Handen wisselen CFA-frankbiljetten uit op een Afrikaanse markt, tussen groente, stoffen en marktkramen.
Op een drukke markt wisselen CFA-frankbiljetten van hand. Een alledaagse betaling laat zien hoe geld tegelijk gebruiksmiddel en machtsstructuur kan zijn.

Geld is nooit neutraal geweest

Sinds 2002 betalen we in Nederland met euro’s. De gulden verdween uit onze portemonnee, de toonbank kreeg andere cijfers, ouderen rekenden nog een tijd terug in hun hoofd. Voor de meeste mensen voelde het als gedoe, misschien als verlies, maar niet als overheersing. Geld bleef hier iets alledaags. Je pint bij de supermarkt. Je kijkt naar je huur. Je moppert op inflatie. Je hoort de Europese Centrale Bank iets zeggen over rente en denkt: daar gaan ze weer.

Maar geld is nooit alleen maar geld, en wie naar de koloniale geschiedenis kijkt, ziet iets anders. Geld is niet alleen een middel om brood, arbeid of olie te ruilen. Geld kan ook een hek zijn. Een systeem dat bepaalt wie moet werken, wie mag lenen, wie moet bezuinigen, wie zijn grondstoffen goedkoop verkoopt en wie aan het einde van de keten de winst boekt. De munt lijkt neutraal zolang je alleen naar de munt kijkt. Zodra je naar macht kijkt, verandert het beeld.

De CFA-frank laat dat scherp zien, omdat deze munt koloniale macht niet als herinnering toont, maar als werkend systeem.

Steun vrheid.nl op Substack

Een koloniale munt die bleef bestaan

De CFA-frank werd in 1945 door Frankrijk ingesteld en wordt nog altijd gebruikt in veertien Afrikaanse landen in West- en Centraal-Afrika. Er zijn twee varianten: de West-Afrikaanse CFA-frank en de Centraal-Afrikaanse CFA-frank. Beide zijn gekoppeld aan de euro met een vaste wisselkoers. Voorstanders noemen dat stabiliteit. En ja, stabiliteit is niet niets. Voor landen die te maken hebben met inflatie, kapitaalvlucht en schokken op de wereldmarkt kan een vaste munt rust geven.

Maar rust voor wie? Die vraag hangt boven het hele systeem, want de Senegalese econoom Ndongo Samba Sylla noemt de CFA-frank een koloniale erfenis: een munt die Frankrijk hielp om economische structuren, grondstoffenstromen en politieke verhoudingen in voormalige koloniën te blijven beïnvloeden, ook nadat de officiële koloniale vlaggen waren neergehaald. Volgens Sylla werd de CFA-frank op 26 december 1945 ingesteld en bleef hij landen binden aan een monetair systeem waarin echte economische soevereiniteit beperkt bleef.

Dat betekent niet dat Frankrijk vandaag simpelweg “alle reserves steelt”, zoals soms te grof wordt gezegd. De werkelijkheid is technischer, en juist daarom gevaarlijker. Het systeem draaide historisch om Franse garantie, vaste wisselkoersen, gemeenschappelijke centrale banken, beperkingen op eigen muntbeleid en lange tijd ook de verplichting om een deel van de buitenlandse reserves bij de Franse schatkist aan te houden. De West-Afrikaanse CFA-frank werd na hervormingen in 2019 deels aangepast, maar de eurokoppeling en Franse garantie bleven inzet van politiek debat.

Het IMF beschrijft de CFA-zone als een monetaire constructie met vaste wisselkoersen, gemeenschappelijke centrale banken en bijzondere institutionele afspraken. Zelfs in die droge beleidstaal klinkt door dat dit geen gewone muntunie is, maar een systeem waarin de wisselkoers de spil vormt van het economisch beleid.

Precies daar zit de politieke vraag: wie mag de waarde van geld bepalen?

