Op 1 juli is het Oosterpark niet zomaar een park. Mensen komen er met bloemen, met namen, met kinderen, met stilte. Sommigen komen elk jaar. Anderen voor het eerst. Er wordt herdacht, maar ook gekeken. Wie staat waar? Wie spreekt? Wie luistert? En vooral: wat doet Nederland met een verleden dat nooit alleen verleden is geweest?
Astrid Elburg, NiNsee en het Herdenkingscomité Slavernijverleden
Sinds 2024 staat Astrid Elburg aan het hoofd van het Herdenkingscomité Slavernijverleden. Haar benoeming viel in een periode waarin Nederland zichtbaarder dan voorheen sprak over excuses, erkenning en de doorwerking van het koloniale verleden. Maar zichtbaarheid is nog geen rechtvaardigheid. Een herdenking kan ruimte openen, maar ook iets afsluiten voordat het werkelijk is besproken. Daar ligt de spanning.
Waarom dit comité ertoe doet
Het Herdenkingscomité Slavernijverleden is opgericht om de herdenking van het trans-Atlantisch slavernijverleden steviger, breder en blijvender te organiseren. Niet alleen in Amsterdam, maar ook in verbinding met Suriname, het Caribisch deel van het Koninkrijk en gemeenschappen in Europees Nederland.
Volgens de eigen omschrijving wil het comité herdenkingen tussen regio’s versterken en verbinden, met aandacht voor gelijkheid en intergenerationele dialoog. Dat klinkt bestuurlijk, maar de kern is menselijker: hoe geef je ruimte aan pijn die generaties heeft overleefd, zonder die pijn te gebruiken als decor voor officiële woorden?
Want herdenken is nooit neutraal. Wie bepaalt wat herdacht wordt, bepaalt ook welke stemmen gewicht krijgen. En wie buiten beeld blijft, betaalt opnieuw de prijs van stilte.
Astrid Elburg en de last van verbinding
Astrid Elburg brengt bestuurlijke ervaring mee, en een lange betrokkenheid bij inclusief leiderschap. Ze is geboren in Paramaribo, woont in Amsterdam en werkte als organisatieadviseur en docent, onder meer rond leiderschap, diversiteit en bestuur. Die achtergrond past bij een taak die niet alleen ceremonieel is.
Maar verbinding is geen zachte opdracht. Zeker niet wanneer het gaat over slavernij, kolonialisme en racisme. Verbinding zonder waarheid wordt al snel verzoening op kosten van de mensen die het meest geraakt zijn. De uitdaging voor Elburg en het comité is dus niet om iedereen gerust te stellen, maar om een vorm te vinden waarin ongemak mag blijven bestaan.
Nederland houdt van nette plechtigheden. Van kransen, toespraken en protocollen. Maar het slavernijverleden vraagt ook om andere vragen. Wie profiteerde van de handel in mensen? Welke steden, banken, kerken, families en instituties bouwden vermogen op uit koloniale uitbuiting? En waarom is de doorwerking daarvan nog altijd zichtbaar in bezit, onderwijs, gezondheid, arbeid, politieoptreden en politieke macht? Een herdenking die deze vragen ontwijkt, herdenkt te weinig.
De rol van NiNsee
NiNsee, het Nationaal Instituut Nederlands Slavernijverleden en Erfenis, heeft jarenlang een centrale rol gespeeld in de nationale herdenking op 1 juli. Sinds 2002 organiseert NiNsee de Nationale Herdenking Slavernijverleden in het Oosterpark, bij het Nationaal Slavernijmonument. Die ervaring is niet zomaar overdraagbaar. Ze is opgebouwd uit vertrouwen, netwerk, kennis en strijd.
Daarom blijft NiNsee ook in de overgangsfase van groot belang. In de Kamerbrief over de oprichting van het comité staat dat NiNsee in elk geval in 2025, 2026 en 2027 de nationale herdenking op 1 juli in het Oosterpark blijft organiseren of daarin een dragende rol houdt. De Rijksoverheid spreekt inmiddels over een organisatie door het Herdenkingscomité, in nauwe samenwerking met NiNsee.
Die formulering is veelzeggend. Er ontstaat een nieuwe bestuurlijke laag, maar de historische en maatschappelijke legitimiteit van NiNsee blijft belangrijk. Dat vraagt om zorgvuldigheid. Niet alleen in taakverdeling, maar ook in macht. Want wie krijgt geld? Wie krijgt zeggenschap? Wie mag spreken namens nazaten? En wie wordt pas geraadpleegd wanneer de grote lijnen al vaststaan?
