Hand met roze bloemen voor de Saint-Amé-kerk in Liévin, waar de mijnwerkersramp van 1974 wordt herdacht.
Bloemen bij de Saint-Amé-kerk in Liévin, waar de ramp van 1974 nog altijd doorwerkt in de herinnering aan arbeid, verlies en vakbondsstrijd.

De bloemen mogen blijven

Bij de Saint-Amé-kerk in Liévin staat de tijd nog altijd in de wond van de stad. Op 27 december 1974, vroeg in de ochtend, scheurde een mijngasexplosie door de gangen diep onder de grond. Tweeënveertig mijnwerkers kwamen om. Vaders, zonen, mannen die waren afgedaald omdat er brood op tafel moest komen. Honderdveertig kinderen werden in één ochtend weeskinderen. De ramp liet weduwen achter, gezinnen die ineens zonder stem aan tafel zaten.

Wie daar een krans legt, legt die niet bij een ongeluk. Wie daar een naam voorleest, leest niet alleen het verleden hardop. De ramp van Liévin was geen noodlot zonder daders. Onderzoeken wezen op gebrekkige ventilatie, slecht onderhoud en ontoereikende middelen om mijngas op te sporen. In 1981 bevestigde de rechtbank dat de dood van de mijnwerkers te maken had met nalatigheid van de directie. Dat maakt zo’n herdenking politiek. Niet partijpolitiek in de goedkope zin, maar politiek omdat werk, veiligheid, winst en verantwoordelijkheid nooit neutraal zijn.

En precies daar grijpt het Rassemblement National nu in.

Steun vrheid.nl op Substack

Dany Paiva, de nieuwe RN-burgemeester van Liévin, heeft de traditionele 1 mei-ceremonie met de vakbonden op het stadhuis geschrapt. Het eerbetoon aan de mijnwerkers blijft volgens hem bestaan, maar kleiner, stiller, beheerster. De vakbonden verliezen de plek die zij jarenlang hadden. Geen ontvangst meer waar zij hun kijk konden geven op het mijnverleden en op de sociale toestand van vandaag. Paiva verwijt hun “propaganda”. Volgens Franse berichtgeving blijft de hulde aan de mijnwerkers bestaan, maar verdwijnt de publieke ruimte waarin de georganiseerde arbeid spreekt.

Dat is geen administratieve wijziging. Dat is een machtsgreep over het geheugen. Het RN heeft geen probleem met arbeiders als zij in steen gebeiteld staan. Het probleem begint zodra arbeiders zich organiseren. Dode mijnwerkers mogen worden herdacht, zolang levende vakbonden zwijgen. De bloemen mogen blijven, de stemmen moeten weg.

Daar zit de kern. Niet in de krans, maar in wie erbij mag spreken. Niet in de plechtigheid, maar in de betekenis ervan. Niet alleen in Liévin, maar in 1 mei zelf.

Geen ongeluk zonder daders

Liévin is geen willekeurig stadje op de Franse kaart. Het ligt in het oude mijnbekken van Pas-de-Calais, een streek waar lichamen letterlijk zijn opgebruikt om energie, industrie en winst mogelijk te maken. De mijn was werk, ja. Maar ook gevaar. Discipline. Longen vol stof. Families leefden op het ritme van ploegen, sirenes en rampen die altijd konden gebeuren en soms ook gebeurden.

Daarom is de aanwezigheid van vakbonden bij zo’n herdenking geen folklore. Zij staan daar niet omdat zij per se een microfoon willen. Zij staan daar omdat zonder georganiseerde arbeidersmacht dit soort rampen te vaak wordt teruggebracht tot tragiek zonder verantwoordelijkheid. Tot “het harde leven van toen”. Tot erfgoed. Tot een foto in sepia.

Maar de mijnwerkers van Liévin stierven niet in sepia. Zij stierven in een arbeidsregime waarin veiligheid afhankelijk was van keuzes boven hen. Van directies, middelen, toezicht, onderhoud. Van de vraag hoeveel een mensenleven waard was wanneer productie door moest gaan.

Daarom horen vakbonden daar. Zij verbinden de doden met de levenden. Zij herinneren eraan dat elke gewonnen veiligheidsregel, elke vergoeding, elke beperking van arbeidstijd en elke erkenning van beroepsziekte niet cadeau kwam van bovenaf. Er is voor gevochten. Soms met stakingen. Soms met processen. Soms met jarenlange koppigheid van mensen die geen deftige woorden hadden, maar wel wisten wanneer hun onrecht werd aangedaan.

