Er is iets fundamenteels verschoven. Oorlog geldt niet langer als het falen van politiek, maar als haar logische voortzetting. Bewapening heet realisme. Escalatie verantwoordelijkheid. Twijfel wordt verdacht. Wie pleit voor de-escalatie of diplomatie belandt al snel in een kamp dat zich moet verantwoorden.
Die verschuiving speelt zich niet alleen af in regeringen en parlementen. Ze dringt ook door in delen van linkse en activistische bewegingen. Precies daar wringt het.
De verdwijning van antimilitarisme
Antimilitarisme was lange tijd geen randpositie, maar een dragende pijler van radicale sociale bewegingen. Het wantrouwen tegen legers, bondgenootschappen en bewapening kwam voort uit historische ervaring: staten voeren oorlogen, gewone mensen betalen de prijs.
Dat perspectief is de afgelopen jaren naar de marge geduwd. Niet omdat militarisering minder gewelddadig is geworden — integendeel — maar omdat oorlog opnieuw wordt gepresenteerd als morele plicht. Solidariteit wordt vereenzelvigd met wapenzendingen, kritiek met verraad.
De oorlog in Oekraïne heeft dit proces versneld. Steun aan mensen die worden aangevallen is terecht en noodzakelijk. Maar die steun is steeds vaker gekoppeld aan onvoorwaardelijke instemming met militaire escalatie, NAVO-strategie en grootschalige bewapening. Zo verdwijnt een essentieel onderscheid: dat tussen solidariteit met mensen en loyaliteit aan oorlogssystemen.
Waar antimilitarisme nog georganiseerd wordt
Tegen die achtergrond is het belangrijk om te zien dat antimilitarisme niet verdwenen is. Het wordt actief verdrongen, maar leeft voort — vooral daar waar het niet draait om slogans, maar om het blootleggen van macht.
In Nederland speelt Stop Wapenhandel daarin al decennia een sleutelrol. Niet met abstracte vredesretoriek, maar door de concrete infrastructuur van oorlog zichtbaar te maken: wapenbedrijven, exportvergunningen, militaire samenwerking, lobbypraktijken en de financiële belangen daarachter. Hun werk laat zien dat oorlog geen incident is, maar een georganiseerd systeem, verankerd in beleid, industrie en internationale afspraken.
Kenmerkend is dat wapens nooit los worden gezien van andere crises. Militarisering versnelt klimaatverwoesting, dwingt mensen op de vlucht en normaliseert autoritaire maatregelen binnen staten zelf. Door die verbanden consequent te leggen, wordt het dominante frame ondergraven dat ‘defensie’ iets technisch of neutraals zou zijn.
Dat werk staat niet op zichzelf. Via Europese netwerken tegen wapenhandel wordt informatie gedeeld, strategie afgestemd en gezamenlijke druk opgebouwd richting nationale regeringen en Europese instellingen. Zo wordt zichtbaar hoe grensoverschrijdend militarisering is — en hoe beperkt de democratische controle daarop vaak blijft.
Ook initiatieven met een langere geschiedenis, zoals het Anti Militaristisch Buro in Nijmegen, spelen hierin een cruciale rol. Niet alleen als archief, maar als levend geheugen van verzet. Ze laten zien dat kritiek op dienstplicht, kernwapens en oorlog altijd verbonden was met bredere strijd tegen hiërarchie, dwang en staatsgeweld. Dat die kennis vandaag vaak ontbreekt, is geen toeval maar een politiek gevolg.
Internationaal zien we hetzelfde patroon. Organisaties als Campaign Against Arms Trade in het Verenigd Koninkrijk en netwerken rond het International Peace Bureau richten zich op dezelfde kern: het doorbreken van de vanzelfsprekendheid waarmee bewapening als veiligheid wordt verkocht. Verschillende contexten, dezelfde analyse: zolang oorlog economisch en politiek loont, wordt vrede structureel ondermijnd.
Wat deze organisaties bindt, is ook wat ze weigeren. Ze laten zich niet inkapselen door regeringen, sluiten geen strategische allianties met krijgsmachten en laten hun analyse niet dicteren door geopolitieke loyaliteiten. Juist die onafhankelijkheid maakt hen kwetsbaar voor marginalisering — en houdt het antimilitaristische perspectief levend.
Vrede als daad (Willem de Haan)
In een gesprek met Bob van Left Laser, rond zijn boek Vrede als daad verwoordt Willem de Haan iets wat je zelden nog hardop hoort: vrede is geen wens, maar een praktijk — de-escaleren, onderhandelen, en vooral blijven vragen naar oorzaken. De Haan komt uit het radicale dienstweigeraarsmilieu van de jaren zeventig en tachtig (de ‘totaalweigeraars’ van Onkruidt) en laat zien hoe snel een samenleving in een oorlogslogica schiet: wie nuanceert, krijgt het etiket verrader.
