Soms merk je pas hoe diep een leugen zit wanneer bijna iedereen haar redelijk noemt. Dat de markt neutraal zou zijn. Dat de rechtsstaat boven de partijen staat. Dat racisme een achtergebleven fout is in een systeem dat verder best deugt. Dat ongelijkheid vooral een technisch probleem is, op te lossen met beter beleid, betere procedures, een diverser bestuur en misschien een vriendelijker folder.
Cedric Robinson trok precies aan die geruststellende draad. En toen kwam niet alleen één theorie los, maar een heel wereldbeeld.
Er zijn denkers die een begrip introduceren. En er zijn denkers die het decor omver trekken waarin dat begrip pas betekenis krijgt. Robinson hoorde bij die tweede groep. Wie hem alleen samenvat als de man van racial capitalism doet hem tekort. Hij probeerde niet simpelweg uit te leggen waarom racisme en kapitalisme vaak samengaan. Hij wilde laten zien dat het moderne systeem zelf vanaf het begin is gebouwd met hiërarchie, uitsluiting en geweld in de muren. Niet als foutje. Niet als bijwerking. Niet als moreel gebrek dat later met hervormingen kan worden gerepareerd. Maar als dragend principe.
Daarom komt zijn werk nu zo hard binnen. Want nog altijd doen liberale politici, bestuurders en opiniemakers alsof ongelijkheid een afwijking is van een verder normale orde. Alsof markten in wezen eerlijk zijn, zolang de spelregels maar goed worden bewaakt. Alsof racisme vooral bestaat uit verkeerde opvattingen van verkeerde mensen. Robinson zegt iets veel ongemakkelijkers: jullie kijken verkeerd naar het bouwwerk. Wat jullie ontsporing noemen, is vaak gewoon de normale werking van het systeem.
Robinson groeide op in West Oakland, studeerde aan Berkeley, was actief in campusstrijd, hielp Malcolm X naar de universiteit te halen en botste al vroeg met staatsmacht en disciplinaire instituties. Later werkte hij in een racistisch strafrechtsysteem, promoveerde aan Stanford en schreef een proefschrift dat zo diep inbeukte op de grondslagen van de politieke wetenschap dat delen van zijn commissie het niet wilden goedkeuren. Dat proefschrift werd later The Terms of Order, een aanval op de mythe van leiderschap en op het idee dat orde vanzelfsprekend, neutraal of noodzakelijk is.
Dat is belangrijk, omdat Robinson nooit een academicus was die de wereld veilig van een afstand beschreef. Zijn denken kwam voort uit strijd, uit beweging, uit antikoloniale solidariteit, uit Black Studies, uit politieke radio, uit gemeenschap. UCSB beschrijft hem niet voor niets als een denker van Black radicalism, diaspora, internationalisme, media en politiek, én als iemand die actief deelnam aan politieke bewegingen in de Verenigde Staten en daarbuiten. Zijn archief wordt inmiddels ook gepresenteerd als meer dan een academische nalatenschap: als materiaal voor nieuwe generaties onderzoekers én gemeenschappen.
Waarom Black Marxism nog steeds schuurt
De kern van Robinsons beroemdste boek, Black Marxism: The Making of the Black Radical Tradition, is niet dat Marx nutteloos zou zijn. Zijn punt is pijnlijker en scherper. Robinson laat zien dat veel klassieke marxistische schema’s Europa als vanzelfsprekende norm nemen. Klassenstrijd verschijnt daarin vaak als universeel verhaal, terwijl kolonialisme, slavernij, uitroeiing en racialisering naar de rand van de geschiedenis worden geduwd. Alsof ze bijkomende verschijnselen waren. Alsof de plantage, het koloniale bestuur, de grens, de gevangenis en de roof van land niet midden in de moderne wereld stonden.
Robinson verzet zich daartegen. Hij stelt dat kapitalisme niet ontstond op een schone lei, maar voortkwam uit een Europese orde die al door racialism was gevormd. Kapitalisme brak dus niet simpelweg met de oude wereld. Het nam bestaande hiërarchieën mee, moderniseerde ze, maakte ze winstgevend en verspreidde ze wereldwijd.
Dat is de stelling die later is samengevat als racial capitalism: kapitalisme en racisme zijn niet twee losse systemen die elkaar toevallig ontmoeten. De ontwikkeling van het kapitalisme was historisch al geracialiseerd. Robinsons punt is dus niet alleen dat kapitalisme racisme gebruikt wanneer dat handig is. Zijn punt is dat kapitalistische moderniteit mede is gebouwd op het ordenen van mensenlevens naar waarde, afkomst, lichaam, arbeid, bezit en wegwerpbaarheid.