Wie die stem uit de herdenking haalt, maakt van arbeid een museumstuk.

Arbeid als museumstuk

Het RN noemt de vakbonden “politiek”. Dat klinkt neutraal, bijna redelijk. Alsof een burgemeester boven de partijen staat en eindelijk orde brengt in een ceremonie die door linkse organisaties zou zijn gekaapt. Maar dat is de oude truc. Macht noemt zichzelf normaal en noemt verzet propaganda.

Natuurlijk zijn vakbonden politiek. Arbeid is politiek. Een mijnramp is politiek. Een loonstrook is politiek. Een kapotte rug na veertig jaar nachtdienst is politiek. Een gemeente die bepaalt wie op 1 mei mag spreken, is politiek. De vraag is dus niet óf er politiek is. De vraag is: wiens politiek mag zichtbaar zijn?

Bij extreemrechts is het antwoord telkens hetzelfde. Het volk mag bestaan als beeld, als emotie, als vlag, als koor bij verkiezingsavonden. Maar zodra dat volk zich organiseert buiten de leider om, zodra het eisen stelt aan bazen, directies of bestuurders, wordt het verdacht gemaakt. Dan heet het “extreemlinks”, “activistisch”, “verdeeldheid zaaiend” of “propaganda”.

Het RN wil arbeiders zonder arbeidersmacht. Buurten zonder vakbonden. Herinnering zonder conflict. Sociale woede zonder sociale organisatie. Dat is gevaarlijk, juist omdat het zo herkenbaar wordt verpakt. Een burgemeester hoeft geen boekverbranding te organiseren om de geschiedenis te vervormen. Soms volstaat het om een microfoon weg te halen.

Het volk zonder volksmacht

Paiva komt niet uit het niets. Hij werkte eerder in Hénin-Beaumont, de stad waar RN-burgemeester Steeve Briois al sinds 2014 bestuurt en waar Marine Le Pen jarenlang haar politieke basis vond. Hénin-Beaumont werd het laboratorium van bestuurlijk extreemrechts: netjes aan de buitenkant, hard in de machtsverhoudingen. Minder schreeuwen, meer normaliseren. Minder provocatie, meer controle over verenigingen, symbolen, subsidies en publieke ruimtes.

Ook daar werd rond 1 mei de ruimte voor vakbonden teruggedrongen. Ook daar volgde protest. Nu gebeurt in Liévin iets vergelijkbaars. Dat is geen toeval. Het is een methode.

Extreemrechts begrijpt dat macht niet alleen via wetten en verkiezingen werkt. Macht zit ook in rituelen. In wie wordt uitgenodigd. In wie de zaal krijgt. In wie spreekt namens “de stad”. In welke woorden nog gepast worden gevonden en welke woorden zogenaamd te scherp zijn.

Daarom is de strijd om een 1 mei-ceremonie groter dan een lokale ruzie. Het gaat om de vraag of een arbeidersstad haar eigen geheugen mag bewaren, of dat dit geheugen wordt ingelijfd door een partij die het sociale verleden wil gebruiken zonder de sociale strijd erbij te dulden.

Beneden stilte, boven champagne

De hypocrisie wordt nog duidelijker als we naar Parijs kijken. Terwijl het RN in Liévin vakbonden uit de 1 mei-herdenking duwt, schuift Marine Le Pen aan bij de economische elite. Begin april dineerde zij met topfiguren uit het Franse bedrijfsleven, onder wie Bernard Arnault van LVMH en bestuurders rond TotalEnergies, Engie en Renault. Het was een teken dat delen van het Franse bedrijfsleven de banden met extreemrechts aftasten en invloed zoeken op de economische agenda van het RN.

Kort daarna werd ook Jordan Bardella ontvangen door de top van Medef, de Franse werkgeversorganisatie. De toenadering tussen het RN en het grootpatronaat wordt steeds gewoner. De partij zoekt legitimiteit bij mensen met kapitaal, media, industrie en politieke toegang. De ondernemers zoeken invloed op een partij die dichter bij de macht komt.

Dat is de dubbele beweging. Beneden wordt de vakbond de mond gesnoerd. Boven wordt beleefd geluncht met miljardairs en werkgevers. Beneden heet sociale strijd “propaganda”. Boven heet belangenbehartiging “dialoog”.