Herdenken is geen eindpunt
Nederland heeft excuses aangeboden voor het slavernijverleden. Koning Willem-Alexander deed dat op 1 juli 2023 tijdens de Nationale Herdenking Slavernijverleden. Het Herdenkingsjaar werd op 1 juli 2024 afgesloten. Maar excuses zijn geen eindstreep. Ze zijn, als ze serieus zijn, een begin van verantwoordelijkheid.
Die verantwoordelijkheid gaat verder dan taal. Ze raakt aan onderwijs, archieven, musea, straatnamen, collecties, herstelbeleid en de vraag wie toegang heeft tot macht en middelen. Ze raakt ook aan de discussie over 1 juli als nationale vrije dag. Want zolang veel mensen vrij moeten vragen om de afschaffing van de slavernij te herdenken en te vieren, blijft erkenning ongelijk verdeeld.
De overheid wijst erop dat een officiële feestdag in Nederland niet automatisch een vrije dag betekent. Juridisch klopt dat. Maar politiek is het mager. Een land dat zijn koloniale verleden zegt te erkennen, moet ook de voorwaarden scheppen om samen te kunnen herdenken. Niet alleen voor wie toevallig een begripvolle werkgever heeft.
De bredere strijd om herinnering
De oprichting van het Herdenkingscomité past in een grotere beweging. Er komt een Nationaal Slavernijmuseum in Amsterdam, op de Kop van Java-eiland. De opening staat gepland voor 2030. Ook dat museum zal meer moeten zijn dan een gebouw. Het wordt een plek waar Nederland zichzelf tegenkomt: niet als onschuldig handelsland, maar als koloniale macht die rijkdom opbouwde via geweld, dwangarbeid en ontmenselijking.
Herdenken, musea, onderwijs en herstel horen bij elkaar. Los van elkaar kunnen ze gemakkelijk veilig worden gemaakt. Samen kunnen ze iets openbreken. Niet omdat geschiedenis alles verklaart, maar omdat je het heden niet eerlijk kunt begrijpen wanneer je de fundamenten ervan verzwijgt.
Daarom is de opdracht van het Herdenkingscomité groter dan het organiseren van een waardige ceremonie. De vraag is of het comité ruimte kan maken voor herdenken dat schuurt. Voor verhalen van nazaten. Voor regionale verschillen. Voor verzet, niet alleen slachtofferschap. Voor de waarheid dat tot slaaf gemaakten niet alleen geleden hebben, maar ook hebben gevochten, gezorgd, opgebouwd en doorgegeven.
Wat staat er nu op het spel?
Het risico is dat de herdenking wordt opgenomen in het ritme van de staat. Elk jaar dezelfde plechtigheid, dezelfde woorden, dezelfde gezichten vooraan. Dan wordt erkenning een ritueel zonder gevolgen. Een manier om te zeggen: we hebben geluisterd, en nu gaan we door.
Maar de kans is er ook. Juist omdat er nu een comité is, juist omdat NiNsee blijft meedragen, juist omdat de roep om 1 juli als vrije dag blijft klinken, kan de herdenking breder worden dan een jaarlijks moment. Ze kan uitgroeien tot een publieke oefening in verantwoordelijkheid.
Niet door iedereen hetzelfde verhaal op te leggen. Wel door eerlijk te erkennen dat dit verleden niet van één gemeenschap is, maar dat de last ervan ongelijk is verdeeld. Nazaten dragen herinnering in families, namen, lichamen en verhalen. De Nederlandse staat draagt verantwoordelijkheid. Instituties dragen archieven, bezit en macht. En de samenleving draagt de keuze om weg te kijken of mee te bewegen.
Astrid Elburg en het Herdenkingscomité kunnen het slavernijverleden niet repareren. Dat kan geen enkel comité. Maar ze kunnen wel helpen bepalen of Nederland blijft hangen in nette erkenning, of de stap zet naar een herdenking die ook iets durft te eisen: waarheid, ruimte, herstel en een toekomst waarin vrijheid niet alleen gevierd wordt, maar ook eerlijker wordt verdeeld.
Als dit stuk je iets waard is, maak het dan mee mogelijk.
vrheid.nl schrijft sinds 2000 onafhankelijk, links en zonder commerciële leash. Geen advertenties, geen algoritmische dwang, geen redactionele knieval.
Voor €5 per maand steun je dit werk en ontvang je nieuwe stukken direct in je mailbox.