Precies daarom blijft zijn werk explosief. Want zolang je racisme behandelt als een extra laag bovenop een verder normaal economisch systeem, kun je blijven dromen van een vriendelijker kapitalisme. Een inclusiever kapitalisme. Een diverser kapitalisme. Een kapitalisme met betere gezichten op folders, meer representatie in bestuurskamers en iets warmere taal in beleidsnota’s. Robinson zet dat hele frame op losse schroeven. Niet omdat representatie niets betekent, maar omdat representatie zonder structurele breuk vaak alleen betekent dat dezelfde machine andere beheerders krijgt.
De Black Radical Tradition is geen voetnoot
Misschien nog belangrijker dan racial capitalism is Robinsons begrip van de Black Radical Tradition. Dat begrip wordt vaak gebruikt alsof het simpelweg een rijtje zwarte revolutionairen aanduidt. Bij Robinson is het veel groter. Het gaat om historische vormen van denken, overleven, weigeren, herinneren, verbeelden en organiseren die niet volledig opgaan in de politieke logica van het Westen.
Niet omdat zwarte strijd buiten de geschiedenis zou staan. Juist niet. Robinson laat zien dat die strijd andere historische bronnen meedraagt, andere collectieve intelligenties, andere manieren om vrijheid te begrijpen. Hij weigert zwarte opstanden te behandelen als bijlage bij Europese klassenstrijd. Hij ziet ze als uitdrukkingen van een eigen radicale traditie die de grenzen van westerse sociale analyse doorbreekt.
Robin D. G. Kelley heeft dat scherp uitgewerkt. Bij Robinson zijn zwarte opstanden geen voetnoten bij het verhaal van Europa, maar momenten waarop een andere politieke verbeelding zichtbaar wordt. In later werk verbindt Kelley die traditie ook aan de opstanden van 2020 en aan abolitionistische bewegingen die niet geloven dat politiegeweld, gevangenissen en kapitalistische uitbuiting binnen hetzelfde systeem netjes zijn op te lossen.
Daar zit ook een waarschuwing in voor de manier waarop instituties Robinson vandaag omarmen. Het gevaar van canonisering is altijd dat een denker veilig wordt gemaakt. Dan blijft van Robinson een keurige universitaire term over, bruikbaar in subsidieaanvragen, conferenties en panelgesprekken, terwijl zijn werk juist een aanval was op de ficties waarmee macht zichzelf legitimeert. Orde. Beschaving. Ontwikkeling. Leiderschap. Neutraliteit. Vooruitgang. Robinson behandelde dat niet als onschuldige taal, maar als ideologische wapens.
Wat Robinson ons over nu leert
Kijk naar het heden en je ziet hoe bruikbaar dat blijft. Migratieregimes willen goedkope arbeid, maar geen gelijke rechten. Regeringen spreken over opvangcrisis, terwijl ze grenzen bouwen, rechten afbreken en mensen laten wachten in systemen die vernederen. Politici behandelen woningnood als marktprobleem, terwijl vastgoedbezit en accumulatie buiten schot blijven. Techbedrijven koloniseren publieke infrastructuur en noemen dat innovatie. Politie, gemeenten en ministeries coderen bepaalde groepen structureel als risico. Culturele elites omarmen antiracisme zolang het niet raakt aan bezit, politie, grenzen of imperialisme.
Robinson helpt om door die mist heen te kijken. Niet met één simpele formule, maar door de historische vraag scherper te stellen: welke vormen van verschil, hiërarchie en ontmenselijking zijn niet toevallig aan winst gekoppeld, maar maken winst juist mogelijk?
Wie die vraag serieus neemt, ziet al snel dat het probleem niet alleen bestaat uit racistische vooroordelen, een paar extreme partijen of het falen van individuele beleidsmakers. Het gaat om een sociale orde die menselijke ongelijkheid voortdurend organiseert, normaliseert en economisch benut. Een orde die sommige mensen bescherming belooft en anderen controle geeft. Een orde die sommige levens koestert en andere levens goedkoop maakt.
Minkah Makalani werkt dat sterk uit wanneer hij benadrukt dat Robinson niet vooral bezig was met een abstract model van waarde, maar met de diepere ordeningsprincipes van de Europese moderniteit: de kaders die menselijk verschil hiërarchisch maakten en sociaal organiseerden. Dat klinkt misschien theoretisch, maar in de praktijk is het bloedconcreet. Wie als volwaardig mens geldt. Wie als overbodig wordt behandeld. Wie bewaakt moet worden. Wie mag sterven aan grenzen, in oorlogen, in gevangenissen, in verwaarloosde wijken of in zorgsystemen waar winst belangrijker is dan leven. Dat zijn geen losse kwesties. Ze horen bij dezelfde orde.
