In de stilte van een Habanese nacht hoor je twee dingen. Het brommen van een generator, ergens bij een ziekenhuis. En het zachte praten van een gezin rond een paar kaarsen. Twintig uur geen stroom. Eten dat bederft. Medicatie die koel moet blijven. Voor hen is “Amerikaanse nationale veiligheid” geen abstract begrip. Het is donkerte, angst en rekenen: wat kan vandaag nog, wat morgen niet meer.
Op 29 januari 2026 verklaarde de Amerikaanse president Cuba tot een “ongebruikelijke en buitengewone bedreiging” voor de veiligheid van de Verenigde Staten. Met één besluit werd de blokkade aangescherpt tot iets anders: geen drukmiddel meer, maar een instrument van verstikking. Elk land dat Cuba van brandstof voorziet, kan worden gestraft. Ook bondgenoten. Ook buurlanden. Het doel is niet langer isoleren. Het doel is stoppen met ademen.
De techniek van verstikking
Cuba draait op geïmporteerde brandstof. Zonder olie vallen elektriciteit, waterpompen, openbaar vervoer, ziekenhuizen en scholen stil. Wie de toevoer afsnijdt, raakt de hele samenleving. De Cubaanse regering noemt het wat het is: chantage, dreiging en directe dwang om brandstof buiten te houden. Collectieve bestraffing, in strijd met het internationaal recht. Honger, duisternis en ziekte als politiek wapen.
Dit is geen diplomatie. Dit is oorlog met andere middelen. Niet omdat Cuba een militair gevaar vormt, maar omdat het al decennia weigert zijn soevereiniteit in te leveren.
Een constante oorlog
Wie dit “buitenlands beleid” noemt, maakt het kleiner dan het is. Wat zich tegen Cuba richt, is een doorlopende oorlog, gevoerd door opeenvolgende Amerikaanse regeringen met één vaste inzet: het breken van het Cubaanse socialistische project.
In 1960 volgde de eerste blokkade, nadat Cuba Amerikaanse bedrijven en raffinaderijen nationaliseerde. In 1961 kwam de mislukte invasie in de Varkensbaai, gevolgd door jaren van sabotage, economische oorlogvoering en honderden pogingen om Cubaanse leiders te vermoorden. In de jaren negentig, na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie in 1991, werd in Washington gehoopt op een definitieve genadeklap. De blokkade werd extraterritoriaal: ook buitenlandse bedrijven en staten werden gestraft voor handel met Cuba. De wereldhandel moest zich voegen naar Washington.
Na de voorzichtige en bewust beperkte versoepeling onder president Barack Obama, die begon in december 2014 en leidde tot het herstel van diplomatieke betrekkingen in 2015, zelfs tot een historisch bezoek van Obama aan Havana in 2016, en een smalle, fragiele normalisering, werd die lijn vanaf 2017 niet alleen teruggedraaid maar bruut afgebroken. Onder Trump werd diplomatie ingeruild voor wraak, en beleid voor straf. Cuba werd opnieuw op de Amerikaanse terreurlijst geplaatst, niet op basis van feiten maar als politiek signaal, met verwoestende gevolgen voor banken, handel en internationale samenwerking. Tussen 2017 en 2021 volgden honderden nieuwe sancties, elk bedoeld om het dagelijks leven zwaarder te maken. Wat begon als economische druk, werd doelbewuste ontwrichting. En nu, begin 2026, wordt geprobeerd het eiland letterlijk van energie af te snijden.
De intentie is nooit verborgen geweest. Al in 1960 schreef een hoge ambtenaar van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken dat het doel was “honger, wanhoop en de omverwerping van de regering” te veroorzaken door geld en goederen te ontzeggen. Het menselijk leed is geen nevenschade. Het is de strategie.
Het brutale dilemma
De gevolgen zijn meetbaar. In de jaren negentig leidde de aangescherpte blokkade tot een enorme daling in voedselinname en een sterke stijging van vermijdbare ziekten. Vandaag blokkeert ze de aankoop van medische apparatuur, onderdelen voor waterzuivering en, opnieuw, de brandstof die alles draaiende moet houden.
