Er staat iemand bij de tramhalte met een kind aan de hand, een tas over de schouder en de telefoon tegen het oor. Het kind trekt aan de jas, de telefoon blijft gaan, de tram komt eraan. Nog even snel dit regelen. Nog even door. Nog even volhouden. Je ziet het overal, in Amsterdam, Rotterdam, Almere, Heerlen. Mensen die niet lui zijn, niet verwend, niet zwak, maar moe. Gewoon moe van een samenleving die steeds harder roept dat alles je eigen keuze is, terwijl steeds minder echt te kiezen valt.
Marjolein Moorman, jarenlang wethouder in Amsterdam en nu Kamerlid voor GroenLinks-PvdA, noemde Nederland in haar Spiekmanlezing een ren-je-rot samenleving. Ze spreekt niet als buitenstaander die eens rustig naar het land kijkt, maar als politicus die in de stad heeft gezien hoe kansenongelijkheid doorwerkt in schoolklassen, gezinnen, buurten en levenslopen. Juist daarom doet haar diagnose ertoe. Zij zet geen modieus stresswoord in de etalage, maar wijst naar iets groters: een samenleving die mensen eerst overvraagt en daarna vraagt waarom ze omvallen.
Dat is raak. Want het probleem is niet alleen dat mensen druk zijn. Drukte hoort soms bij het leven. Het probleem is dat drukte een bestuursmodel is geworden. We hebben een land gebouwd waarin wonen, zorgen, leren, herstellen en rondkomen steeds meer inspanning vragen, terwijl de zekerheid onder mensen juist is weggeslagen.
Wie vandaag een huis zoekt, moet concurreren. Wie kinderopvang nodig heeft, moet rekenen. Wie ziek wordt, moet bewijzen. Wie een kind heeft dat vastloopt, moet wachten. Wie in de zorg of het onderwijs werkt, moet met te weinig mensen te veel doen. En ondertussen klinkt steeds dezelfde boodschap: red jezelf, werk harder, plan beter, blijf positief.
Dat klinkt vriendelijker dan dwang, maar het werkt vaak precies zo.
Van hardwerkend Nederland naar uitgeput Nederland
Vooral neoliberale partijen als de VVD en radicaal-rechts rond Geert Wilders praten graag over de hardwerkende Nederlander. Op het eerste gehoor lijkt dat een compliment. Eindelijk erkenning voor mensen die vroeg opstaan, laat thuiskomen en de rekeningen betalen. Maar in die taal zit ook een harde grens verstopt. Wie telt mee? De ouder die onbetaald zorgt? De leraar die na schooltijd nog rapporten schrijft? De schoonmaker met twee banen? De zieke werknemer die bang is om uit te vallen? De bijstandsgerechtigde die mantelzorg verleent? De jongere die geen woning kan vinden en ondertussen hoort dat succes een keuze is?
De term hardwerkende Nederlander doet alsof waardigheid verdiend moet worden door permanente productiviteit. Bij de VVD past dat in een neoliberaal verhaal waarin de markt beloont en de overheid vooral niet te veel in de weg moet staan. Bij Wilders krijgt dezelfde term een nationalistische rand: de zogenaamd gewone Nederlander tegenover iedereen die als profiteur, indringer of last wordt neergezet. In beide gevallen verdwijnt de collectieve vraag uit beeld. Alsof je pas recht hebt op rust, zorg en bestaanszekerheid wanneer je eerst hebt bewezen dat je nuttig genoeg bent. Dat is geen sociaal contract. Dat is een keuring.
Moormans voorstel om niet de hardwerkende, maar de samenwerkende Nederlander centraal te zetten, is daarom belangrijk. Het schuift het beeld op. Weg van de eenzame prestatie. Terug naar het eenvoudige inzicht dat niemand alleen leeft. We worden grootgebracht, verzorgd, onderwezen, opgevangen, vervoerd, genezen en begraven door anderen. De samenleving bestaat niet uit losse ondernemers van het eigen bestaan. Zij bestaat uit afhankelijkheid, en dat is geen zwakte. Dat is precies wat ons menselijk maakt.