Tegen fascisering zonder nostalgie
Juist daarom is Robinson belangrijk in een tijd van fascisering. Hij biedt geen nostalgie naar een beter liberalisme. Hij zegt niet dat de democratische rechtsstaat ooit werkelijk neutraal was en nu pas wordt misbruikt. Hij laat zien dat de moderne politieke orde zelf is gebouwd op uitsluiting, koloniale plundering en geracialiseerde hiërarchie.
Dat betekent niet dat alle regimes hetzelfde zijn. Daar moeten we precies in blijven. Er is verschil tussen parlementaire ruimte en open dictatuur, tussen burgerrechten en fascistische straatmacht, tussen beperkte democratische bescherming en totale ontmenselijking. Maar Robinson helpt ons begrijpen dat fascistische tendensen niet uit de lucht vallen. Ze zijn geen buitenaardse invasie in een verder gezonde orde. Ze zijn vaak een verscherping van structuren die er al waren: grensgeweld, politieracisme, koloniale nostalgie, vijanddenken, gehoorzaamheid aan bezit en de permanente verdenking van wie zich verzet.
Kelley schrijft daar helder over: Robinson helpt ons scherper te zien tegen welke historische processen we vechten. Hij herinnert ons eraan dat krachten die onaantastbaar lijken vaak bij elkaar worden gehouden door geweld en ficties. Dat is een zeldzaam nuttige gedachte in een periode waarin autoritaire politiek zich steeds vaker vermomt als realisme, bestuurlijke noodzaak of bescherming van de orde.
Want zo werkt het meestal. Een minister begint niet met de woorden: ik breek rechten af. Hij zegt dat er veiligheid nodig is. Een burgemeester zegt niet: ik criminaliseer protest. Zij zegt dat de openbare orde in gevaar is. Een universiteit zegt niet: wij dempen kritiek op kolonialisme, oorlog of apartheid. Zij zegt dat het gesprek zorgvuldig moet blijven. Een techbedrijf zegt niet: wij bouwen infrastructuur voor toezicht. Het zegt dat data de wereld efficiënter maken.
Robinson leert ons die taal wantrouwen. Niet omdat woorden niets betekenen, maar omdat macht juist via woorden haar geweld netjes aankleedt.
Geen heilige, wel een noodzakelijke denker
Dat betekent niet dat Robinson boven kritiek staat. Integendeel. Zijn werk roept lastige vragen op, ook binnen marxistische, abolitionistische en dekoloniale debatten. Er wordt gediscussieerd over hoe precies zijn begrip van racialism werkt, hoe zijn geschiedenis van Europa gelezen moet worden en waar de verhouding ligt tussen klasse, ras, cultuur en staat. Die discussies zijn waardevol. Een radicale traditie wordt niet sterker van heiligenverering, maar van strijd, debat en herlezing.
Toch verandert dat niets aan het feit dat Robinson het terrein blijvend heeft verschoven. Zonder Robinson is het veel moeilijker om te begrijpen waarom kapitalistische moderniteit niet alleen ongelijkheid produceert, maar sommige levens structureel goedkoper maakt dan andere. Zonder Robinson is het veel makkelijker om te geloven dat diversiteit aan de top hetzelfde is als rechtvaardigheid aan de basis. Zonder Robinson wordt het verleidelijk om verzet alleen te zien als reactie op onderdrukking, en niet als een eigen traditie van kennis, organisatie en verbeelding.
Misschien is dat uiteindelijk zijn grootste nalatenschap. Hij gaf ons geen geruststelling. Geen routekaart met nette eindbestemming. Geen theorie waarmee de wereld overzichtelijk en veilig wordt. Hij gaf ons een lens die de vanzelfsprekendheid van de wereld openbreekt.
Cedric Robinson leert dat het systeem niet kapot is. Het werkt zoals het gebouwd is. En precies daarom moeten we ophouden met vragen hoe deze orde wat menselijker beheerd kan worden. De moeilijkere, eerlijkere vraag is wat voor wereld mogelijk wordt wanneer we eindelijk stoppen met doen alsof deze ooit neutraal is geweest.
Als dit stuk je iets waard is, maak het dan mee mogelijk.
vrheid.nl schrijft sinds 2000 onafhankelijk, links en zonder commerciële leash. Geen advertenties, geen algoritmische dwang, geen redactionele knieval.
Voor €5 per maand steun je dit werk en ontvang je nieuwe stukken direct in je mailbox.