Zijn analyse is controversieel, maar precies daarom relevant voor dit moment. Hij legt de nadruk op NAVO-uitbreiding en invloedsferen als structurele bron van het conflict en waarschuwt voor een politiek die veiligheid gelijkstelt aan bewapening. In die logica verschuift ook het binnenland: propaganda, ‘weerbaarheid’ en nieuwe vormen van (semi-)verplichte keuringen maken oorlog tot een project waarin iedereen moet meedoen. Of je zijn geopolitieke lezing deelt of niet: het boek dwingt je om het taboe te doorbreken dat vrede alleen zou bestaan uit meepraten, terwijl oorlog het domein van ‘realisme’ zou zijn.
Te koop bij: sjakoo.nl/vrede-als-daad/
Van de-escalatie naar discipline
Tegelijkertijd sluit het debat zich. Afwijkende stemmen worden gesanctioneerd. Pleiten voor onderhandelingen, het benoemen van militaire patstellingen of het wijzen op belangen achter bewapening leidt steeds vaker tot verdachtmaking. Complexiteit maakt plaats voor discipline.
Dat gebeurt niet alleen abstract. Een activist die vraagtekens zet bij wapenzendingen wordt weggezet als ‘naïef’ of ‘handlanger van de vijand’. Een academicus die wijst op vastgelopen frontlinies of diplomatieke opties verliest uitnodigingen. Binnen organisaties verschuift de toon: niet de vraag of escalatie werkt, maar hoe loyaal je je opstelt, wordt beslissend.
Dat mechanisme is niet nieuw; het hoort bij oorlogstijd. Maar dat het nu diep doordringt in bewegingen die ooit juist kritisch stonden tegenover macht en geweld, is zorgwekkend. Kritiek op staten wordt opgeschort uit naam van staatsveiligheid.
Militarisering als binnenlands project
Militarisering speelt zich allang niet meer alleen af aan grenzen of frontlinies. Ze nestelt zich in het dagelijks leven. In begrotingen. In wetgeving. In onderwijs en publieke ruimte.
Onder het mom van ‘voorbereid zijn’ worden defensiebudgetten structureel verhoogd, inspraakprocedures uitgehold en grote delen van het land beschikbaar gemaakt voor militaire activiteiten. Jongeren worden actief geworven, vaak daar waar sociale alternatieven schaars zijn.
Die logica sijpelt ook door in het onderwijs. Terwijl er wordt bezuinigd op brede vorming, geesteswetenschappen en kritische infrastructuur, komt financiële steun steeds vaker met voorwaarden. Onderzoeksgelden, samenwerkingen en innovatieprogramma’s sturen richting defensie, veiligheid en de oorlogsindustrie. Wat ‘maatschappelijke relevantie’ heet, blijkt in de praktijk vaak militaire toepasbaarheid.
Oorlogsvoorbereiding wordt zo een sociaal project — niet democratisch besproken, maar als onvermijdelijk gepresenteerd.
De impasse binnen links
Parlementair links beweegt grotendeels mee. Bij partijen als PvdA/GroenLinks en D66 wordt twijfel ingeruild voor ‘verantwoordelijkheid’, kritiek voor ‘realisme’. Ook daar waar ooit een uitgesproken vredestraditie bestond, wordt nu ingestemd met hogere defensiebudgetten, NAVO-loyaliteit en wapenleveranties. Zelfs partijen die zich links noemen, nemen zo de logica van bewapening over — niet als noodmaatregel, maar als nieuw uitgangspunt.
Dat creëert een vacuüm. Waar fundamentele machtskritiek ontbreekt, vullen anderen het gat: autoritaire stromingen die zichtbaar zijn maar weinig ruimte laten voor autonome actie, of extreemrechtse en complotdenkende groepen die vrede claimen terwijl ze hiërarchie en uitsluiting normaliseren.
Dat is geen toeval. Waar machtsanalyse verdwijnt, wint simplisme terrein.
Tegen het fatalisme van oorlog
Misschien is het gevaarlijkste idee van dit moment dat oorlog onvermijdelijk zou zijn. Dat voorbereiding de enige rationele houding is. Dat er geen alternatief bestaat.
Dat idee is geen natuurwet, maar een politieke keuze.
Antimilitarisme weigert die keuze te accepteren. Niet door weg te kijken van geweld, maar door te weigeren geweld tot oplossing te verheffen. Het stelt vragen die nu te vaak als ongepast gelden: wie profiteert, wie betaalt, en wie verliest zeggenschap?
Wie zich daartegen verzet, staat niet aan de kant van agressors of dictators, maar aan de kant van mensenlevens, sociale rechtvaardigheid en echte veiligheid — veiligheid die niet gebouwd is op angst, discipline en bewapening, maar op het terugdringen van de machtsstructuren die oorlog steeds opnieuw mogelijk maken.
Als dit stuk je iets waard is, maak het dan mee mogelijk.
vrheid.nl schrijft sinds 2000 onafhankelijk, links en zonder commerciële leash. Geen advertenties, geen algoritmische dwang, geen redactionele knieval.
Voor €5 per maand steun je dit werk en ontvang je nieuwe stukken direct in je mailbox.
