weten te vinden.

In Out of the Ghetto schrijft Joe Jacobs niet over antifascisme alsof het een nette historische les is. Hij schrijft vanuit een wereld waarin politiek aan de voordeur stond. Soms als vakbondsvergadering, soms als ruzie binnen de Communistische Partij, soms als honger, soms als een fascistische knokploeg die Joodse arbeiders en migranten wilde intimideren. Het East End was geen achtergrond. Het was de plek waar armoede, migratie, antisemitisme, klassenstrijd en straatpolitiek elkaar dagelijks raakten.

Dat maakt het boek nog steeds zo scherp. Jacobs laat zien dat fascisme niet begint met tanks en regeringsgebouwen, maar met geruchten, toespraken, vijandbeelden, marsroutes en mannen die denken dat zij de straat mogen opeisen. Mosley’s Blackshirts kwamen niet zomaar “een mening” verkondigen. Ze kwamen een buurt vertellen wie er wel en niet thuishoorde.

Steun vrheid.nl op Substack

Mosley’s Blackshirts waren de straatbeweging van de British Union of Fascists, de fascistische partij van Oswald Mosley. Ze droegen zwarte hemden naar Italiaans fascistisch voorbeeld, organiseerden marsen en bijeenkomsten, en richtten hun haat steeds sterker op Joodse gemeenschappen, migranten, socialisten en communisten. In East End betekende hun aanwezigheid geen gewoon politiek meningsverschil. Het betekende intimidatie op straat, antisemitische propaganda en de poging om arbeiders tegen elkaar op te zetten.

Voor de mensen in East End was dat geen abstract debat over vrijheid van meningsuiting. Het ging om veiligheid, waardigheid en de vraag of je je kinderen nog zonder angst de straat op kon sturen.

Precies daar begint antifascistische organisatie. Niet bij grote woorden, maar bij mensen die elkaar niet laten vallen. Bij buren die weten wie er bedreigd wordt. Bij arbeiders die begrijpen dat antisemitisme niet losstaat van uitbuiting. Bij vakbondsmensen, communisten, socialisten, jongeren en buurtbewoners die zien hoe fascisme groeit wanneer armoede wordt omgezet in haat naar beneden. Jacobs’ herinneringen zijn juist waardevol omdat ze niet gladgestreken zijn. Hij beschrijft strijd, moed en kameraadschap, maar ook partijdiscipline, sektarisme, fouten en frustratie. Daardoor wordt het geen heiligenverhaal. Het wordt iets nuttigers: een handleiding in politieke eerlijkheid.

Het antifascisme van Jacobs was geen stijl, geen identiteit, geen stoer gebaar achteraf. Het was werk. Mensen waarschuwen wanneer de fascisten kwamen. Vergaderingen beleggen. Pamfletten drukken. Zalen vullen. Discussies voeren met arbeiders die door Mosley werden aangesproken op hun woede en armoede. De straat op gaan wanneer dat nodig was. Niet omdat geweld mooi is, maar omdat fascistische intimidatie juist leeft van het idee dat bedreigde mensen alleen staan. Jacobs laat zien dat antifascisme pas kracht krijgt wanneer het een netwerk wordt: Joodse en niet-Joodse arbeiders, communisten en buurtbewoners, mensen die elkaar misschien niet altijd vertrouwden, maar wel begrepen dat de Blackshirts niet onbeantwoord door hun straten mochten marcheren.

Daarin zit ook de spanning. Organisatie geeft kracht, maar kan ook hard worden. Een partij kan mensen verbinden, maar ook kleineren. Discipline kan nodig zijn, maar ook blind maken. Jacobs schrijft juist vanuit die dubbele ervaring. Hij wist hoe belangrijk de Communistische Partij was in de strijd tegen fascisme, maar hij wist ook hoe pijnlijk het werd wanneer leiders van bovenaf besloten, wanneer twijfel verdacht werd en wanneer gewone militanten vooral moesten uitvoeren. Dat maakt zijn antifascisme niet zwakker. Het maakt het menselijker en bruikbaarder. Want echte bewegingen bestaan niet uit zuivere figuren. Ze bestaan uit mensen die onder druk keuzes maken, fouten maken, terugkomen, doorgaan.

De les van Jacobs is eenvoudig en ongemakkelijk tegelijk. Je kunt fascisme niet alleen bestrijden door het moreel af te keuren. Je moet de plekken opbouwen waar mensen elkaar kunnen beschermen: vakbonden, buurtgroepen, politieke organisaties, solidariteitsnetwerken, zalen, pleinen, kranten, gesprekken aan keukentafels. Want waar mensen alleen worden gelaten, wint angst terrein. Waar mensen georganiseerd zijn, krijgt haat weerstand.

Daarom leest Out of the Ghetto niet als een afgesloten verhaal over Londen in de jaren dertig. Het leest als waarschuwing. Ook nu worden minderheden aangewezen als probleem. Ook nu noemen bestuurders protest een risico, terwijl extreemrechts ruimte krijgt onder het mom van debat. Ook nu doen media alsof fascistische politiek gewoon een mening is, zolang die netjes wordt verpakt. Jacobs herinnert ons eraan dat fascisme niet pas gevaarlijk wordt wanneer het regeert. Het wordt gevaarlijk wanneer buren zwijgen, organisaties aarzelen en instellingen neutraliteit belangrijker vinden dan bescherming.

En dus is de vraag niet alleen wat er toen gebeurde in East End. De vraag is wat wij doen wanneer haat zich opnieuw organiseert. Wie blijft er staan? Wie opent de deur? Wie zorgt dat niemand alleen tegenover de knokploeg, de laster of de bestuurlijke stilte komt te staan? Antifascisme begint daar: niet als pose, maar als afspraak tussen mensen. Jij staat er niet alleen voor.

Aanbevolen voor jou