Wie zijn munt niet kan sturen, mist een stuk democratie

Een land dat zijn munt niet vrij kan aanpassen, verliest ruimte. Niet op papier, maar in het echte leven. Als een munt te sterk is, worden exportproducten duurder en importproducten goedkoper. Dat klinkt technisch, maar het betekent dat lokale boeren, fabrieken en kleine producenten onder druk komen te staan, terwijl ingevoerde goederen relatief aantrekkelijk blijven. Het betekent dat landen grondstoffen blijven uitvoeren en eindproducten blijven invoeren. Het betekent dat de economie niet vanzelf wordt opgebouwd rond wat mensen nodig hebben, maar rond wat de wereldmarkt vraagt.

De belofte van een muntunie is vaak: meer handel, meer integratie, meer gezamenlijk gewicht. Maar in de CFA-zones bleef de regionale handel beperkt. Wegen, grenzen, bureaucratie, transportkosten en handelsbarrières wogen zwaarder dan de munt alleen. Een gemeenschappelijke munt maakt nog geen gezamenlijke economie, zeker niet wanneer de koloniale handelslijnen naar buiten sterker blijven dan de verbindingen tussen buurlanden.

Dat is geen Afrikaanse tekortkoming. Dat is het gevolg van een wereldorde die landen eeuwenlang heeft ingericht als leveranciers van arbeid, land, cacao, katoen, olie, uranium en goud. Niet als plaatsen waar mensen zelf bepalen wat welvaart betekent.

Geld als dwangmiddel

Koloniale machten gebruikten geld niet alleen om handel mogelijk te maken. Ze gebruikten geld om mensen de koloniale economie in te trekken.

Een van de hardste middelen was belasting. In veel koloniën moesten mensen belasting betalen in koloniale valuta. Wie die munt niet had, moest haar zien te krijgen. Dat betekende loonarbeid verrichten, exportgewassen verbouwen of op een andere manier meedraaien in de economie van de bezetter. Mensen gingen niet vanzelf de kapitalistische arbeidsmarkt op. Vaak werden ze geduwd. Soms met geweld. Soms via de belastingaanslag. Soms via landroof. Vaak via alles tegelijk.

Econoom Mathew Forstater beschreef hoe directe belasting in koloniale contexten mensen kon dwingen om loonarbeid te accepteren of cash crops te verbouwen, ook wanneer zij daarvoor in hun levensonderhoud konden voorzien via eigen landbouw, gemeenschappelijk landgebruik en lokale uitwisseling. Geld werd zo een breekijzer. Het trok mensen los uit bestaande vormen van bestaan en duwde hen richting plantage, mijn, spoorlijn of exportakker.

Daarom moeten we voorzichtig zijn met het simpele verhaal dat kapitalisme “ontwikkeling” bracht. Vaak bracht het eerst ontwrichting. Eerst werd bestaanszekerheid afgebroken. Daarna werd loonarbeid gepresenteerd als vooruitgang.

De wereldmarkt noemt het handel

De koloniale logica verdween niet met onafhankelijkheid. Ze veranderde van kleding. De gouverneur werd vervangen door de consultant. De dwangarbeid door de schuldenvoorwaarde. De plantage door de toeleveringsketen. De koloniale munt door een financiële architectuur die vriendelijk klinkt, maar hard uitpakt.

Vandaag loopt uitbuiting via handel, schulden, muntverhoudingen, investeringsverdragen, grondstoffencontracten en loonverschillen. De wereldmarkt noemt het handel. Maar vaak is het georganiseerde onderbetaling op planetaire schaal.

Onderzoek van Jason Hickel, Christian Dorninger, Hanspeter Wieland en Intan Suwandi naar ongelijke ruil liet zien hoe het mondiale Noorden arbeid, grondstoffen, land en energie uit het mondiale Zuiden toe-eigent via prijsverschillen in de wereldhandel. Niet door directe koloniale overheersing, maar door een systeem waarin sommige landen structureel goedkoop leveren en andere landen duur verkopen.