Collectieve problemen worden persoonlijke opdrachten
De stress-samenleving werkt zo geniepig omdat zij grote politieke keuzes vertaalt naar kleine persoonlijke tekortkomingen.
Is wonen onbetaalbaar? Dan had je eerder moeten kopen, meer moeten sparen, slimmer moeten zoeken. Is kinderopvang duur? Dan moet je je uren anders verdelen. Is je werk te zwaar? Dan moet je grenzen stellen. Loopt je kind vast? Dan moet je sneller hulp organiseren. Ben je overspannen? Dan moet je ademen, wandelen, coachen, plannen, optimaliseren.
Natuurlijk kunnen ademhaling, therapie en goede begeleiding mensen helpen. Niemand hoeft neer te kijken op wie steun zoekt. Maar het wordt pervers wanneer een samenleving eerst mensen uitput en daarna een markt bouwt rond hun herstel. Dan wordt de coach de pleister op een wond die politiek wordt opengereten.
Burn-outs, wachtlijsten, jeugdzorgcrises en personeelstekorten zijn geen losse incidenten. Ze horen bij een systeem dat mensen voortdurend overvraagt en publieke voorzieningen behandelt alsof ze bedrijven zijn. Scholen moeten presteren. Zorginstellingen moeten produceren. Gemeenten moeten aanbesteden. Werknemers moeten flexibel zijn. Ouders moeten beschikbaar blijven. Kinderen moeten meetbaar vooruit.
Alles moet bewegen, maar niemand mag vallen.
Wie profiteert ervan dat wij zo moe zijn?
Hier moet de analyse scherper worden dan alleen de constatering dat het te druk is. Want de ren-je-rot samenleving is niet zomaar ontstaan. Zij is gemaakt. Door beleid. Door marktwerking. Door flexibilisering. Door belastingpolitiek. Door de verkoop van publieke grond, sociale huur en collectieve zekerheid. Door het idee dat de markt slimmer zou zorgen dan de samenleving zelf.
Die keuzes passen in een bredere geschiedenis van neoliberalisme in Nederland: een politiek project waarin publieke voorzieningen steeds vaker als markten werden ingericht, burgers als individuele risico’s werden behandeld en bestaanszekerheid afhankelijk werd gemaakt van prestatie, bezit en koopkracht.
En waar iets gemaakt is, zijn er ook mensen en instituties die ervan profiteren.
Vastgoedbezitters profiteren van woningnood. Platformbedrijven profiteren van onzekere arbeid. Commerciële zorgaanbieders profiteren van wachtlijsten en versnippering. Verzekeraars, consultants en adviesbureaus verdienen aan systemen die gewone mensen vooral als dossier zien. Werkgevers profiteren van werknemers die uit angst voor inkomensverlies blijven doorgaan. En de coachingsindustrie groeit in de ruimte die ontstaat wanneer publieke zorg, goed werk en bestaanszekerheid tekortschieten.
Dat betekent niet dat iedere verhuurder, manager of coach de vijand is. Zo simpel is het niet, en zo simpel moeten we het ook niet maken. Maar structuren hebben richting. Geld stroomt ergens heen. Risico wordt ergens neergelegd. Rust wordt voor sommigen gekocht met de onrust van anderen.
De vraag is dus niet alleen waarom zoveel mensen moe zijn. De vraag is ook: wie heeft belang bij onze vermoeidheid? Wie wint er wanneer wij geen tijd meer hebben om ons te organiseren, om voor elkaar te zorgen, om na te denken, om nee te zeggen?
Uitputting is vruchtbare grond voor autoritair rechts
Een samenleving die mensen voortdurend laat rennen, maakt hen niet vanzelf solidair. Uitputting kan mensen zacht maken, maar ook bitter. Als je te lang moet vechten om een woning, zorg, inkomen of erkenning, groeit de verleiding om iemand naast je als bedreiging te zien.
Daar leeft autoritair rechts van. Niet van echte oplossingen, maar van verschuiving. De woede over woningnood wordt gericht op migranten. De woede over zorgtekorten op mensen die hulp nodig hebben. De woede over onzeker werk op vluchtelingen, ambtenaren of bijstandsgerechtigden. De machtigen verdwijnen uit beeld, de kwetsbaren komen in het vizier.
