Close-up van een man in pak in een straat in Boedapest, met winkels, voorbijgangers en stedelijke bebouwing op de achtergrond.
Hongarije werd onder Orbán een voorbeeld voor autoritair rechts. Nu groeit de vraag of dat tijdperk zijn grens heeft bereikt.

Komt er in Hongarije een einde aan het tijdperk-Orbán?

Vanaf het uitzicht over de Donau, met het parlementsgebouw, de Kettingbrug en de Burchtheuvel in één oogopslag, lijkt Boedapest nog altijd het decor waarin Viktor Orbán zich graag als staatsman laat vereeuwigen. Maar achter dat decor schuift iets.

Voor het eerst in jaren is het niet ondenkbaar dat Fidesz op 12 april 2026 verliest. Uitdager Péter Magyar en zijn Tisza-partij staan er goed voor, en zelfs in kringen rond Orbán wordt voorzichtig gesproken over zijn nalatenschap.

Dat alleen al is veelzeggend. Orbán heeft Hongarije in zestien jaar omgevormd tot een model voor de illiberale rechterzijde: media in handen van bevriende zakenlieden, een rechterlijke macht vol loyalisten, staatsgeld voor propaganda, en een politieke cultuur waarin permanente angst de plaats heeft ingenomen van democratisch conflict. Wat door bewonderaars als daadkracht wordt verkocht, is in werkelijkheid een systeem dat ongelijkheid, vijanddenken en gehoorzaamheid organiseert.

Steun vrheid.nl op Substack

Waarom Orbán zo geliefd is op radicaal-rechts

Boedapest werd de voorbije jaren een politiek laboratorium voor radicaal-rechtse en rechts-conservatieve krachten uit Europa en de Verenigde Staten. Rond instituten als het Danube Institute, ideologisch nauw verbonden met de regering, ontstond een netwerk van denktanks, conferenties en propagandaplatforms dat de illiberale contrarevolutie levend houdt. Geert Wilders dook er op, net als Eva Vlaardingerbroek, die waarschuwde voor vermeende “genocide” op witte Europeanen. Donald Trump en Benjamin Netanyahu stuurden videoboodschappen in.

De fascinatie is begrijpelijk, al is dat geen geruststellende constatering. Orbán deed waar veel conservatieve Amerikanen van dromen: hij bouwde grenshekken, demoniseerde George Soros, voerde campagne tegen “gender-ideologie”, zette Brussel neer als vijand en presenteerde elke vorm van kritiek als aanval op de natie. Hongarije werd zo frontstaat in de internationale cultuuroorlog tegen migratie, feminisme, lhbtiq+-rechten, islam en “woke”.

Maar Orbáns aantrekkingskracht op buitenlands rechts bleef niet steken bij bewondering of ideologische herkenning. Rond Boedapest werd met Hongaars publiek geld ook een grensoverschrijdend netwerk opgebouwd van denktanks, fellows, conferenties en mediarelaties waarin Britse en Amerikaanse conservatieven een zichtbare rol spelen. Instellingen als het Danube Institute en Mathias Corvinus Collegium fungeerden daarbij niet alleen als etalage van illiberaal denken, maar ook als patronagenetwerk: opiniemakers, sprekers en bondgenoten kregen er podia, toegang en in sommige gevallen financiering om Orbáns verhaal verder te dragen in het buitenland. Dat maakt zijn project groter dan een nationaal autoritair experiment. Hongarije werd ook een exportmachine voor radicaal-rechtse invloed. Voor een deel van de Amerikaanse rechterflank is dat aantrekkelijk omdat Orbán laat zien hoe je tegenmacht afbreekt zonder de buitenkant van verkiezingsdemocratie helemaal op te geven.

Maar juist daar zit het morele failliet van zijn project. Orbáns denken rust op een harde tweedeling tussen wie wel en niet tot het “echte volk” behoort. Hij heeft telkens een vijand nodig: migranten, critici, ngo’s, Oekraïne, Brussel. Niet omdat die vijanden werkelijk zo almachtig zijn, maar omdat zijn macht zonder permanente dreiging niet kan functioneren.

Hoe Fidesz angst organiseert

Ook in deze campagne werkt Fidesz volgens hetzelfde patroon. In Boedapest hangen affiches waarop Péter Magyar als marionet van Ursula von der Leyen en Volodymyr Zelensky wordt neergezet. Er zijn overal posters van Zelensky met de slogan dat hij niet de laatste lach mag krijgen. Die campagne is deels met overheidsgeld betaald, via de bekende “nationale consultaties”: suggestieve vragenlijsten waarmee de regering doet alsof zij het volk raadpleegt, terwijl zij in feite propaganda bedrijft.

Het doel is helder: de Hongaren wijsmaken dat het land door Brussel en Kyiv een oorlog in wordt getrokken, en dat Orbán als enige veiligheid kan bieden. Tijdens door Fidesz georganiseerde vredesmarsen wordt dat verhaal openlijk verteld. Orbán laat van het plein voor het parlement verkondigen: “We moeten kiezen wie de regering hier vormt: ik of Zelensky.” Demonstranten nemen het narratief over: Brussel zou Hongaarse jongens naar het front willen sturen, buitenlandse machten zouden het land manipuleren, interne verraders zouden daaraan meewerken.