Een vervolgstudie in Nature Communications uit 2024 maakt dat nog scherper. Volgens de auteurs liggen lonen in het mondiale Zuiden 87 tot 95 procent lager dan lonen in het mondiale Noorden voor werk van vergelijkbare vaardigheid. Tegelijk leveren werknemers in het mondiale Zuiden ongeveer 90 procent van de arbeid die de wereldeconomie draaiende houdt, terwijl zij slechts 21 procent van het wereldinkomen ontvangen.

Dat is geen ongeluk en geen ruis in het systeem, maar een manier waarop het systeem blijft werken.

Haïti: vrijheid belast met schuld

Haïti laat zien hoe geld zelfs vrijheid kan straffen. Na de succesvolle opstand van tot slaaf gemaakten en de onafhankelijkheid werd Haïti in 1825 door Frankrijk gedwongen een enorme vergoeding te betalen aan voormalige Franse slavenhouders, onder dreiging van militair geweld. Alsof de bevrijden moesten betalen voor het verlies van de bezitters. Alsof vrijheid pas geldig werd wanneer zij werd afgekocht.

Die zogenoemde onafhankelijkheidsschuld werkte generaties lang door. Niet alleen door het geld dat rechtstreeks werd betaald, maar vooral door alles wat daardoor niet kon worden opgebouwd: scholen, wegen, zorg, landbouw, publieke instellingen. Geld werd hier niet gebruikt om vrijheid mogelijk te maken. Geld werd gebruikt om vrijheid alsnog te belasten.

Daar zit de kern: kolonialisme eindigt niet vanzelf wanneer het bestuur verandert. Soms blijft het zitten in schulden, contracten, rentepercentages, handelsroutes en munten. Niet zichtbaar als soldaat op straat, maar aanwezig in elke begroting.

Schulden als nieuw koloniaal hek

Vandaag zien we dezelfde logica in de schuldencrisis van het mondiale Zuiden. Landen die al eeuwen zijn leeggetrokken, moeten lenen tegen slechtere voorwaarden. Daarna moeten ze bezuinigen om schuldeisers gerust te stellen. Publieke voorzieningen worden afgebroken. Klimaatbeleid wordt uitgesteld. Gezondheidszorg en onderwijs worden sluitposten. Democratie wordt smaller, want de belangrijkste keuzes zijn al gemaakt voordat mensen naar de stembus gaan.

Debt Justice beschrijft hoe het internationale schuldensysteem neokoloniale machtsverhoudingen versterkt: landen worden gedwongen middelen vrij te maken voor schuldeisers, terwijl de ruimte voor publieke investeringen, klimaatbeleid en democratische besluitvorming kleiner wordt.

Oil Change International publiceerde in april 2026 een rapport over de fossiele schuldenval. Daarin wordt beschreven hoe hoge schuldenlasten landen in Afrika, Latijns-Amerika, het Caribisch gebied, het Midden-Oosten en delen van Azië dwingen om korte-termijninkomsten voorrang te geven boven lange-termijntransformatie. Fossiele winning blijft dan aantrekkelijk omdat die snel buitenlandse valuta kan opleveren, terwijl investeringen in hernieuwbare energie, zorg, onderwijs en klimaatweerbaarheid worden weggeduwd.

Volgens het rapport is dit geen tijdelijk liquiditeitsprobleem, maar een structurele crisis die wortelt in historische extractie, ongelijke financiële regels en asymmetrische macht. In 2024 bereikte de buitenlandse schuld van lage- en middeninkomenslanden volgens het rapport een niveau dat hun fiscale autonomie ernstig beperkt.

Ook hier is de vraag weer eenvoudig, en daarom zo lastig te ontwijken: wie mag beslissen waar een samenleving haar geld aan uitgeeft?

Aan ziekenhuizen of aan rente? Aan dijken, zonnepanelen en openbaar vervoer of aan oude schulden? Aan leraren of aan obligatiehouders? Aan voedselzekerheid of aan exportgewassen? Aan mensen of aan markten?