Dit lijden wordt in Washington gepresenteerd als noodzakelijk kwaad. Vertegenwoordigers van de Cubaans-Amerikaanse lobby spreken openlijk over een “brutaal dilemma”: kortetermijnlijden verlichten, of Cuba “voorgoed bevrijden”. Alsof honger een technisch vraagstuk is. Alsof kinderen zonder medicijnen een prijs zijn die je kunt afwegen.
Die beloofde “vrijheid” betekent in de praktijk een terugkeer naar vóór 1959. Naar een eiland waar buitenlandse bedrijven de nutsvoorzieningen beheersten en het grootste deel van de landbouwgrond in handen hadden. Wie wil zien hoe zo’n ‘vrijheid’ eruitziet, hoeft niet te speculeren. Kijk naar Puerto Rico: formeel onderdeel van de Verenigde Staten, maar structureel arm, diep in de schulden, met geprivatiseerde infrastructuur die faalt zodra er een orkaan langskomt. Geen soevereiniteit, geen echte democratische zeggenschap, wel permanente afhankelijkheid. Vrijheid voor kapitaal, gekocht met het lijden van gewone mensen.
De Donroe-doctrine
Deze escalatie past in een bredere visie: een herleving van de oude gedachte dat Latijns-Amerika en het Caribisch gebied de exclusieve invloedssfeer van de Verenigde Staten vormen. Staten die een onafhankelijke koers varen, zeker wanneer ze hun economie organiseren rond menselijke behoeften in plaats van winst, worden bestempeld tot bedreiging. Tot noodsituatie. Het gaat niet om democratie. Het gaat om controle. Om het recht op dominantie, verpakt als veiligheid.
Tegelijk groeit ook binnen de Verenigde Staten zelf het verzet tegen deze logica van verstikking. De Democratische afgevaardigde Jim McGovern diende een wetsvoorstel in om de juridische basis van de blokkade volledig te ontmantelen. Geen symboliek, maar concrete stappen: het schrappen van de wetten die het embargo verankeren, het opheffen van handels- en reisbeperkingen, het toestaan van directe telecomverbindingen en het beschermen van het recht van Amerikanen om Cuba te bezoeken. Zijn boodschap is helder: zestig jaar economische oorlog heeft geen democratie gebracht, maar wel armoede, migratie en diplomatiek isolement. Wat faalt als straf, kan misschien slagen als betrokkenheid. Daarmee wordt zichtbaar dat verstikking geen noodlot is, maar een politieke keuze — en dus ook kan worden teruggedraaid.
Oorlog daar, oorlog hier
Dit alles staat niet los van wat er binnen de Verenigde Staten gebeurt. Dezelfde logica die “nationale noodtoestanden” inzet om Cuba te wurgen, wordt gebruikt om migranten te criminaliseren, steden te militariseren en dodelijk geweld te normaliseren. Dezelfde macht die een heel volk tot bedreiging verklaart omdat het zelfbeschikking opeist, wijst binnenlandse groepen aan als vijand.
Blokkade en grens zijn twee kanten van dezelfde munt. Het beheersen van mensen. Het controleren van middelen. Het bepalen wie telt en wie kan worden opgeofferd.
Het flakkerende kaarslicht in dat huis in Havana is daarom meer dan noodverlichting. Het is verzet. De strijd om het licht aan te houden is een strijd voor het recht van volkeren om hun eigen weg te gaan, zonder chantage van een rijk dat dominantie verwart met veiligheid en wreedheid met kracht. Zoals zo vaak zullen Cubanen samen overeind blijven. Niet alleen om te overleven, maar om de blokkade te doorstaan — en haar uiteindelijk te overwinnen.
Als dit stuk je iets waard is, maak het dan mee mogelijk.
vrheid.nl schrijft sinds 2000 onafhankelijk, links en zonder commerciële leash. Geen advertenties, geen algoritmische dwang, geen redactionele knieval.
Voor €5 per maand steun je dit werk en ontvang je nieuwe stukken direct in je mailbox.