Dat is geen incident maar methode. De boodschap luidt steeds: er is gevaar, dus er is een sterke leider nodig. Alleen begint die logica te slijten. Want als die leider zo sterk is, waarom is er dan altijd crisis?

Wat mensen intussen gewoon zien

Propaganda kan veel toedekken, maar niet alles. In de analoge wereld is Fidesz nog steeds oppermachtig: publieke omroep, commerciële zenders, radio en grote delen van de pers dansen al jaren naar Orbáns pijpen. In de digitale sfeer groeit echter de invloed van onafhankelijke platforms als PartizánDirekt36 en VSquare. Hun documentaires en onthullingen over corruptie, Russische invloed en de rijkdom van Orbáns omgeving bereiken miljoenen kijkers.

Die onthullingen landen in een samenleving waar de werkelijkheid steeds moeilijker te maskeren valt. Het zorgstelsel piept en kraakt, met lange wachttijden, personeelstekorten, gebrekkige apparatuur en ziekenhuizen die in de volksmond “ziekenhuizen des doods” heten. Het onderwijs verarmt: lerarentekorten, verouderde methodes, gymleraren die wiskunde geven. Buiten de glanzende snelwegen rond Boedapest liggen gaten in de weg, treinen zijn traag en onbetrouwbaar, en de publieke sector is uitgewoond.

Daar komt de economie bij. De groei stagneerde, de prijzen stegen, en in de eerste maanden van 2026 was het budget voor het eerste halfjaar al grotendeels op, mede door verkiezingscadeaus zoals een extra maand pensioen voor ouderen, een belangrijke groep in Orbáns electoraat.

Orbáns machtsmodel dreef bovendien jarenlang niet alleen op angst en cliëntelisme, maar ook op Europees geld. Terwijl hij de rechtsstaat uitholde, vloeiden miljarden uit Brussel naar Hongarije, geld waarmee wegen, spoorlijnen en publieke projecten werden betaald, maar waarvan ook een deel in de netwerken rond Fidesz belandde. Juist daar kwam de klap toen de Europese Unie vanwege de afbraak van de rechtsstaat grote sommen bevroor. Dat maakte zichtbaar hoe afhankelijk Orbáns systeem was van een orde die hij politiek voortdurend aanviel. Voor Péter Magyar is dat nu een krachtig campagnethema: onder ander bewind, zo belooft hij, kan het vastgezette EU-geld weer richting Hongarije komen. Hongarije bungelt op veel EU-ranglijsten onderaan. Mensen zien dat. Ze zien ook de steeds openlijkere corruptie.

Niets symboliseerde dat scherper dan Hatvanpuszta, het landgoed van Orbáns vader, dat in de media al snel “mini-Versailles” of “Puszta-Versailles” werd genoemd. Orbán noemde het een boerderij. Voor veel Hongaren werd het de zichtbare samenvatting van een systeem waarin familie en vrienden via aanbestedingen en Europees geld schatrijk worden. De onafhankelijke anti-corruptieparlementariër Ákos Hadházy organiseerde zelfs “safari’s” naar dit soort plekken, zodat corruptie letterlijk zichtbaar werd.

Waarom Orbán nu wankelt

Dat Orbán kwetsbaar is, heeft niet één oorzaak: slijtage van de macht, economisch ongenoegen, zichtbare corruptie en het gevoel dat zijn propaganda steeds absurder wordt. Maar er was ook een concrete politieke breuk: de affaire rond het presidentieel pardon.

Die draaide om een veroordeeld adjunct-schoolhoofd dat betrokken was bij het onder druk zetten van een leerling in een zaak van seksueel misbruik. Hij kreeg in 2023 gratie van president Katalin Novák, medeondertekend door justitieminister Judit Varga. Toen dat begin 2024 naar buiten kwam via Direkt36, ontstond grote woede. Novák en Varga traden af. Kort daarna trad Péter Magyar, Varga’s ex-man, naar voren met beschuldigingen richting Fidesz-topfiguren die zich volgens hem achter vrouwen zouden verschuilen. Voor een partij die zich voortdurend beroept op christelijke familiewaarden was dit politiek verwoestend.

De zaak raakte Orbán ook al was niet aangetoond dat hij er direct bij betrokken was, juist omdat hij het hele systeem zo rond zichzelf had gebouwd dat elke misstand uiteindelijk op hem afstraalt. Op dat moment werd ook zichtbaar hoezeer zijn eenmansbewind hem van de werkelijkheid had afgesneden.