Ook Nederland staat niet buiten dit verhaal

Nederland kijkt graag naar kolonialisme alsof het een afgesloten hoofdstuk is. Een pijnlijk hoofdstuk misschien, maar toch: voorbij. Dat is comfortabel. Dan hoeven we alleen te herdenken, niet te herverdelen. Dan kunnen we spijt betuigen zonder macht af te staan.

Maar Nederland zit midden in de structuren waar dit verhaal over gaat. Nederlandse banken, pensioenfondsen, handelsbedrijven, energiebedrijven, belastingconstructies en havens zijn verbonden met mondiale ketens van extractie. Amsterdam is niet alleen een stad van grachten en gevels. Het is ook een knooppunt van kapitaal, data, handel en bezit. Veel van wat hier goedkoop, vanzelfsprekend of veilig lijkt, is elders duur betaald.

Dat betekent niet dat gewone mensen hier de vijand zijn. De huurder in Nieuw-West die zijn energierekening niet kan betalen, profiteert niet bewust van een wereldsysteem dat arbeiders in Bangladesh, mijnwerkers in Congo of boeren in Senegal uitperst. Maar het betekent wel dat onze politieke verantwoordelijkheid verder loopt dan de landsgrens. Wie bestaanszekerheid hier serieus neemt, moet ook de structuren zien die bestaanszekerheid elders onmogelijk maken.

Want het is dezelfde wereldmarkt die zegt dat zorg te duur is, lonen laag moeten blijven, grondstoffen goedkoop moeten zijn, schulden heilig zijn en aandeelhouders gerustgesteld moeten worden. Hier knijpt zij de publieke sector af. Daar dwingt zij landen tot export, bezuiniging en afhankelijkheid. De schaal verschilt. De logica rijmt.

Monetaire vrijheid is politieke vrijheid

De CFA-frank is geen detail uit de monetaire geschiedenis. Hij is een venster. Door dat venster zien we dat geld niet neutraal is wanneer de macht ongelijk verdeeld is. We zien dat onafhankelijkheid beperkt blijft wanneer landen geen controle hebben over muntbeleid, schuld, rente, handel en investeringen. We zien dat kolonialisme niet alleen in standbeelden woont, maar ook in wisselkoersen.

Wie de waarde van geld bepaalt, bepaalt mede wat arbeid waard is, wat grond waard is, wat toekomst waard is, wie mag wachten, wie moet leveren, wie mag investeren en wie moet betalen.

Daarom is de strijd om geld geen zaak voor technocraten alleen. Het is een democratische strijd. Een antikoloniale strijd. Een sociale strijd. Niet omdat elke munt automatisch bevrijdend wordt zodra zij nationaal is, en niet omdat monetaire soevereiniteit alle problemen oplost. Macht kan ook binnenlands onderdrukken. Elites kunnen ook met een eigen munt hun bevolking uitknijpen. Maar zonder ruimte om zelf te beslissen over geld, schuld en investering wordt democratie een kamer waarvan iemand anders de sleutel bewaart.

De ketting is dunner geworden, technischer, netter verpakt en minder zichtbaar dan vroeger, maar hij ligt er nog.

En dus begint vrijheid niet alleen bij een vlag, een volkslied of een zetel in de Verenigde Naties. Vrijheid begint ook bij de vraag wie de begroting schrijft, wie de munt stuurt, wie de rente int, wie de grondstoffen koopt en wie de prijs bepaalt. Zolang die vragen buiten beeld blijven, blijft kolonialisme terugkomen als boekhouding.

Kolonialisme keert dan niet terug met laarzen op de kade, maar met spreadsheets, verdragen en schuldbrieven, en juist daarom moeten we leren kijken naar geld zoals het werkt: niet als neutraal ruilmiddel, maar als infrastructuur van macht.

Als dit stuk je iets waard is, maak het dan mee mogelijk.

vrheid.nl schrijft sinds 2000 onafhankelijk, links en zonder commerciële leash. Geen advertenties, geen algoritmische dwang, geen redactionele knieval.

Voor €5 per maand steun je dit werk en ontvang je nieuwe stukken direct in je mailbox.

Steun deze dwarse plek

Aanbevolen voor jou