Dat is geen ongeluk. Het is een oude truc. Verdeel mensen die eigenlijk dezelfde belangen delen, en laat ze vechten om kruimels terwijl boven hen de tafel wordt afgeruimd.
Daarom is Moormans waarschuwing voor antidemocratisch gedachtegoed terecht. Democratie vraagt tijd, vertrouwen en een minimum aan rust. Mensen moeten kunnen vergaderen, lezen, zorgen, twijfelen, spreken, zich verenigen. Wie alleen nog bezig is met overleven, heeft minder ruimte om burger te zijn. Dan verschraalt de democratie niet alleen in Den Haag, maar ook aan de keukentafel.
Een ontspannen samenleving vraagt strijd
Een ontspannen samenleving klinkt bijna zacht. Alsof het gaat om zachtere kleuren, minder prikkels, een betere balans. Maar echte ontspanning is politiek hard. Zij vraagt herverdeling. Zij vraagt macht terughalen uit markten die te veel over ons leven zijn gaan beslissen. Zij vraagt publieke voorzieningen die niet steeds hoeven te bewijzen dat ze goedkoper kunnen, maar mogen doen waarvoor ze bestaan.
Dat betekent: bouwen voor bewoners, niet voor rendement. Kinderopvang als publieke voorziening, niet als financiële puzzel voor ouders. Onderwijs dat kinderen niet voortdurend rangschikt, maar ze ruimte geeft om te groeien. Zorg die begint bij nabijheid, niet bij formulieren. Werk met zekerheid, zeggenschap en genoeg loon om van te leven. Een sociaal vangnet dat mensen overeind helpt zonder hen eerst te vernederen.
Het betekent ook dat we zorg weer serieus nemen als arbeid. Niet alleen de betaalde zorg in ziekenhuizen, verpleeghuizen en thuiszorg, maar ook de dagelijkse zorg die meestal onzichtbaar blijft. De boterhammen, de gesprekken, de afspraken, de medicijnen, de was, de troost, de nachten wakker. Een samenleving die zorg wegzet als privézaak, schuift de rekening vaak door naar vrouwen, naar mensen met lage inkomens, naar gezinnen die al op hun tandvlees lopen.
Samenwerking is dus geen gezellig woord. Het is een breuk met een politiek die ons heeft geleerd onszelf als kleine concurrenten te zien.
Niet harder lopen, maar samen stoppen
De vraag is niet of mensen harder kunnen werken. Dat doen ze allang. De vraag is waarom zoveel mensen moeten blijven rennen voor dingen die vanzelfsprekend zouden moeten zijn: een dak, zorg, onderwijs, tijd, veiligheid, waardigheid.
Misschien begint verandering precies daar. Bij het weigeren van de leugen dat falen altijd persoonlijk is. Bij het herkennen van vermoeidheid als signaal, niet als schande. Bij het opnieuw opeisen van woorden die te lang zijn uitgehold: vrijheid, zekerheid, gemeenschap, democratie.
Vrijheid is niet dat je in je eentje mag kiezen tussen te dure opties. Vrijheid is dat je niet voortdurend bang hoeft te zijn dat één tegenslag je leven onderuit haalt. Zekerheid is geen betutteling. Zij is de bodem waarop mensen kunnen ademen, liefhebben, leren, werken en zich verzetten.
De ren-je-rot samenleving houdt ons in beweging, maar niet vooruit. Vooruitgang begint wanneer we elkaar niet langer zien als concurrenten in dezelfde wachtrij, maar als bondgenoten tegenover een systeem dat ons te lang heeft laten betalen met onze tijd, onze gezondheid en onze hoop.
We hoeven niet allemaal tegelijk stil te staan. Maar we moeten wel leren waarheen we samen kunnen lopen, en wanneer we samen moeten zeggen: tot hier.
Als dit stuk je iets waard is, maak het dan mee mogelijk.
vrheid.nl schrijft sinds 2000 onafhankelijk, links en zonder commerciële leash. Geen advertenties, geen algoritmische dwang, geen redactionele knieval.
Voor €5 per maand steun je dit werk en ontvang je nieuwe stukken direct in je mailbox.