Daarin toont het RN zijn ware gezicht. Niet in één losse uitspraak, niet in één gemeentelijk besluit, maar in het patroon. De partij verkoopt zichzelf als beschermer van gewone mensen, maar wantrouwt alles wat gewone mensen sterker maakt tegenover bazen, aandeelhouders en bestuurders. Zij wil woede oogsten, niet emancipatie organiseren.

Dat maakt extreemrechts zo bruikbaar voor de bovenlaag. Het kan de taal van het volk spreken terwijl het de structuren van macht ongemoeid laat. Het kan wijzen naar migranten, moslims, stedelijke elites, journalisten, rechters, “woke” activisten, iedereen behalve de economische macht die al decennialang profiteert van onzeker werk, afbraak van publieke diensten en georganiseerde verdeeldheid.

Wie mag hier spreken?

1 mei is niet zomaar een vrije dag. Het is geen lentefeest met rode vlaggen als nostalgische versiering. Het is de dag waarop werkenden zichzelf zichtbaar maken. Niet als personeel, niet als human resources, niet als “de hardwerkende burger” uit campagneteksten, maar als mensen die samen macht kunnen vormen.

Daarom wordt 1 mei telkens opnieuw aangevallen. Soms frontaal, door te morrelen aan de status van de betaalde vrije dag. Soms symbolisch, door de vakbond uit de ceremonie te knippen. Soms cultureel, door sociale strijd weg te zetten als ouderwets of extremistisch. Telkens gaat het om hetzelfde: arbeid mag wel bestaan als plicht, niet als macht.

Liévin laat zien hoe dat eruitziet onder bestuurlijk extreemrechts. De doden worden niet ontkend. Dat zou te grof zijn. Ze worden juist omarmd, maar ontdaan van hun betekenis. De ramp mag herdacht worden als lokaal verdriet, niet als aanklacht tegen nalatigheid van bovenaf. De mijnwerker mag symbool zijn, maar de vakbond mag niet uitleggen wat dat symbool betekent.

Dat is geen respect. Dat is toe-eigening.

Wie de doden van Liévin eert, moet ook verdragen dat de levenden spreken. Over werkdruk. Over veiligheid. Over pensioenen. Over lonen. Over de vraag wie betaalt voor crises die anderen veroorzaken. Over oude en nieuwe vormen van uitbuiting die niet verdwijnen omdat de mijnen gesloten zijn. Het mijnbekken is veranderd, maar de logica is niet weg. Ze zit nu in distributiecentra, schoonmaakwerk, zorgroosters, platformarbeid, fabrieken, migrantenarbeid, in lichamen die nog steeds goedkoper worden gevonden dan goede bescherming.

Een burgemeester die vier jaar geleden uit Zuid-Frankrijk kwam om carrière te maken in het noorden? Een partij die zich sociaal voordoet in arbeiderssteden en ondertussen salonfähig wil worden bij de rijkste mannen van Frankrijk? Of de mensen en organisaties die het geheugen van arbeid dragen, met alle ruwheid, ruzie, fouten en noodzakelijke koppigheid die daarbij hoort?

De klok van Saint-Amé staat stil, maar de geschiedenis niet. Zij wordt elke dag opnieuw gebruikt, verdraaid, beschermd of verraden. In Liévin probeert het RN de herinnering aan de mijnwerkers los te snijden van de strijd die hun dood begrijpelijk maakt. Dat mogen we niet laten gebeuren.

Op 1 mei gaat het niet alleen om loon, werk en vrije tijd. Het gaat ook om het recht om onze eigen doden te herdenken zonder dat de macht bepaalt wat hun dood nog mag betekenen. Om het recht van arbeiders, vakbonden, families en buurten om te zeggen: dit was geen ongeluk zonder oorzaak, geen verdriet zonder politiek, geen verleden dat netjes opgeborgen kan worden.

De bloemen zijn niet genoeg. De stemmen horen erbij. Altijd.

Als dit stuk je iets waard is, maak het dan mee mogelijk.

vrheid.nl schrijft sinds 2000 onafhankelijk, links en zonder commerciële leash. Geen advertenties, geen algoritmische dwang, geen redactionele knieval.

Voor €5 per maand steun je dit werk en ontvang je nieuwe stukken direct in je mailbox.

Steun deze dwarse plek

Aanbevolen voor jou