Wie Péter Magyar is en waarom hij aanslaat

Magyar komt zelf uit het Fidesz-milieu. Hij werkte in Brussel als diplomaat en leidde een studentenleenbank. Zonder breuk was hij waarschijnlijk geëindigd als bestuurder in een staatsbedrijf. Juist daarom is zijn opkomst dubbelzinnig. Hij is geen uitgesproken progressief alternatief en zeker geen linkse bevrijder: hij zwijgt grotendeels over lhbtiq+-rechten, neemt een harde lijn op migratie en wordt door sommigen een “mini-Orbán” genoemd.

Toch heeft hij iets gedaan waar de rest van de oppositie niet in slaagde: hij heeft Orbáns aura van onaantastbaarheid doorbroken. Met zijn pro-Europese, conservatief-liberale profiel spreekt hij zowel teleurgestelde oppositiekiezers als voormalige Fidesz-stemmers aan. De Tisza-eilanden, lokale burgerclubs met veel autonomie, vormen daarbij een slimme organisatievorm. Ze flyeren, werven vrijwilligers en doen wat progressieve en liberale partijen lang nalieten: naar de provincie gaan, luisteren en contact maken met gewone mensen.

Magyar trekt van dorp naar dorp en spreekt juist in plekken waar Fidesz de banen verdeelt, subsidies beheert en aanbestedingen controleert. Daar belooft hij geen abstracte vernieuwing, maar concrete dingen: wegen repareren, buslijnen herstellen, geld voor de publieke sector vrijmaken, EU-subsidies terughalen, de corruptie aanpakken. Veel mensen ervaren hem daardoor als iemand die weer over het echte leven praat. Volgens waarnemers is hij bovendien gegroeid: minder verbeten, gedisciplineerder, en lastig te raken voor de spindoctors van Fidesz. Hij spreekt in gewone taal en belichaamt voor veel kiezers iets wat lang afwezig was: lef. Zijn opkomst werkt aanstekelijk omdat hij in dorpen en stadjes zichtbaar maakt dat openlijke oppositie weer denkbaar is.

Het echte gevecht begint pas na de stembus

Toch is er alle reden om voorzichtig te blijven. Waarnemers als Kim Lane Scheppele, een Amerikaanse rechtsgeleerde en kenner van autoritaire staatsombouw in Hongarije, wijzen erop dat Fidesz, net als eerder, gebruik kan maken van een heel arsenaal aan volkomen legale maar diep antidemocratische trucs: kiesdistrictmanipulatie, busvervoer van kiezers naar spannende districten, afhankelijkheidsrelaties in arme gemeenten, beïnvloeding en intimidatie, vooral in landelijke gebieden en onder kwetsbare groepen zoals Roma.

Zelfs als Magyar wint, is Orbán niet meteen verdwenen. Sleutelfuncties in de ambtenarij, de rechterlijke macht en staatsbedrijven worden bezet door loyalisten. Het systeem is zo ingericht dat een nieuwe regering direct in een web van blokkades terechtkomt. In die zin is haar waarschuwing hard maar realistisch: het begint eigenlijk pas na de verkiezingen.

Dat maakt de inzet van deze verkiezing niet kleiner, maar groter. Een nederlaag van Orbán zou niet betekenen dat Hongarije ineens genezen is. Wel zou ze aantonen dat zelfs in een uitgeholde democratie propaganda grenzen kent en dat ook een autoritair systeem uiteindelijk botst op de werkelijkheid van lage lonen, slechte zorg, slecht onderwijs en zichtbare zelfverrijking.

Waarom dit verder reikt dan Hongarije

De mogelijke val van Orbán is niet alleen van belang voor Hongarije. Ze zou ook een klap zijn voor het internationale reactionaire netwerk dat hem jarenlang als voorbeeld opvoerde. Voor conservatieve Amerikanen was Hongarije het bewijs dat je een land ideologisch kunt herinrichten met behulp van staatsmacht, grenspolitiek, cultuuroorlog en media-aansturing. Als Orbán nu verliest, wordt dat “model” minder glanzend. Dan blijkt Hongarije geen blauwdruk voor de toekomst, maar een waarschuwing.

En misschien is dat de kern. Orbán verkocht zijn regime als bescherming van volk, beschaving en natie. In werkelijkheid leverde hij een uitgeholde democratie af, een verrijkte hofhouding en een land waarin veel mensen zich afvragen waarom alles onzekerder werd onder een leider die juist veiligheid beloofde.

Of 12 april werkelijk het begin van zijn einde wordt, moet nog blijken. Maar dat die vraag nu hardop gesteld wordt, is al historisch. Het laat zien dat zelfs een systeem dat jarenlang onaantastbaar leek, kan gaan schuiven zodra de werkelijkheid niet langer in het propagandaverhaal past.

Als dit stuk je iets waard is, maak het dan mee mogelijk.

vrheid.nl schrijft sinds 2000 onafhankelijk, links en zonder commerciële leash. Geen advertenties, geen algoritmische dwang, geen redactionele knieval.

Voor €5 per maand steun je dit werk en ontvang je nieuwe stukken direct in je mailbox.

Steun deze dwarse plek

Aanbevolen voor jou